ECLI:NL:RBDHA:2026:29490

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.56216
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring; artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, c en e van de Vw; inspanningsplicht; ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.56216

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 22 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, c en e van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.1

De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting in Breda behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Voortraject

1. Eiser verbleef van 3 tot en met 22 september 2026 in strafrechtelijke detentie ter uitvoering van twee openstaande vonnissen. Eiser voert aan dat verweerder tijdens zijn strafrechtelijke detentie onvoldoende inspanningen heeft verricht om aansluitende vreemdelingenbewaring zoveel mogelijk te voorkomen.

2. De beroepsgrond slaagt niet. Voor zover al sprake is van een inspanningsverplichting die is geschonden is eiser door zijn daaropvolgende asielaanvraag niet in zijn belangen geschaad. Gedurende de behandeling van zijn asielaanvraag kan eiser immers niet worden uitgezet en is de duur van de bewaring afhankelijk van de duur van de asielprocedure. De vraag of verweerder voldoende uitzettingshandelingen heeft verricht gedurende de strafrechtelijke detentie is dan niet meer relevant.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

3. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op 29 september 2026 heeft ingetrokken. De rechtbank toetst uitsluitend de rechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring, voor zover deze tot en de sluiting van het onderzoek heeft voortgeduurd, aan artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en e van de Vw.

4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en e van de Vw. In de maatregel heeft verweerder overwogen dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grondslag), met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag (b-grondslag) en dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is ten behoeve van de handhaving van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw in het geval de vreemdeling die maatregel niet naleeft en het onderduikrisico blijft bestaan (e-grondslag).

5. In de maatregel heeft verweerder ten aanzien van de a-, b- en e-grondslag als gronden vermeld dat eiser:

  • a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

  • b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

  • c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

  • h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

  • j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;

  • o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

  • q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

  • r. geen vaste woon en verblijfsplaats heeft;

  • s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

  • t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

6. Ook heeft verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring overwogen dat eiser (1) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2) al de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag alleen heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen (c-grondslag).

7. Eiser voert aan dat de maatregel op verschillende onderdelen onjuist en onzorgvuldig is gemotiveerd. In het bijzonder betwist hij de toepassing van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Ook betwist hij verschillende gronden die verweerder aan het onderduikrisico ten grondslag heeft gelegd. Zo is volgens eiser grond h niet van toepassing omdat hij een asielaanvraag heeft ingediend. Ook is grond j volgens hem feitelijk onjuist, omdat zijn eerdere asielaanvraag niet niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is verklaard, maar buiten behandeling is gesteld. Verder wijst eiser erop dat in de maatregel enerzijds staat dat hij niet wil terugkeren, terwijl anderzijds is vermeld dat hij bereid is mee te werken aan zijn vertrek.

8. Voor zover eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden ter onderbouwing van het risico op onderduiken bestrijdt, leidt dit evenmin tot een ander oordeel. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de maatregel op onderdelen onjuistheden bevat, maar zich op het standpunt gesteld dat voldoende gronden resteren om het risico op onderduiken aan te nemen. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a en c niet heeft betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en, voor zover nodig, voldoende toegelicht. Reeds hieruit volgt dat sprake is van een risico op onderduiken. Daarom behoeft wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden geen bespreking.

Ambtshalve toetsing

9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is geweest.

Conclusie

10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 6 oktober 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »