ECLI:NL:RBDHA:2026:29520

Datum uitspraak
23-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/09/699609
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vordering van zorgverzekeraar tot terugbetaling van declaraties voor aan verzekerden van de zorgverzekeraar verleende zorg wordt afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/699609 / HA ZA 26-168

Vonnis in verzet van 23 september 2026

in de zaak van

ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Leiden,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

gedaagde in het verzet,

advocaat: mr. E. Kallenberg,

tegen

[gedaagde] te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

eiseres in het verzet,

advocaat: mr. A.D. van Koningsveld.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Zilveren Kruis’ en ‘ [gedaagde] ’.

1 De zaak in het kort

1.1.

Zilveren Kruis stelt zich in deze procedure op het standpunt dat zij over de jaren 2017 en 2018 betaalovereenkomsten heeft gesloten met de eenmanszaak van [gedaagde] , op grond waarvan [gedaagde] (als zorgaanbieder) declaraties met betrekking tot aan verzekerden van Zilveren Kruis verleende zorg rechtstreeks bij Zilveren Kruis kon indienen. Volgens Zilveren Kruis heeft [gedaagde] onterecht zorg gedeclareerd en vergoed verkregen. Zilveren Kruis vordert daarom terugbetaling van het volledige door haar uitgekeerde bedrag van in totaal € 589.601,74 op grond van de betaalovereenkomsten en op grond van onverschuldigde betaling. [gedaagde] betwist dat zij betaalovereenkomsten heeft gesloten met Zilveren Kruis en dat er onverschuldigd betalingen aan haar zijn verricht.

1.2.

De rechtbank oordeelt dat Zilveren Kruis – in het licht van de betwisting van [gedaagde] – onvoldoende heeft onderbouwd dat er betaalovereenkomsten zijn gesloten tussen [gedaagde] en Zilveren Kruis, zodat Zilveren Kruis niet op grond van de door haar overgelegde overeenkomsten (terug)betaling kan vorderen van de door haar betaalde declaraties. Ook het beroep op onverschuldigde betaling slaagt niet. De vordering van Zilveren Kruis wordt daarom afgewezen.

2 De procedure

2.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 13 juni 2025, zonder producties;

- de akte overlegging producties van Zilveren Kruis met producties 1 tot en met 25;

- het verstekvonnis van 26 november 2025 met zaaknummer C/09/69 1498 / HA ZA 25-796;

- de verzetdagvaarding van 16 januari 2026, tevens inhoudende een eis in reconventie, met producties 1 tot en met 6;

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte aanvulling grondslag vordering, met producties 26 tot en met 33;

- de akte aanvullende producties van de zijde van [gedaagde] , met producties 7 tot en met 18;

- de akte aanvullende producties van de zijde van Zilveren Kruis, met producties 34 en 35.

2.2.

Op 18 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

2.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

3 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

3.1.

Zilveren Kruis is een zorgverzekeraar in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Zij vergoedt zorg die zorgaanbieders leveren aan verzekerden van Zilveren Kruis.

3.2.

[gedaagde] is (via AZR Holding B.V.) de bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf] B.V (hierna ook: de vennootschap). De vennootschap is een zorgaanbieder die zich richt op het verlenen van (onder meer) wijkverpleegkundige thuiszorg. In het verleden heeft [gedaagde] eveneens, (mede) handelend onder de naam [bedrijf] , als eenmanszaak thuiszorg verleend.

3.3.

In de administratie van Zilveren Kruis bevinden zich twee betaalovereenkomsten (voor 2017 en 2018) waarin [bedrijf] als zorgaanbieder staat vermeld. In deze overeenkomsten staat onder meer dat de zorgaanbieder wijkverpleging aan verzekerden van Zilveren Kruis rechtstreeks bij Zilveren Kruis kan indienen.

3.4.

De betaalovereenkomst voor het jaar 2017 is namens Zilveren Kruis ondertekend. Ten aanzien van de zorgaanbieder staat in de overeenkomst, onder het handtekeningenveld:

“Naam [gedaagde]

Functie Contactpersoon

Naam Instelling [bedrijf] ”

In het handtekeningenveld is geen handtekening geplaatst.

3.5.

De betaalovereenkomst voor het jaar 2018 is eveneens door Zilveren Kruis ondertekend. Ten aanzien van de zorgaanbieder staat in de overeenkomst, onder het handtekeningenveld:

“Naam [naam]

Functie Contactpersoon

Naam instelling [bedrijf] ”

In het handtekeningenveld is geen handtekening geplaatst.

3.6.

Op 17 maart 2017 heeft [gedaagde] een email gestuurd aan Zilveren Kruis met als onderwerp “aanvraag betaalovereenkomst 2017”. In deze email staat het volgende:

“Geachte heer/mevrouw,

Hierbij vragen wij een betaalovereenkomst aan voor 2017. Hieronder de gegevens voor de

aanvraag.

* Bijlage KvK-uittreksel

AGB-code: [nummer]

[bedrijf] B.V

[gedaagde]

Directrice

[e-mailadres]

De AGB-code staat nu nog op een eenmanszaak. Wij zijn nu bezig voor een nieuwe AGB-code voor de B.V. Zodra wij de nieuws AGB-code binnen heb sturen wij hem direct naar u toe.

Met vriendelijke groet,

[bedrijf] ”

3.7.

In een reactie op de email van 17 maart 2017 schrijft Zilveren kruis, voor zover van belang:

“U heeft in de afgelopen periode een betaalovereenkomst wijkverpleging 2017 aangevraagd.

We hebben uw aanvraag voor een betaalovereenkomst wijkverpleging 2017 goedgekeurd.”

3.8.

Zilveren Kruis heeft op het bankrekeningnummer van de vennootschap betalingen verricht ter zake van declaraties voor aan verzekerden van Zilveren Kruis verleende zorg over de jaren 2017 en 2018. In totaal heeft Zilveren Kruis € 589.601,74 betaald.

3.9.

In 2019 is “ [bedrijf] ” door Zilveren Kruis tweemaal geselecteerd voor een materiële controle over het jaar 2017. De tweede materiële controle is (vanwege de bevindingen uit deze controle) overgegaan in een fraudeonderzoek naar de declaraties wijkverpleging over de periode 1 januari 2017 tot en met 31 augustus 2018.

3.10.

In antwoord op een op 25 juni 2020 gedateerd vragenformulier met als onderwerp “fraudeonderzoek [bedrijf] ” antwoordt [gedaagde] op de vraag hoe de bedrijfsstructuur van “ [bedrijf] ” eruit ziet als volgt:

“Een holding met daaronder twee werkmaatschappijen. Eén voor de zorg en de ander voor de dagbesteding.”

3.11.

Zilveren Kruis heeft de eindbevindingen uit het fraudeonderzoek bij brief van 16 januari 2024 aan [gedaagde] kenbaar gemaakt. Het onderzoek is afgesloten met een fraudevermoeden en Zilveren Kruis vordert terugbetaling van de door haar ten onrechte vergoede zorgkosten ten bedrage van € 589.601,74. Voorts kondigt Zilveren Kruis aan de gegevens van [bedrijf] in te schrijven in diverse registers. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

3.12.

Nadat daarvoor op 2 juni 2025 verlof is verleend, heeft Zilveren Kruis op 4 juni 2025 (onder meer) conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van [gedaagde] onder ING Bank N.V. en De Volksbank N.V.

3.13.

Bij verstekvonnis van 26 november 2025 is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van

€ 589.601,74, te vermeerderen met wettelijke rente. Daarnaast is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten (inclusief beslagkosten) van Zilveren Kruis van € 14.583,26.

3.14.

Op 16 januari 2026 is [gedaagde] bij verzetdagvaarding in verzet gekomen van het verstekvonnis van 26 november 2025.

4 Het geschil

In conventie

4.1.

Zilveren Kruis heeft bij de inleidende dagvaarding, na wijziging van de grondslag van eis, gevorderd dat de rechtbank, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 589.601,74 althans zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2019, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;

II. met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het vonnis, en in de nakosten.

4.2.

Zilveren Kruis legt aan haar vorderingen het volgende, samengevat weergegeven, ten grondslag. Voor de jaren 2017 en 2018 heeft Zilveren Kruis met (de eenmanszaak van)

[gedaagde] betaalovereenkomsten gesloten, op basis waarvan [gedaagde] zorgkosten voor wijkverpleging van haar bij Zilveren Kruis verzekerde cliënten rechtstreeks bij Zilveren Kruis kon declareren. Over de jaren 2017 en 2018 heeft [gedaagde] zorg gedeclareerd ten bedrage van in totaal € 589.601,74. Deze zorg is door Zilveren Kruis vergoed. Uit het achteraf door Zilveren Kruis verrichte fraudeonderzoek is gebleken dat [gedaagde] zorg heeft gedeclareerd die in werkelijkheid niet werd verleend dan wel dat zij betalingen heeft ontvangen waarop geen aanspraak bestond. [gedaagde] is daarom gehouden tot volledige terugbetaling van de vergoede zorg op grond van de betaalovereenkomsten en op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 van bet Burgerlijk Wetboek (BW)).

4.3.

In haar conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte aanvulling (subsidiaire) grondslag heeft Zilveren Kruis subsidiair een beroep gedaan op bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde] als bestuurder van de vennootschap. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Zilveren Kruis die grondslag weer ingetrokken, zodat de aansprakelijkheid van [gedaagde] als bestuurder van de vennootschap geen deel uitmaakt van deze procedure.

4.4.

[gedaagde] vordert in de verzetdagvaarding dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verstekvonnis van 26 november 2025 vernietigt en Zilveren Kruis niet-ontvankelijk verklaart in haar vordering dan wel de vordering van Zilveren Kruis alsnog afwijst, met veroordeling van Zilveren Kruis in de proceskosten van deze procedure.

4.5.

[gedaagde] betwist dat er betaalovereenkomsten tot stand zijn gekomen tussen haar en Zilveren Kruis en zij stelt niet bekend te zijn met de door Zilveren Kruis overgelegde overeenkomsten. Volgens [gedaagde] zijn er wel (andere) betaalovereenkomsten gesloten tussen Zilveren Kruis en [bedrijf] B.V. De vennootschap is echter geen partij in deze procedure. Nu Zilveren Kruis ten onrechte [gedaagde] heeft gedagvaard in plaats van de vennootschap, moet Zilveren Kruis niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, aldus [gedaagde] . Voor zover de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering, betwist [gedaagde] dat er onverschuldigd bedragen aan haar zijn uitgekeerd.

In reconventie

4.6.

Verder vordert [gedaagde] in reconventie dat de rechtbank bij zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. het door Zilveren Kruis gelegde conservatoir derdenbeslag opheft;

II. Zilveren Kruis gebiedt binnen twee weken na het te wijzen vonnis de aantekening in de registers zoals opgenomen in de brief van 16 januari 2024 ongedaan te maken;

III. Zilveren Kruis gebiedt binnen twee weken na het te wijzen vonnis [gedaagde] en haar rechtspersonen in staat te stellen machtigingsaanvragen niet gecontracteerde wijkverpleging en aanvragen Zvw-pgb in te dienen en in behandeling te nemen voor het verlenen van wijkverpleging aan verzekerden van Zilveren Kruis;

IV. Zilveren Kruis te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.7.

Zilveren Kruis voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten van deze procedure, waaronder de nakosten.

In conventie en in reconventie

4.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

In conventie

Tijdig verzet ingesteld

5.1.

Uit de wet volgt dat verzet binnen een termijn van vier weken ingesteld moet worden nadat, voor zover in dit geval van belang, [gedaagde] bekend is geworden met het verstekvonnis. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat zij op 22 december 2025 bekend is geworden met het vonnis. De dagvaarding van [gedaagde] is op 16 januari 2026 uitgebracht, zodat zij tijdig en op de juiste wijze verzet heeft ingesteld. De rechtbank zal de vordering van Zilveren Kruis op [gedaagde] opnieuw beoordelen, rekening houdend met het verweer van [gedaagde] .

Inleiding

5.2.

Zilveren Kruis legt aan haar vordering tot terugbetaling van de (volgens haar onterecht) uitgekeerde declaraties ten grondslag dat zij op grond van met [gedaagde] gesloten betaalovereenkomsten gelden heeft overgemaakt naar [gedaagde] voor door haar aan verzekerden van Zilveren Kruis verleende zorg over de jaren 2017 en 2018. Achteraf is volgens Zilveren Kruis gebleken dat de ingediende declaraties niet voor vergoeding in aanmerking komen. [gedaagde] is daarom uit hoofde van de betaalovereenkomsten, dan wel op grond van onverschuldigde betaling gehouden de declaraties terug te betalen, aldus Zilveren Kruis.

5.3.

[gedaagde] betwist dat zij betaalovereenkomsten heeft gesloten met Zilveren Kruis. [gedaagde] voert hiertoe aan dat zij niet bekend is met de door Zilveren Kruis overgelegde overeenkomsten en dat deze ook niet door haar zijn ondertekend. Volgens [gedaagde] was het haar intentie om betaalovereenkomsten te sluiten namens de vennootschap, hetgeen onder meer volgt uit de door haar aan Zilveren Kruis gestuurde email op 17 maart 2017. Daarbij komt dat de declaraties zijn betaald op het bankrekeningnummer van de vennootschap. Voor Zilveren Kruis moet het dan ook duidelijk zijn geweest dat er overeenkomsten zijn gesloten met de vennootschap en niet met de eenmanszaak, aldus [gedaagde] . Voorts betwist [gedaagde] dat de betalingen überhaupt onverschuldigd zijn verricht omdat er wel degelijk zorg is verleend, aldus [gedaagde] .

Betaalovereenkomsten tot stand gekomen tussen partijen?

5.4.

In deze procedure is van belang of er betaalovereenkomsten zijn gesloten tussen Zilveren Kruis en (de eenmanszaak van) [gedaagde] . Ingevolge artikel 150 Rv ligt het op de weg van Zilveren Kruis om – in het licht van de betwisting van [gedaagde] – voldoende onderbouwd te stellen dat de betaalovereenkomsten waarop zij zich beroept tussen partijen zijn tot stand gekomen.

5.5.

De rechtbank stelt vast dat de door Zilveren Kruis overgelegde betaalovereenkomsten niet door [gedaagde] zijn ondertekend. Op de overeenkomst voor het jaar 2017 staat weliswaar de naam van [gedaagde] onder het handtekeningenveld van de zorgaanbieder, maar een handtekening ontbreekt. Op de (niet ondertekende) overeenkomst voor het jaar 2018 staat onder het handtekeningenveld van de zorgaanbieder de naam “ [naam] ”. Uit de schriftelijke overeenkomsten valt dus geen aanvaarding door [gedaagde] af te leiden. Zilveren Kruis heeft aangevoerd dat [gedaagde] de door Zilveren Kruis overgelegde betaalovereenkomsten heeft aanvaard in een door Zilveren Kruis gehouden online zorgaanbiedersportaal en dat er daarom geen fysieke handtekening van [gedaagde] op de overeenkomsten staat. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat zij in het portaal de overeenkomsten heeft aanvaard en heeft aangegeven niet bekend te zijn met de betreffende overeenkomsten. Zilveren Kruis heeft niets overgelegd waaruit überhaupt het bestaan van het zorgaanbiedersportaal kan worden afgeleid, laat staan dat zij inzichtelijk heeft gemaakt dat en hoe [gedaagde] daarin de overeenkomsten zou hebben aanvaard en of zij dit in privé of als bestuurder van de vennootschap heeft gedaan. Daarmee heeft Zilveren Kruis onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] de overeenkomsten in het portaal heeft aanvaard.

5.6.

Verder blijkt uit de email van 17 maart 2017 van [gedaagde] aan Zilveren Kruis (zie hiervoor onder 3.6) dat het haar intentie was om een betaalovereenkomst te sluiten namens de vennootschap en niet in privé. Uit de reactie op deze email van Zilveren Kruis volgt niet dat Zilveren Kruis destijds heeft aangegeven dat zij uitsluitend met de eenmanszaak een overeenkomst wenste aan te gaan (laat staan dat [gedaagde] daar alsnog mee heeft ingestemd). Zilveren Kruis heeft in haar email aan [gedaagde] immers enkel aangegeven dat de aanvraag voor een betaalovereenkomst is goedgekeurd (zie hierover onder 3.7).

5.7.

Een en ander wordt niet anders doordat de vennootschap niet over een AGB-code beschikte. [gedaagde] heeft immers in haar email van 17 maart 2017 aangegeven dat zij namens de vennootschap wilde contracteren, maar dat zij op dat moment enkel nog beschikte over een AGB-nummer van de eenmanszaak. Verder heeft zij aangeven dat – zodra zij over een AGB-code voor de vennootschap beschikte – zij deze aan Zilveren Kruis zou toesturen. Zilveren Kruis heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Ook hier blijkt dus niet uit dat [gedaagde] had moeten begrijpen dat Zilveren Kruis met de eenmanszaak wilde contracteren (en dit heeft aanvaard). Ook als Zilveren Kruis – zoals zij stelt – niet met de vennootschap mocht contracteren omdat deze geen eigen AGB-nummer had, maakt dat nog niet dat [gedaagde] daarom moet worden geacht de overeenkomsten in privé te hebben aanvaard, zeker nu uit de door [gedaagde] gestuurde email blijkt dat haar wil hierop niet was gericht. Het feit dat Zilveren Kruis in haar eigen systemen de eenmanszaak van [gedaagde] als contractant heeft vermeld maakt dit niet anders. Het is immers niet aan Zilveren Kruis om namens [gedaagde] een overeenkomst te aanvaarden.

5.8.

Tot slot overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat Zilveren Kruis de betalingen van de declaraties heeft overgemaakt naar het bankrekeningnummer van de vennootschap. Ook daarin valt dus niet zonder meer af te leiden dat [gedaagde] in privé als contractspartij moet worden beschouwd. Zilveren Kruis heeft in dat kader nog betoogd dat [gedaagde] (al dan niet bewust) onduidelijk is geweest over de houder van de bankrekening, door bij het opgegeven bankrekeningnummer “ [bedrijf] ” te vermelden. Ook dat baat haar niet. Zoals hiervoor is overwogen heeft [gedaagde] duidelijk gemaakt dat zij met de vennootschap wilde contracteren en behoefde zij niet te begrijpen dat Zilveren Kruis dat niet wilde, maar enkel met haar wilde contracteren. In dat licht bezien kan niet te snel worden aangenomen dat [gedaagde] bewust verwarring heeft willen zaaien over de houder van de bankrekening – aan haar zijde behoefde immers geen verwarring te bestaan. Een en ander is dus onvoldoende om aan te nemen dat Zilveren Kruis gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het door [gedaagde] aanvaarden van de betaalovereenkomsten.

5.9.

Voorgaande brengt met zich dat Zilveren Kruis – in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] – onvoldoende heeft onderbouwd dat er betaalovereenkomsten tot stand zijn gekomen tussen haar en [gedaagde] . De door Zilveren Kruis overgelegde overeenkomsten kunnen dan ook geen grondslag bieden voor de door haar ingestelde vordering tot (terug)betaling van de vergoede declaraties.

5.10.

Aan het voorgaande doet niet af dat tussen partijen ook in geschil is of tussen Zilveren Kruis en de vennootschap wel betaalovereenkomsten zijn gesloten. [gedaagde] heeft dat betoogd onder verwijzing naar door haar overgelegde overeenkomsten die op naam zijn gesteld van Zilveren Kruis en de vennootschap én die zijn ondertekend. Volgens Zilveren Kruis zijn deze overeenkomsten achteraf door [gedaagde] gefabriceerd. De rechtbank hoeft in deze procedure echter niet vast te stellen of Zilveren Kruis en de vennootschap wel een rechtsgeldige overeenkomst hebben gesloten. Het gaat er enkel om of [gedaagde] met haar eenmanszaak een overeenkomst is aangegaan, want dat is waar Zilveren Kruis zich op beroept. Het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende is onderbouwd dat [gedaagde] zich aan de betaalovereenkomsten heeft verbonden houdt dan ook niet zonder meer in dat Zilveren Kruis en de vennootschap wel deze overeenkomsten hebben gesloten.

Onverschuldigde betaling?

5.11.

Partijen zijn het erover eens dat Zilveren Kruis de betalingen (van de declaraties) heeft gedaan op het bankrekeningnummer van de vennootschap. Zilveren Kruis heeft onvoldoende onderbouwd dat deze betalingen desondanks moeten worden beschouwd als (onverschuldigde) betalingen aan [gedaagde] . Dat [gedaagde] – zoals Zilveren Kruis stelt – bij het doorgeven van haar bankrekeningnummer zou hebben doen voorkomen dat het rekeningnummer op haar naam stond in plaats van op naam van de vennootschap maakt dit niet anders. Ook in dat geval is immers nog steeds betaald aan de vennootschap en niet aan [gedaagde] persoonlijk. Nu niet is gebleken dat gelden aan [gedaagde] zijn betaald, slaagt het beroep van Zilveren Kruis op onverschuldigde betaling niet.

Slotsom

5.12.

Voorgaande brengt met zich dat de vordering van Zilveren Kruis niet kan worden toegewezen. Het verstekvonnis van 26 november 2025 kan daarom niet in stand kan blijven. Dit vonnis zal daarom worden vernietigd. De rechtbank zal opnieuw uitspraak doen en de vordering van Zilveren Kruis afwijzen.

Proceskosten

5.13.

Zilveren Kruis is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] (inclusief nakosten) in de verzetprocedure betalen. De kosten van het betekenen van het verstekvonnis en van het uitbrengen van de verzetdagvaarding zullen echter op grond van het bepaalde in artikel 141 Rv voor rekening van [gedaagde] komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat [gedaagde] in eerste instantie niet is verschenen. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht

€

2.803,00

- salaris advocaat

€

7.446,00

(2 punten × € 3.723,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

10.438,00

5.14.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Reconventie

Opheffing beslag

5.15.

[gedaagde] vordert opheffing van het onder haar gelegde conservatoir derdenbeslag. Zilveren Kruis voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. Uit de stukken volgt dat Zilveren Kruis derdenbeslag heeft gelegd onder zowel ING Bank N.V. als De Volksbank N.V. Uit de beoordeling in conventie volgt dat de vordering van Zilveren Kruis wordt afgewezen. Er bestaat daarom geen grond voor de gelegde conservatoir derdenbeslagen. Deze zullen dan ook worden opgeheven.

Overige vorderingen

5.16.

[gedaagde] vordert onder II dat de rechtbank Zilveren Kruis gebiedt om de aantekeningen in de registers zoals opgenomen in de brief van Zilveren Kruis van 16 januari 2024 ongedaan te maken. Zilveren Kruis voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

5.17.

De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd, nu zij niet nader heeft toegelicht om welke registers het precies gaat en waarom haar gegevens daarin zijn ingeschreven. De enkele verwijzing naar de brief van Zilveren Kruis van 16 januari 2024, zonder onderbouwing, volstaat in dit verband niet. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.

5.18.

Voorts vordert [gedaagde] onder III dat de rechtbank Zilveren Kruis gebiedt om toekomstige machtigingsaanvragen van [gedaagde] dan wel haar rechtspersonen in behandeling te nemen, zodat [gedaagde] zorg kan leveren aan verzekerden van Zilveren Kruis. Zilveren Kruis voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. De rechtbank overweegt dat de vordering niet is onderbouwd. De vordering zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

5.19.

Nu beide partijen voor een deel in het (on)gelijk worden gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank

In conventie

6.1.

vernietigt het verstekvonnis van 26 november 2025 met zaaknummer C/09/69 1498 / HA ZA 25-796;

en opnieuw beslissend:

6.2.

wijst het gevorderde af;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van Zilveren Kruis die zijn veroorzaakt door het aanvankelijk niet verschijnen van € 130,81 voor de kosten van de betekening van het verstekvonnis, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;

6.4.

veroordeelt Zilveren Kruis in de overige kosten van de verstekprocedure, aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de overige kosten van de verzetprocedure van € 10.438,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Zilveren Kruis niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

6.5.

veroordeelt Zilveren Kruis tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

In reconventie

6.6.

heft op het door Zilveren Kruis ten laste van [gedaagde] onder ING Bank N.V. en De Volksbank N.V. gelegde conservatoir derdenbeslag;

6.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

6.8.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

In conventie en in reconventie

6.9.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 en 6.3 tot en met 6.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.

3474

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »