ECLI:NL:RBDHA:2026:29703

Datum uitspraak
05-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.55604_55993
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Maatregel te laat omgezet. Schadevergoeding. Te late omzetting werkt niet door in huidige maatregel. Gronden feitelijk juist.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.55604 en NL26.55993

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: mr. G.J. Westendorp.

Procesverloop

De minister heeft op 17 augustus 2026 aan eiser de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft op 21 september 2026 tegen het voortduren van de bewaringsmaatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.55604.

De minister heeft op 21 september 2026 de hiervoor genoemde maatregel van bewaring opgeheven en aansluitend aan eiser een nieuwe maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.1

Bij schrijven van 25 september 2026 heeft gemachtigde van eiser zich onttrokken als advocaat van eiser, omdat eiser had aangegeven absoluut niet door haar te willen worden bijgestaan.

De rechtbank heeft op 25 september 2026 de Raad voor de Rechtsbijstand gevraagd een andere advocaat aan eiser toe te wijzen. De Raad voor de Rechtsbijstand heeft dezelfde dag laten weten dat zij niet voorzien in het toewijzen van een nieuwe advocaat en dat de rechtbank zich dient te wenden tot Legal Aid binnen de Raad voor de Rechtsbijstand. Op 28 september 2026 werd de rechtbank door Legal Aid doorverwezen naar het juridisch loket. De rechtbank heeft vervolgens besloten het beroep zonder advocaat op zitting te plaatsen.

De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, W.J.K. Kennedid als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

NL26.55604

1. Omdat de bewaringsmaatregel van 17 augustus 2026 is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de vreemdelingebewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de vreemdelingenbewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 augustus 2026 in de zaak NL26.47233 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 25 augustus 2026.

Omzetting van de maatregel

3. Eiser voert aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring van 17 augustus 2026 te laat is omgezet.

3.1

De minister heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op 16 september 2026 had moeten worden omgezet. Eisers asielaanvraag is op 8 september 2026 afgewezen en op 16 september 2026 is gebleken dat eisers geen verzoek om voorlopige voorziening had ingediend. De minister heeft erkend dat de maatregel zes dagen te laat is omgezet.

3.2

De rechtbank stelt vast, wat tussen partijen ook niet in geschil is, dat de minister de maatregel van vreemdelingenbewaring van 17 augustus 2026 zes dagen te laat heeft omgezet en dat eiser daarom recht heeft op zes dagen schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep gericht tegen het voortduren van de bewaringsmaatregel van 17 augustus 2026 is gelet op het vorenstaande gegrond. De maatregel heeft vanaf 16 september 2026 tot de opheffing ervan op 21 september 2026 onrechtmatig voortgeduurd. De rechtbank kent een schadevergoeding toe voor zes dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van (6 x € 120,- =) € 720,-.

NL26.55993

5. De rechtbank stelt vast dat de minister ter zitting heeft erkend dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op 21 september 2026 te laat is omgezet. De vraag die door de rechtbank beantwoord moet worden is welke gevolgen dat heeft voor de huidige maatregel van vreemdelingenbewaring.

5.1

Uit de “schottentheorie” zoals volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2 blijkt dat een te late grondslagwijziging een onrechtmatigheid is die kleeft aan de eerdere maatregel van vreemdelingenbewaring en deze kan in beginsel niet doorwerken naar de latere maatregel van vreemdelingenbewaring. Alleen in het geval van een ernstige schending van een fundamenteel recht of van een opeenstapeling van ernstige gebreken voorafgaand aan de nieuwe maatregel kan van deze hoofdregel worden afgeweken.3 Eiser heeft niet gesteld en ook niet onderbouwd dat daar in dit geval in die mate sprake van is. Ambtshalve toetsend is evenmin gebleken van een dergelijke ernstige schending of van een opeenstapeling van ernstige gebreken. Gelet op het voorgaande is er geen reden voor doorbreking van de schottentheorie en werkt de onrechtmatigheid in de voorafgaande maatregel niet door in de huidige maatregel.

Toetsingskader

6. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, in vreemdelingenbewaring stellen.4 De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.5 Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.6 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.7

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

7. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

7.1

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

7.2

De rechtbank stelt vast dat de aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag gelegde gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

8. De rechtbank ziet in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.8

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer NL26.55604, gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van totaal € 720,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer NL26.55993, ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, rechter, in aanwezigheid van

H.B. Slot - Akkerman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover deze ziet op zaaknummer NL26.55604, staat geen rechtsmiddel open.

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover deze ziet op zaaknummer NL26.55993, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »