RECHTBANK Den Haag
Team Handel
zaak- / rolnummer: C/09/680227 / HA ZA 25-153
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiseres] te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. L.E. de Wal,
tegen
1 [gedaagde 1] te [woonplaats 1] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. A.E.P.R. Noij,2. [gedaagde 2] te [woonplaats 1] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
niet met advocaat verschenen,3. [gedaagde 3] te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
advocaat: mr. L.E. de Wal.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 juli 2025 (hierna: het tussenvonnis);
- de akte uitlaten taxaties van [eiseres] , met producties 1 tot en met 6;
- de antwoordakte op akte uitlaten taxaties van [gedaagde 3] ;
- de antwoordakte op akte uitlaten taxaties van [gedaagde 1] , met producties 1 tot en met 6;
- de akte uitlaten schulden nalatenschap van [gedaagde 1] , met producties 1 tot en met 6;
- de brief van [eiseres] van 6 april 2026 met daarin een reactie op de laatste producties van [gedaagde 1] , met producties 7 tot en met 13;
- de akte wijziging eis ex artikel 130 Rv van [gedaagde 1] , alsmede een afschrift van het exploot waarmee deze akte aan [gedaagde 2] is betekend;
- de spreekaantekeningen van [eiseres] .
Tot 15 oktober 2025 was ook [naam 1] als gedaagde partij betrokken bij deze procedure. Gelet op haar ontslag als executeur van de nalatenschap van erflater (zie nader tussenvonnis, onder 2.3), is deze zaak jegens haar doorgehaald. De overige partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten, maar hebben geen bezwaar gemaakt.
Bij e-mailbericht van 23 februari 2026 heeft [gedaagde 1] verzocht om herstel van het tussenvonnis. De overige partijen hebben de gelegenheid gekregen zich over dit verzoek uit te laten.
Naar aanleiding van het debat tussen partijen na het tussenvonnis heeft de rechtbank besloten een nadere mondelinge behandeling te gelasten. Deze heeft plaatsgevonden op 16 april 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen de door [gedaagde 1] ingediende akte eiswijziging. De rechtbank gaat hieraan voorbij, nu vooropstaat dat een partij zijn of haar eis kan wijzigen tot het wijzen van het eindvonnis en haar niet is gebleken dat [gedaagde 1] hiermee in strijd handelt met de goede procesorde (artikel 130 Rv).
2 Het geschil
De rechtbank verwijst voor een weergave van de vorderingen van [eiseres] naar het tussenvonnis, paragraaf 4. [gedaagde 1] heeft na het tussenvonnis haar eis in reconventie gewijzigd. Zij vordert na deze eiswijziging, dat de rechtbank bij vonnis:
I. primair, bepaalt dat de waarde van het pand aan de [adres 1] door de rechtbank wordt vastgesteld op basis van de reeds in het dossier aanwezige waarderingsgegevens, waarbij [gedaagde 1] zich onthoudt van ieder inhoudelijk standpunt over de hoogte daarvan, en bepaalt dat geen toedeling plaatsvindt op basis van een door [eiseres] bepleite lagere waardering, nu dit in strijd zou zijn met een evenwichtige afwikkeling van de nalatenschap;
II. subsidiair, voor zover de rechtbank desondanks overweegt een toedeling aan [eiseres] te laten plaatsvinden op basis van een waardering die niet aansluit bij de waarderingsgegevens zoals die zich reeds in het dossier bevinden, het pand in plaats daarvan aan haar toedeelt tegen de door de rechtbank vast te stellen waarde, teneinde te voorkomen dat het pand tegen een onevenredig lage waarde uit de boedel verdwijnt;
III. meer subsidiair, bepaalt dat tot openbare verkoop wordt overgegaan indien geen van de erfgenamen het pand tegen de door de rechtbank vast te stellen waarde kan of wil overnemen; en
IV. bepaalt dat de overige erfgenamen alle noodzakelijke medewerking verlenen aan de juridische en feitelijke levering, alsook iedere andere voorziening te treffen die uw rechtbank in het kader van een evenwichtige afwikkeling van de nalatenschap redelijk acht.
[gedaagde 1] legt hieraan ten grondslag dat toedeling aan [eiseres] , naar de rechtbank begrijpt voor zover dit gebeurt op basis van de door [eiseres] betoogde waarde, niet langer strookt met een evenwichtige afwikkeling van de nalatenschap.
3 De verdere beoordeling
De rechtbank zal vanwege de samenhang de vorderingen in conventie en in reconventie hierna gezamenlijk behandelen.
Tussenvonnis
De rechtbank zal allereerst het door [gedaagde 1] verzochte herstel van het tussenvonnis behandelen. [gedaagde 1] heeft terecht aangevoerd dat in randnummer 3.6, derde zin, van het tussenvonnis abusievelijk “ [gedaagde 1] ” staat in plaats van “ [eiseres] ” en deze zin daarmee als volgt had moeten luiden: “Wanneer deze het pand niet willen, dan kon [eiseres] het pand krijgen voor een bedrag van € 325.000.”. Dit is een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel in de zin van artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering leent. De rechtbank zal tot dit herstel overgaan en tevens van de gelegenheid gebruik maken om een tweetal, in het dictum vermelde redactionele verbeteringen door te voeren.
Uit het tussenvonnis volgt dat de rechtbank de nalatenschap (partieel) zal verdelen voor zover het betreft i) het pand aan de [adres 1] , ii) het pand aan de [adres 2] en iii) het banksaldo op de nalatenschapsrekening.
Wat betreft beide panden heeft de rechtbank in het tussenvonnis beslist deze toe te delen aan [eiseres] , onder de opschortende voorwaarden dat zij aantoont dat zij financieel in staat is de volledige eigendom van de panden te verkrijgen. Voor het geval zij (een van) de panden niet kan of wil overnemen, moeten de panden of het desbetreffende pand openbaar worden verkocht.
Partijen zijn het niet eens over de waarde van deze panden. Daarom heeft de rechtbank in het tussenvonnis bepaald dat de panden zullen worden getaxeerd, met de instructies dat i) [eiseres] en [gedaagde 3] enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] anderzijds ieder een taxateur aanwijzen, die op hun beurt vervolgens gezamenlijk een derde taxateur aanwijzen, die tevens als voorzitter optreedt en dat ii) deze drie taxateurs gezamenlijk de waarde van het pand moeten bepalen aan de hand van een voor deze panden gangbare methode. De rechtbank heeft hierbij tot slot overwogen dat indien de taxateurs geen overeenstemming kunnen bereiken, de waarde wordt bepaald op het gemiddelde van de waardes die de taxateurs individueel hebben vastgesteld.
Verder zijn partijen in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de hoogte van de schulden van de nalatenschap waarmee bij de verdeling van het banksaldo rekening moet worden gehouden.
Waarde van het pand aan de [adres 1]
Ten aanzien van het pand aan de [adres 1] is het de taxateurs onderling niet gelukt om tot overeenstemming te komen over de waarde van het pand. De door [eiseres] aangewezen taxateur – de heer [naam 2] – heeft de marktwaarde van het pand vastgesteld op een bedrag van € 390.000, terwijl de taxateur aangewezen door [gedaagde 1] – de heer [naam 3] – tot een bedrag komt van € 534.500, dan wel € 555.000 uitgaande van voltooiing van de onderhanden werkzaamheden. De onafhankelijke taxateur – de heer [naam 4] – heeft het pand tot slot getaxeerd op een bedrag van € 485.000.
[eiseres] heeft betoogd dat [naam 3] in zijn rapport is uitgegaan van verkeerde uitgangspunten door i) de toekomstige verbouwing door de huurder en ii) een hogere huurprijs mee te nemen in de waardebepaling. Verder zou hij voorbij zijn gegaan aan een aantal belangrijke zaken, zoals de onderhoudsstaat, vochtproblemen, kelderrisico's en begroting van de kosten om deze problemen aan te pakken. Ten aanzien van het gebruik van het pand als coffeeshop met geldige vergunning, meent [eiseres] dat dit alleen mag worden meegenomen voor zover dit valt in de categorie “locatie gebonden eigenschappen die de courantheid beïnvloeden”. Dit zou volgens [eiseres] moeten leiden tot een bijstelling van de door [naam 3] vastgestelde marktwaarde tot een bedrag van € 410.00, zo begrijpt de rechtbank. Omdat [naam 4] volgens [eiseres] een gemiddelde waarde heeft genomen, zou daarmee ook de door hem vastgestelde waarde lager moeten uitvallen. [eiseres] verzoekt de rechtbank daarom de waarde vast te stellen op een bedrag van € 417.500 en verder nog rekening te houden met de onderhoudsproblemen die volgens [eiseres] tot een kostenpost leiden tussen de € 31.500 en € 65.500. Tot slot refereert [eiseres] nog aan de opstalpremie die zij uit haar privévermogen betaalt, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zouden weigeren hieraan bij te dragen. Gelet op dit alles verzoekt [gedaagde 1] het pand aan haar toe te delen voor een bedrag van € 372.500 (€ 417.500 - € 45.000 aan kosten voor achterstallig onderhoud). Zij verzoekt daarbij de rechtbank te bepalen dat de overige erfgenamen haar dienen te compenseren voor de kosten die zij moet maken voor de herstel- en renovatiewerkzaamheden die voor rekening van de vier erfgenamen dienen te komen.
[gedaagde 3] heeft zich bij het betoog van [eiseres] aangesloten. [gedaagde 1] daarentegen verzoekt de rechtbank de marktwaarde van het pand vast te stellen op een bedrag van primair € 555.000, subsidiair € 476.667, meer subsidiair aan de taxatie van [naam 2] minder gewicht toe te kennen en de waarde te bepalen op basis van de overige twee taxaties. Zij legt hieraan ten grondslag dat het rapport van [naam 2] vanwege het ontbreken van gegevens en stukken niet controleerbaar is en [naam 2] zich grotendeels baseert op winkelverhuren, zonder er rekening mee te houden dat de exploitatie- en vergunningspositie fundamentele waardefactoren vormen. Daarnaast is volgens haar niet duidelijk waarom de eerdere biedingen op het pand niet zichtbaar in de taxatie zijn verwerkt. Verder meent zij dat gelet ook op de grote spreiding, niet uit kan worden gegaan van het gemiddelde van de drie getaxeerde waarden. Ten slotte wijst [eiseres] op het bod van de huurder van € 550.000 dat recent door huurder op het pand is uitgebracht.
De rechtbank constateert dat zowel [eiseres] en [gedaagde 3] enerzijds, als [gedaagde 1] anderzijds geen inhoudelijke bezwaren hebben aangevoerd tegen de taxatie van de onafhankelijk adviseur [naam 4] , anders dan dat het ‘gemiddelde’ dat hij neemt moet worden bijgesteld, omdat de taxaties van respectievelijk [naam 3] als [naam 2] niet zouden kloppen.
De rechtbank zal het taxatieverslag van [naam 4] aan haar beoordeling ten grondslag leggen en heeft hiervoor de volgende overweging. In het rapport van [naam 4] zijn de verschillen in uitgangspunten tussen de taxaties van [naam 2] en [naam 3] geduid en uitdrukkelijk aandacht besteed aan de moeilijkheden die de taxatie van dit pand met zich brengt, gelet op het feit dat in het pand op basis van een locatiegebonden vergunning een coffeeshop wordt geëxploiteerd. Ook besteedt [naam 4] aandacht aan het achterstallig onderhoud en de door de overige taxateurs gehanteerde huurprijs. Voor zover van belang luidt dit onderdeel van het verslag als volgt:
“ [adres 1] :
Rapport van [naam 2] RT
Model: Flux
[naam 2] gaat uit van het basis principe dat de waarde moet worden afgeleid uit transacties van vergelijkbare objecten. Daarnaast gebruikt hij referenties uit eigen archief van coffeeshops die hij getaxeerd heeft waarvan de details niet kunnen worden gedeeld, maar die ik betrouwbaar acht. Daaruit is een prijs per m2 berekend om tot een BAR te komen. Ook bij die referenties is [naam 2] uitgegaan van vergelijking zonder rekening te houden met de mogelijke meerwaarde van vergunde exploitatie van een coffeeshop. Met andere woorden in grote lijnen is zijn waardering gebaseerd op gebruik volgens de algemene bestemming en niet specifiek coffeeshop. De tuin is afzonderlijk gewaardeerd, wat leidt tot een gemiddelde markthuur van € 287,- per m2 VVO.
Bij de waardering is ervan uitgegaan dat eventuele gebreken aan het casco op de peildatum waren hersteld en dat de nog onderhanden verbouwing door en voor rekening van de huurder plaatsvindt.
Er is rekening gehouden met het feit dat de huidige exploitatie beëindigd kan worden (vrijwillig of gedwongen) en dat de betaalde huur voor een beperkte periode meerwaarde heeft, waarna de huur terugvalt naar die van vergelijkbare objecten.
Een en ander heeft geresulteerd in een waarde in verhuurde staat van € 390.000,- kosten koper.
Vervolgens heeft [naam 2] een benadering gekozen vanuit het oogpunt van exploitatie. De gedachte is dat het feit dat er op basis van de gedoogsituatie aanzienlijke inkomsten gegenereerd kunnen worden voor een exploitant meerwaarde heeft. In zijn visie dienen dan wel eigendom en exploitatie samen te vallen. De waarde die een eigenaar tevens gebruiker op basis van de verdiencapaciteit aan het object zou toekennen is naar zijn inschatting € 590.000,-. Bij verkoop aan de zittende huurder zou naar zijn mening een verdeling van risico's en meerwaarde leiden tot een verkoopopbrengst van € 490.000,- kosten koper.
Rapport van [naam 3] RT
Model: eigen model
[naam 3] heeft in zijn rapport ook een Marktwaarde met bijzonder uitgangspunt opgenomen. Naar zijn mening zouden er nog werkzaamheden aan het casco uitgevoerd moeten worden die leiden tot een hogere waarde na gereedkomen daarvan.
Het rapport bevat alleen een berekening op basis van een BAR/NAR berekening en geen scenario volgens DCF.
[naam 3] baseert zijn uitgangspunt, Markthuur, niet op referenties van vergelijkbare objecten, maar op eigen aanname dat deze op € 500,- per m2 VVO ligt. Dat is € 50,- per m2 VVO boven de actuele huur.
Voor het bepalen van het aanvangsrendement gaat [naam 3] uit van geaggregeerde (landelijke) gegevens van Stichting Vastgoeddata,
Het rapport gaat ervan uit dat de vergunde exploitatie dermate aantrekkelijk is dat deze doorlopend in de toekomst kan plaatsvinden. De exploitatiekosten zijn bescheiden ingeschat wat na kapitalisatie van de netto huur een hogere waarde oplevert.
De getaxeerde Marktwaarde is € 534.500,- kosten koper.
Uitgaande van voltooiing van de onderhanden werkzaamheden
is dat € 555.000,- kosten koper.
CONCLUSIE:
Taxateurs dienen een waardering te onderbouwen met bewijs uit de markt, gerealiseerde transacties. Een uitzonderlijk bod en zelfs een uitzonderlijke transactie leidt niet direct tot een andere waardering. Een dilemma doet zich voor als er voor een object meerdere biedingen van verschillende kandidaten zijn op een substantieel hoger niveau dan voorheen. Dit doet zich bij woningen in de huidige markt regelmatig voor bij inschrijvingen. Een taxateur kan dat niet negeren maar is het hoogste bod dan ook de waarde?
[naam 3] noemt een lange reeks onzekerheden en risico's. Dat zou zijn weerslag moeten hebben in de Markthuur en/ of het gehanteerde aanvangsrendement en/ of de aangenomen looptijd en/ of de kans op huurherziening. Dat is in het rekenmodel niet terug te zien. Enerzijds benoemt hij het bijzondere karakter van het huidig gebruik en de gebruikers, anderzijds hanteert hij een aanvangsrendement voor "gewone" verhuurde winkelpanden.
[naam 2] gaat ook uit van een relatief laag aanvangsrendement maar in combinatie met een huur van "gewone" verhuurde winkelpanden zonder meerwaarde voor een coffeeshop.
Niet te ontkennen is dat het feit dat in dit object vergunde exploitatie van een coffeeshop mogelijk is, een meerwaarde heeft. Dat komt naar mijn idee onvoldoende tot uitdrukking in de waardering van [naam 2] .
In geval van [adres 1] zijn er diverse biedingen geweest en [naam 2] en [naam 3] nemen dat mee in hun waardering. [naam 2] waardeert "traditioneel", gebaseerd op transacties, maar geeft in zijn toelichting aan wat in dit geval een realistische prijs zou zijn. [naam 3] ziet de koopovereenkomst uit januari 2023 als transactie en de andere biedingen als relevant en baseert daarop zijn waardering.
Naast het verschil in uitgangspunten zijn er een aantal verschillen (oppervlak, exploitatiekosten) die voor de uiteindelijke uitkomst minder van belang zijn.
Oordeel van de voorzitter:
Taxateurs dienen met enige regelmaat een waardering te geven in een situatie waar gebruikelijke methoden en technieken tekort schieten. Met name bij objecten waar activiteiten (kunnen) plaatsvinden op het randje van illegaliteit, zoals handel in cannabis en prostitutie, zijn goede, betrouwbare referenties schaars en zijn andere methoden, zoals gecorrigeerde vervangingswaarde of waardering op basis van exploitatieresultaat, niet geschikt.
In de basis is de benadering van [naam 2] het juiste uitgangspunt. De Europese (EVS) en internationale (IVS) standaarden schrijven dat ook voor. De feitelijke omstandigheden (biedingen, koopovereenkomst) dienen naar mijn mening echter de waarde meer te beïnvloeden dan hij aangeeft. Gegeven de omstandigheden kan de markthuur voor dit object hoger zijn dan die van de referenties en leiden tot een hogere waarde. Vanwege de sterke binding van de exploitatievergunning en gedoogverklaring aan de locatie heeft dit meerwaarde en gevolgen voor de huur.
In het andere uiterste, zoals [naam 3] dit interpreteert, uitgaan van de betaalde huur als bewijs voor de markthuur, kan ik mij ook niet geheel vinden. Duidelijk is wel dat de huurder kennelijk bereid is een hogere huur te betalen dan bij vergelijkbare objecten. Een alternatief is niet direct voorhanden vanwege de binding van de vergunningen aan de locatie. Dat neemt niet weg dat de huurder in theorie een beroep zou kunnen doen op huurprijsherziening volgens 7 .303 BW. Met [naam 3] ben ik van mening dat de kans daarop gegeven de omstandigheden erg klein is, maar het is niet uitgesloten.
Eén zwaluw maakt nog geen zomer. Het hoogste bod is niet per definitie de waarde. De details van de gedane biedingen of de transactie kennen we niet. Dat er meerdere kandidaten een hoger bod hebben gedaan dan de referenties aangeven is echter wel een sterke aanwijzing dat de specifieke omstandigheden in dit geval leiden tot een hogere waarde.
Elke waardering, ook van de meest ervaren taxateur, is subjectief. In dit geval leidt dat echter, door een gebrek aan concrete referenties, tot een aanzienlijk verschil in uitkomsten.
Waardering:
Op basis van al het voorgaande waardeer ik op basis van het Bruto Aanvangs Rendement als volgt:
Waar [naam 2] uitgaat van een huur van € 287,- en [naam 3] van € 500,- per m2 VVO ga ik uit van € 360,- per m2 VVO, een 25% opslag ten opzicht van de referenties. Daarin is verdisconteerd dat er een meerwaarde is vanwege de gevolgen van het vergunningstelsel maar ook de risico's dat omstandigheden kunnen wijzigen die gevolgen hebben voor het (toekomstig) rendement.
In een NAR van 5% of 5,5%, zoals door beide taxateurs aangenomen, kan ik mij vinden. Dit percentage past bij dit type object met de gegeven bestemmingsmogelijkheden. Het netto rendement is voor de hypothetische koper het meest van belang (wat blijft er over van de bruto opbrengsten).
Als er geen concrete gegevens van feitelijke eigenaarslasten (onderhoud, OZB en dergelijke) voorhanden zijn doen taxateurs aannames om te komen tot een bruto rendement. In dit geval kan naar mijn idee uitgegaan worden van exploitatiekosten tussen 10% en 15% van de bruto huur.
Ik ga uit van een BAR van 5,8% ( [naam 2] 5,24%, [naam 3] 6%) ofwel een kapitalisatie van de Markthuur met factor 17,24.
Naar mijn mening is de toe te kennen huur € 360,- per m2 VVO. Bij een VVO van 78 m2 geeft dat een Markthuur van € 28.080,-.
Marktwaarde op basis van BAR is dan€ 28.080,- x 17,24 = € 484.099,20, afgerond € 485.000,-.
Alles overwegend, rekening houdend met alle bijzondere omstandigheden, waardeer ik [adres 1] per 30 september 2025 op een Marktwaarde van
€ 485.000,- (zegge: vierhonderdvijfentachtigduizend euro) kosten koper.
Niet uitgesloten is dat een specifieke kandidaat, bekend met en actief in de branche, bereid is een hogere prijs te betalen (…).”
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam 4] hiermee in relatie tot de taxaties van [naam 2] en [naam 3] op inzichtelijke wijze gezocht naar een verzoening van de methodes die de andere deskundigen hebben gehanteerd, resulterend in een marktwaarde van € 485.000. Dit sluit aan bij de gedachte zoals door de rechtbank verwoord in het tussenvonnis dat de waarde wordt bepaald op het gemiddelde als de taxateurs geen overeenstemming kunnen bereiken. [naam 4] heeft aan deze gedachte uitvoering gegeven door verschillende onderdelen van de taxaties van de andere deskundigen over te nemen en/of te middelen. De afwegingen van [naam 4] zien bovendien specifiek op de belangrijkste bezwaren van partijen tegen de taxatie van [naam 3] (zoals de gehanteerde huurprijs) respectievelijk van [naam 2] (zoals de exploitatiewaarde). Geen partijen heeft zich tegen deze afwegingen van [naam 4] verzet. Voor zover zij zich niet kunnen vinden in onderdelen hiervan, geldt bovendien dat de rechtbank het oordeel van een deskundige in het kader van een gerechtelijke waardebepaling in zijn algemeenheid niet snel naast zich neer zal leggen. Dat er met betrekking tot de taxatie van [naam 4] andere niet door partijen aangevoerde zwaarwegende bezwaren bestaan over de wijze van totstandkoming of de inhoud van de taxatie, is de rechtbank ook niet gebleken.
De rechtbank zal voor het bepalen van de waarde van het pand daarom uitgaan van het bedrag van € 485.000. [gedaagde 1] heeft nog gewezen op het recente bod van de huurder van € 550.000, opgenomen in het e-mailbericht namens de huurder van 17 februari 2026. De rechtbank ziet in dit bod geen aanleiding om tot een andere waarde te komen. Zoals [eiseres] terecht heeft aangevoerd, lijkt dit bod – dat is ontvangen vlak voordat [gedaagde 1] haar akte heeft ingediend en gelijk is aan de door [naam 3] getaxeerde waarde – te zijn gearrangeerd om de prijs op te drijven of het pand weg te houden van [eiseres] en daarmee dus de uitkomst van deze procedure te beïnvloeden. [gedaagde 1] heeft dit ook niet ontkend, maar een en ander in het midden gelaten en zich op het standpunt gesteld dat het niet relevant is of het bod voortkomt uit een onderonsje tussen de [gedaagde 1] en de huurder, omdat het een concreet bod is en de huurder bereid is dit bedrag te betalen. Voor zover het inderdaad een reëel bod betreft, geldt echter dat een hoog bod niet per definitie de waarde van het object vertegenwoordigt, zoals ook [naam 4] in zijn taxatieverslag vooropstelt. Ook hierom ziet de rechtbank onvoldoende grond om op basis van dit bod tot een hogere waarde te komen.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het pand aan de [adres 1] zal toedelen aan [eiseres] en in dit kader de waarde van het pand zal vaststellen op een bedrag van € 485.000. [eiseres] heeft nog verzocht op deze waarde in mindering te brengen de kosten van het achterstallig onderhoud en de kosten die de huurder (voor rekening van de eigenaar) heeft gemaakt, te begroten op een bedrag van € 45.000, althans te bepalen dat de overige erfgenamen haar voor deze kosten dienen te compenseren. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij, nu uit de toelichting van [naam 4] volgt dat bij de waardebepaling rekening is gehouden met de staat van het onderhoud. Voor zover [eiseres] of de huurder nog aanspraken menen te hebben op de nalatenschap, zijn deze geen onderdeel van deze procedure. [eiseres] heeft in dit kader geen vordering ingesteld en bovendien dit punt pas in dit laatste stadium van deze procedure ingebracht, zodat van een voldoende uitgekristalliseerd debat geen sprake is. Het voert daarom te ver hier in het kader van de verdeling rekening mee te houden. Hetzelfde geldt voor de opstalpremie waar [eiseres] aan refereert, zoals door haar voldaan uit privégelden.
Het voorgaande brengt tot slot mee dat de primaire en subsidiaire vorderingen van [gedaagde 1] niet toewijsbaar zijn. De rechtbank begrijpt dat zij met deze vorderingen wenst te voorkomen dat het pand tegen een onevenredig lage waarde uit de nalatenschap verdwijnt, namelijk in de situatie – zo begrijpt de rechtbank – dat de vast te stellen waarde niet aansluit bij de “waarderingsgegevens” uit het dossier. De rechtbank komt echter tot een vaststelling van de waarde op basis van het dossier, zodat hiervan geen sprake kan zijn. Voor zover [gedaagde 1] doelt op het nieuwe bod van de huurder van € 550.000, geldt ook hier dat de omstandigheden waaronder dit bod tot stand is gekomen meebrengen dat de rechtbank in het kader van de waardering aan dit bod geen betekenis toekent (zie hiervoor onder randnummer 3.13).
Waarde van het pand aan de [adres 2]
Wat betreft het pand aan de [adres 2] zijn de taxateurs wel gezamenlijk tot een waarde gekomen, namelijk een bedrag van € 360.000. [eiseres] en [gedaagde 3] sluiten zich bij deze waarde aan. [gedaagde 1] daarentegen verzoekt de waarde van dit pand vast te stellen op een bedrag van primair € 400.000, subsidiair € 390k, meer subsidiair € 381.667.
[gedaagde 1] stelt zich op het standpunt dat de vastgestelde waarde in het rapport onvoldoende is onderbouwd. Zij wijst hierbij op eerdere biedingen uit 2022 op het pand en de in het rapport gebruikte referenties, alsmede de toegepaste onderhoudscorrecties en het effect van de onvoldoende VvE-reserves. De rechtbank gaat hier niet in mee. Voor zover het in het rapport op deze punten al aan onderbouwing ontbreekt, heeft [gedaagde 1] niet gesteld dan wel onvoldoende toegelicht wat het effect hiervan is op de door de taxateurs vastgestelde waarde. Daarnaast staat vast dat de taxateurs zoals gebruikelijk hebben gekeken naar vergelijkbare transacties op de woningmarkt, terwijl niet duidelijk is welke waarde gehecht kan worden aan de biedingen van jaren terug die [gedaagde 1] aanhaalt. Naar de rechtbank begrijpt meent [gedaagde 1] verder dat de verkoopprijzen van de referentieobjecten niet aansluiten bij de vastgestelde waarde. De rechtbank kan de redenering van [gedaagde 1] op dit punt niet volgen. Uit het rapport leidt de rechtbank namelijk af dat het bedrag dat wordt aangeduid als “Gecorrigeerde verkoopprijs” enkel een geïndexeerde verkoopprijs betreft, zonder dat hierin ook de verschillen tussen de referentieobjecten en het pand aan de [adres 2] zijn meegenomen. Dat de gemiddelde verkoopprijs van de referentieobjecten afwijkt van de vastgestelde waarde van € 360.000, is de rechtbank dan ook niet gebleken.
De rechtbank zal bij de toedeling van het pand aan de [adres 2] aan [eiseres] dan ook een waarde hanteren van € 360.000.
Overige vorderingen met betrekking tot toedeling panden
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de panden zal toedelen aan [eiseres] en, voor het geval zij (een van) deze kort gezegd niet kan of wil overnemen, bepalen dat de panden of het desbetreffende pand openbaar moeten worden verkocht. De gewijzigde vordering III (zie hiervoor onder 2.1) van [gedaagde 1] zou zo kunnen worden begrepen dat als [eiseres] het pand aan de [adres 1] niet toebedeeld krijgt, de overige erfgenamen het pand aan de [adres 1] toegedeeld willen krijgen. [gedaagde 1] heeft haar vorderingen echter niet op deze wijze toegelicht en bovendien ook niet gemotiveerd dat de overige erfgenamen interesse hebben in dit pand, mocht [eiseres] het pand niet kunnen of willen overnemen. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
In lijn met de vorderingen van partijen zal de rechtbank alle erfgenamen verplichten tot medewerking aan de toedeling aan [eiseres] dan wel openbare verkoop. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] daarnaast vordert dat als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun medewerking niet verlenen aan de levering van hun aandeel in de panden aan [eiseres] , dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW hiervoor in de plaats treedt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben op dit punt geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank dit zal toewijzen op de hierna in de beslissing te vermelden wijze. De rechtbank zal daarnaast hetzelfde bepalen in relatie tot [gedaagde 3] , in plaats van te bepalen dat [gedaagde 3] haar akkoord al heeft toegezegd, zoals [eiseres] heeft gevorderd. [gedaagde 1] vordert op haar beurt dat de rechtbank alle voorzieningen treft die zij in het kader van de afwikkeling noodzakelijk acht. Gelet hierop zal de rechtbank hetzelfde bepalen voor wat betreft de vereiste medewerking van de erfgenamen aan de levering van hun aandeel in de panden indien deze openbaar worden verkocht.
[eiseres] vordert daarnaast dat de rechtbank bepaalt dat notaris mr. A.M.C. van Steenderen bevoegd is om de toedeling aan [eiseres] te formaliseren en ervoor te zorgen dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] de vastgestelde “compensatie” van [eiseres] ontvangen. De rechtbank zal in plaats daarvan als gebruikelijk bepalen dat de overige erfgenamen hun aandeel moeten leveren bij een door [eiseres] in te schakelen notaris en dat [eiseres] de bedragen uit hoofde van de ontstane vorderingen tot overbedeling ten tijde van de levering bij de notaris aan de afzonderlijke erfgenamen moet betalen. Aldus kan de door [eiseres] aan te wijzen notaris hieraan zijn of haar bevoegdheid ontlenen.
De vorderingen van [eiseres] houden verder in dat de rechtbank bepaalt dat de kosten voor de toedeling door alle partijen gezamenlijk worden gedragen. Voor zover toedeling aan [eiseres] plaatsvindt, zal zij, zoals gebruikelijk, deze kosten volledig voor haar rekening moeten nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Mochten de panden openbaar worden verkocht, dan geldt dat alle erfgenamen deze kosten moeten delen.
Tot slot vordert [eiseres] een bedrag van € 58.507,18 aan “misgelopen huuropbrengsten”, te betalen via verrekening bij de levering van het pand aan de [adres 1] . Een voldoende motivering van deze vordering ontbreekt. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.
Het banksaldo op de nalatenschapsrekening
Wat betreft de hoogte van de (nog te verwachten) nalatenschapsschulden heeft [gedaagde 1] de rechtbank verzocht te bepalen dat een bedrag van € 315.000 gereserveerd blijft op de nalatenschapsrekening. In dit bedrag zit een reservering van € 265.000 in het kader van een lopende procedure omtrent de afgifte van een legaat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank begrepen dat in deze procedure inmiddels vonnis is gewezen, met als gevolg dat de boedel een bedrag van circa € 100.000 minder schulden heeft dan door [gedaagde 1] begroot, aldus neerkomende op een bedrag van € 215.000. [eiseres] is op haar beurt tijdens de mondelinge behandeling ingegaan op de door [gedaagde 1] genoemde posten, waarbij het veelal gaat om slechts marginale bedragen, en komt tot een te reserveren bedrag van € 230.000. Zoals door [gedaagde 1] terecht benoemd tijdens de mondelinge behandeling liggen de door partijen genoemde bedragen dus dicht bij elkaar. Voor zover een aantal van de door [gedaagde 1] genoemde posten geen of een lagere schuld inhouden, staan daar mogelijk weer andere (toekomstige of hogere) schulden tegenover. Verder heeft de rechtbank begrepen dat hoger beroep zal worden ingesteld tegen voornoemd vonnis, zodat niet uit valt te sluiten dat deze kostenpost toch hoger uitvalt. Gelet op dit alles zal de rechtbank tot verdeling van de nalatenschapsrekening overgaan, waarbij vooralsnog een bedrag van € 250.000 als reservering achter moet blijven. Het staat [eiseres] uiteraard vrij om haar aandeel van het reeds nu uit te keren deel van het saldo van de bankrekening te gebruiken om de vorderingen uit overbedeling in verband met de toedeling van de panden te voldoen. De rechtbank zal hier geen aparte veroordeling wijden.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4 De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat het op 2 juli 2025 tussen partijen gewezen vonnis als volgt wordt gewijzigd:
“ 3.6 [eiseres] heeft op enig moment zelf haar interesse in het pand kenbaar gemaakt. Op 16 januari 2022 heeft [gedaagde 1] aan de overige zussen voorgesteld eerst het pand voor het bedrag van € 375.000 aan te bieden aan de huurder. Wanneer deze het pand niet willen, dan kon [gedaagde 1] het pand krijgen voor een bedrag van € 325.000. [eiseres] is hiermee niet akkoord gegaan. Vervolgens is de verkoop via de openbare markt gestart.”
wordt gewijzigd in:
“ 3.6 [eiseres] heeft op enig moment zelf haar interesse in het pand kenbaar gemaakt. Op 16 januari 2022 heeft [gedaagde 1] aan de overige zussen voorgesteld eerst het pand voor het bedrag van € 375.000 aan te bieden aan de huurder. Wanneer deze het pand niet wil hebben, dan kan [eiseres] het pand krijgen voor een bedrag van € 325.000. [eiseres] is hiermee niet akkoord gegaan. Vervolgens is de verkoop via de openbare markt gestart.”
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 27 mei 2026 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 2 juli 2025.
stelt de partiële verdeling van de nalatenschap, voor zover het betreft het pand aan de [adres 1] en het pand aan de [adres 2] , als volgt vast:
primair: toedeling van de panden aan [eiseres]
het pand aan de [adres 1] wordt toegedeeld aan [eiseres] tegen een waarde van respectievelijk € 485.000 onder de opschortende voorwaarde dat zij binnen drie maanden na de datum van dit vonnis aan de overige erfgenamen aantoont dat zij in staat is de volledige eigendom van dit pand te verkrijgen;
het pand aan de [adres 2] wordt toegedeeld aan [eiseres] tegen een waarde van respectievelijk € 360.000 onder de opschortende voorwaarde dat zij binnen drie maanden na de datum van dit vonnis aan de overige erfgenamen aantoont dat zij in staat is de volledige eigendom van dit pand te verkrijgen;
indien aan de hiervoor genoemde voorwaarde wel wordt voldaan, zullen de overige erfgenamen hun aandeel in het desbetreffende respectievelijke beiden panden zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen een maand na het moment waarop [eiseres] aantoont dat zij de benodigde financiering kan verkrijgen, bij een door [eiseres] in te schakelen notaris leveren aan [eiseres] . De overige erfgenamen verkrijgen hierdoor een vordering uit hoofde van overbedeling op [eiseres] . Voor het pand aan de [adres 1] is deze vordering gelijk aan € 121.250 per erfgenaam en voor het pand aan de [adres 2] is deze vordering
€ 90.000 per erfgenaam. Dit bedrag moet [eiseres] ten tijde van de levering bij de notaris aan de afzonderlijke erfgenamen betalen. [eiseres] moet in dit geval de kosten betalen van de levering bij de notaris van (het aandeel van de overige erfgenamen in) het desbetreffende pand aan haar;
bepaalt dat, indien de overige erfgenamen niet tijdig voldoen aan dat wat is bepaald in randnummer 4.6 althans hun medewerking niet verlenen aan de levering van hun aandeel in het desbetreffende respectievelijk beide panden aan [eiseres] , dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de overige erfgenamen dat zij hun aandeel in het desbetreffende pand leveren aan [eiseres] ;
Subsidiair: verkoop van de panden aan een derde
indien en voor zover aan (een van) de hiervoor onder 4.4 en 4.5 bedoelde opschortende voorwaarden niet wordt voldaan of [eiseres] (een van) de panden niet wil overnemen, zullen de panden, althans zal het desbetreffende pand, worden verkocht en geleverd aan een derde. Om dat te realiseren zullen partijen voor de afzonderlijke panden gezamenlijk binnen twee weken nadat dit blijkt, een verkoopopdracht verstrekken aan een in onderling overleg in te schakelen makelaar. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen het in de branche gebruikelijke tarief, de vraag- en laatprijs van het desbetreffende pand bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van de woning zal verrichten. Voor zover partijen niet in onderling overleg een makelaar kunnen inschakelen, zullen [eiseres] en [gedaagde 3] enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] anderzijds ieder een makelaar aandragen en deze gezamenlijk een derde makelaar laten kiezen, die de verkoopopdracht zal krijgen;
partijen moeten de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van de panden en alle instructies van de makelaar opvolgen, waaronder (maar niet beperkt tot) het opruimen van het desbetreffende pand voor het maken van foto’s en het laten bezichtigen van het pand door potentiële kopers. Partijen stemmen zo snel als mogelijk in met een op het pand uitgebracht bod als dit gelijk aan of hoger is dan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs. Zij ondertekenen binnen vijf dagen na het verzoek hiertoe van de makelaar de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd. En zij tekenen op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij de notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering. De levering zal minimaal drie maanden na het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen;
in het geval van een verkoop aan een derde betalen partijen ieder een vierde van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering van het desbetreffende pand;
partijen krijgen ieder een vierde van de verkoopopbrengst van het desbetreffende pand;
wanneer een van partijen niet binnen de hiervoor genoemde termijnen zijn of haar medewerking verleent aan de verkoop en levering van het desbetreffende pand aan een derde, treedt dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats van het deel van de opdracht aan de makelaar, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit blijkt dat partijen opdracht geven tot bemiddeling, het pand (mede) verkopen dan wel (mede) leveren aan de koper;
Verdeling van het banksaldo
stelt de partiële verdeling van de nalatenschap, voor zover het betreft het banksaldo van de nalatenschapsrekening, als volgt vast:
-
een bedrag van € 250.000 blijft op de nalatenschapsrekening staan ten behoeve van schuldeisers van de nalatenschap;
-
ieder van de erfgenamen komt een vierde toe van het resterende saldo van de nalatenschapsrekening;
-
indien na voldoening van alle schulden van de nalatenschap van het bedrag van € 250.000 nog iets resteert, dient dit bedrag bij een vierde tussen partijen te worden verdeeld.
Overig
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
2984