ECLI:NL:RBDHA:2026:29513

Datum uitspraak
26-08-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
SGR 26/6552
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorzienining. Verzoekster is werkzaam voor Defensie. Zij wil graag twee bruiloften bijwonen van familieleden in Iran, zij heeft daarom een verzoek om ontheffing van het reisverbod naar Iran gedaan. Dit verzoek is afgewezen. Verweerder is bij de afwijzing van het verzoek gebleven. Belangenafweging. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het persoonlijke belang van verzoekster bij het treffen van de gevraagde voorziening ondergeschikt is aan het belang van verweerder bij het afwijzen van het verzoek. Verzoek afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/6552

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. drs. E.C. Spiering),

en

de minister van Defensie, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van het verzoek van verzoekster om ontheffing van het reisverbod naar Iran in de periode van 27 augustus 2026 tot en met 5 oktober 2026. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoekster als volgt af.

1.1.

Verzoekster heeft een verzoek ingediend om ontheffing van het reisverbod naar Iran.1 Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 22 juli 2026 afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

Met het bestreden besluit van 21 augustus 2026 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.2

1.3.

Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

1.4.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?

2. Verzoekster, sergeant 1e klasse, is ruim 18 jaar werkzaam voor Defensie. In het verleden is verzoekster onderdeel geweest van het Korps Commandotroepen (KTC), op dit moment is zij gedetacheerd bij de afdeling planning van het onderdeel Bedrijfsmaatschappelijk Werk (BMW) in Utrecht. Zij verricht naar eigen zeggen één dag in de week administratieve en organisatorische werkzaamheden. De overige vier dagen van haar aanstelling besteedt zij aan haar studie. Omdat verzoekster graag twee bruiloften wil bijwonen van familieleden in Iran, heeft zij een verzoek om ontheffing van het reisverbod naar Iran gedaan. Het verzoek is geaccordeerd door haar teamleider en door de beveiligingsfunctionaris, maar is vervolgens niet gehonoreerd door verweerder. Met de beslissing van 21 augustus 2026 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij die beslissing gebleven. Toch wenst verzoekster graag naar Iran af te reizen, zodat zij de twee bruiloften kan bijwonen. Deze uitspraak gaat alleen over de vraag of het verzoek moet worden toegewezen.

Wat vindt verzoekster?

3. Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de behandeling van haar verzoek. De bruiloften van haar twee nichten zullen plaatsvinden op 1 en 10 september 2026. Als zij geen toestemming krijgt om naar Iran af te reizen mist zij een zeer belangrijke dag in de levens van haar twee nichten, die zij als zusjes beschouwt en waar zij een heel bijzondere band mee heeft. Dit zou onomkeerbaar zijn. Verzoekster is het niet eens met de beslissing op haar bezwaar. Zij voert daartoe aan dat de motivering van de weigering nog altijd tekortschiet. Over de situatie in Iran volstaat verweerder ten onrechte met alleen de mededeling dat het door de MIVD3 geconstateerde dreigingsbeeld bij de beoordeling is betrokken, maar dat de inhoud van de rapportage op grond van artikel 23 van de Wiv 20174 niet kan worden gedeeld. Verzoekster stelt dat verweerder op zijn minst moet verwijzen naar de categorie van het vermeende bezwaar of van de aard van het veiligheidsrisico.5 Verder geeft verweerder een onjuiste toepassing aan de eigen beleidslijn, norm B/005-080 van het Defensie Beveiligingsbeleid. Verweerder had namelijk een individuele beoordeling moeten maken. Daarnaast heeft verweerder de door verzoekster aangedragen mitigerende maatregelen niet inhoudelijk beoordeeld en heeft hij geen onderzoek gedaan naar alternatieven. Dit is volgens verzoekster in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tot slot is het bestreden besluit volgens verzoekster in strijd met artikel 8 van het EVRM.6

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

4. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

5. Het is verzoekster zonder een ontheffing op het reisverbod niet toegestaan om naar Iran te reizen. De aanleiding voor de reis en de nauwe band tussen verzoekster en haar twee nichten worden door verweerder niet betwist. Gelet op de wens van verzoekster om omstreeks 27 augustus 2026 naar Iran af te reizen acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de te treffen voorziening voldoende aanwezig.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het Defensie Beveiligingsbeleid onder meer volgt dat de beperkende maatregelen waar dit beleid op ziet tot doel hebben bij het defensiepersoneel gerubriceerde informatie te beveiligen, en daarnaast om defensiepersoneel (en daarmee de Staat) te beschermen tegen buitenlandse inlichtingendiensten, terroristische groeperingen of andere dreigingen die de Defensiebelangen kunnen schaden. In norm B/005-080 van het Defensie Beveiligingsbeleid staat dat verweerder een ontheffing op het reisverbod kan verlenen indien dringende persoonlijke of andere belangen van de ambtenaar dit vereisen én de veiligheid of andere gewichtige belangen van de Nederlandse Staat zich daartegen niet verzetten. Uitdrukkelijk is opgenomen dat een voorgenomen vakantie als zodanig geen dringend belang is, en dus geen reden om ontheffing te verlenen. Welke dringende persoonlijke of andere belangen wél aanleiding kunnen vormen voor een ontheffing wordt in het beleid niet nader gespecificeerd.

7. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de belangen van verzoekster geen ontheffing vereisen, en zelfs als dit wel zo was, dat de belangen van de Staat zich dan tegen een ontheffing verzetten. Verweerder heeft daarbij vermeld dat voor de conclusie dat de belangen van de Staat zich tegen de ontheffing verzetten het door de MIVD geconstateerde dreigingsbeeld van Iran is betrokken. De rapportage met betrekking tot dit dreigingsbeeld is met een beroep op artikel 23 van de Wiv 2017 niet met verzoekster gedeeld. Verweerder heeft deze informatie waarop geheimhouding rust ten tijde van de mondelinge behandeling op zitting nog niet met een beroep op artikel 8:29 van de Awb in deze voorlopige voorzieningen-procedure kunnen inbrengen. Verzoekster heeft op zitting te kennen gegeven dat zij geen bezwaren heeft tegen het in deze procedure ontbreken van de informatie waarop geheimhouding rust, nu zij belang heeft bij een spoedig oordeel van de voorzieningenrechter.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in beroep rechtsvragen aan de orde zijn die zich niet lenen voor een inhoudelijke beantwoording in deze voorlopige voorzieningen-procedure. Omdat de informatie waarop geheimhouding rust niet met een beroep op artikel 8:29 van de Awb is ingebracht, kan de voorzieningenrechter in ieder geval geen (voorlopig) inhoudelijk rechtmatigheidsoordeel geven over de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat (mede) gelet op het dreigingsbeeld in Iran zoals dat volgt uit de rapportage van de MIVD, de belangen van de Staat zich verzetten tegen een ontheffing. Met deze stand van zaken en gelet op de spoedeisendheid van het verzoek zal zij de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen daarom uitsluitend beantwoorden aan de hand van een belangenafweging tussen enerzijds de belangen van verzoekster om de verzochte voorziening te treffen en anderzijds de belangen van verweerder om het verzoek af te wijzen.

9. Verzoekster heeft op zitting op indringende wijze uitleg gegeven over de bijzondere band die zij met haar twee nichten heeft en wat het voor haar zou betekenen om beide huwelijken te kunnen bijwonen. Zij heeft ook toegelicht dat zij eerder altijd wel een ontheffing kreeg voor haar reizen naar Iran, en dat het haar raakt dat zij door haar werkzaamheden – die tegenwoordig bovendien van een heel andere aard zijn dan voorheen – wordt belemmerd in haar privéleven. Daartegenover staat het belang van verweerder, die tracht te voorkomen dat de veiligheid van de Staat in het geding komt. Dit belang van de Staat weegt zwaar. Verweerder heeft er in deze zaak op gewezen dat Iran op de landenlijst van het aanwijzingsbesluit staat, onderdeel is van een gewapend conflict, en dat sprake is van een negatief reisadvies (kleurcode rood) van het ministerie van Buitenlandse Zaken met betrekking tot heel Iran. Daarbij komt dat in de regio waar verzoekster van plan is te verblijven ook bombardementen zijn geweest. Dit tezamen maakt dat een reis naar Iran aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengt. De voorzieningenrechter overweegt dat het niet kunnen bijwonen van de twee bruiloften van haar nichten voor verzoekster onomkeerbaar is. Echter wanneer de hiervoor genoemde risico’s zich verwezenlijken, zal dit gevolgen hebben voor de Staat, en mogelijk ook voor verzoekster zelf, die ook niet zijn terug te draaien en waarvan de impact met de informatie die nu bekend is niet kan worden onderschat. Onder deze specifieke omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het persoonlijke belang van verzoekster bij het treffen van de gevraagde voorziening ondergeschikt is aan het belang van verweerder bij het afwijzen van het verzoek.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.

De beslissing is per e-mail bekendgemaakt aan partijen op 26 augustus 2026 omstreeks 13.10 uur.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »