ECLI:NL:RBDHA:2026:29468

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Zaaknummer
C/09/706249
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser vordert betaling van gedaagden omdat hij onder hen derdenbeslag heeft gelegd en zij geen geldige derdenverklaringen hebben afgelegd. De rechtbank oordeelt echter dat gedaagden inmiddels verklaringen hebben afgelegd die voldoen aan de wettelijke vereisten. Als eiser het niet eens is met de inhoud van de verklaringen had hij een andere procedure moeten starten of zijn eis moeten wijzigen, maar dat heeft hij niet gedaan. De inhoud van de afgelegde verklaringen kan in deze procedure niet (meer) aan de orde worden gesteld. De rechtbank wijst de vordering van eiser af.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaak-/rolnummer: C/09/706249 / HA ZA 26-542

Vonnis in verzet van 30 september 2026

in de zaak van

[partij A] ,

te [woonplaats] ,

eiser,

gedaagde in het verzet,

hierna te noemen: [partij A] ,

advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren,

tegen

1 [partij B sub 1] B.V.,

te [plaats] ,2. [partij B sub 2] B.V.,

te [plaats] ,3. [partij B sub 3],

te [plaats] ,

gedaagden,

eisers in het verzet,

hierna samen te noemen: [partij B] c.s.,

advocaat: mr. C. Streelder.

1 Waar gaat deze zaak over?

[partij A] vordert betaling van [partij B] c.s. omdat hij onder hen derdenbeslag heeft gelegd en zij geen geldige derdenverklaringen hebben afgelegd. De rechtbank oordeelt echter dat [partij B] c.s. inmiddels verklaringen hebben afgelegd die voldoen aan de wettelijke vereisten. Als [partij A] het niet eens is met de inhoud van de verklaringen had hij een andere procedure moeten starten of zijn eis moeten wijzigen, maar dat heeft hij niet gedaan. De inhoud van de afgelegde verklaringen kan in deze procedure niet (meer) aan de orde worden gesteld. De rechtbank wijst de vordering van [partij A] af.

2 De procedure

2.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van [partij A] van 6 maart 2026 met producties 1 tot en met 10; - het verstekvonnis van 22 april 2026 met zaak-/rolnummer C/09/701513 / HA ZA 26-273;- de verzetdagvaarding van [partij B] c.s. van 19 mei 2026 met producties 1 tot en met 5; - de akte aanvulling (grondslag) eis en overlegging producties van [partij A] van 10 augustus 2026 met producties 11 tot en met 15;

- de akte overlegging producties van [partij B] c.s. van 13 augustus 2026 met producties 6 tot en met 9.

2.2.

Op 25 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.

3 De feiten

3.1.

In een procedure tussen [partij A] en [bedrijfsnaam] B.V. is [bedrijfsnaam] B.V. veroordeeld om € 55.434,48 aan [partij A] te betalen, plus rente en kosten. Om het vonnis ten uitvoer te leggen, heeft [partij A] op 12 januari 2026 ten laste van [bedrijfsnaam] B.V. executoriaal derdenbeslag laten leggen onder [partij B] c.s.

3.2.

Op 28 januari 2026 heeft [partij A] aan [partij B] c.s. een brief gestuurd waarin hij [partij B] c.s. een termijn stelt om uiterlijk op 2 februari 2026 derdenverklaringen af te leggen. Op 6 maart 2026 heeft [partij A] [partij B] c.s. gedagvaard.

3.3.

Op 7 maart 2026 hebben [partij B] c.s. drie verklaringen aan [partij A] en de deurwaarder gestuurd, waarin [partij B] c.s. verklaren dat [bedrijfsnaam] B.V. niets van hen te vorderen heeft. Per e-mail van 10 maart 2026 heeft de deurwaarder de verklaringen geweigerd.

3.4.

De advocaat van [partij A] heeft op 5 mei 2026 drie verklaringen van [partij B] c.s. ontvangen. [partij B] c.s. verklaren daarin (opnieuw) dat [bedrijfsnaam] B.V. niets van hen te vorderen heeft. Bij de verklaringen zijn geen onderbouwende stukken gevoegd.

4 Het geschil

4.1.

[partij A] heeft op grond van artikel 477a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gevorderd dat de rechtbank [partij B] c.s. zal veroordelen tot betaling van € 64.010,46, vermeerderd met rente en kosten. [partij A] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij op het moment van dagvaarden geen verklaringen van de derde-beslagenen had ontvangen en dat [partij B] c.s. de later afgelegde verklaringen onvoldoende met stukken hebben onderbouwd.

4.2.

In het verstekvonnis zijn de vorderingen van [partij A] volledig toegewezen en zijn [partij B] c.s. veroordeeld in de proceskosten.

4.3.

[partij B] c.s. vorderen in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [partij A] alsnog worden afgewezen, met veroordeling van [partij A] in de (werkelijke) proceskosten. [partij B] c.s. voeren aan dat op 2 februari 2026 en op 5 mei 2026 geldige verklaringen zijn afgelegd en dat [partij A] de waarheidsplicht heeft geschonden door dit niet te vermelden.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld, zodat [partij B] c.s. kunnen worden ontvangen in hun vorderingen.

5.2.

Deze procedure draait om de vraag of [partij B] c.s. geldige derdenverklaringen hebben afgelegd. Dat is het geval. De rechtbank vernietigt daarom het verstekvonnis en wijst de vordering van [partij A] alsnog af. De rechtbank licht dit als volgt toe.

[partij B] c.s. hebben (alsnog) verklaringen afgelegd die voldoen aan de eisen

5.3.

[partij B] c.s. zijn als derde-beslagenen verplicht om verklaring te doen van de vorderingen en zaken die zijn getroffen door het beslag dat [partij A] heeft gelegd.1 [partij B] c.s. moeten – kort gezegd – verklaren of zij iets aan [bedrijfsnaam] B.V. schuldig zijn of zullen worden, of zij iets voor [bedrijfsnaam] B.V. onder zich hebben (en, zo ja, wat) en moeten verdere relevante gegevens vermelden. Deze verklaringen moeten [partij B] c.s. dateren en ondertekenen.2 [partij B] c.s. moeten de verklaringen zo veel mogelijk met stukken onderbouwen.3

5.4.

[partij A] vordert van [partij B] c.s. betaling op grond van artikel 477a lid 1 Rv. Dat artikel bepaalt dat een derde-beslagene die geen verklaring heeft afgelegd, kan worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd. De derde-beslagene kan een veroordeling tot betaling voorkomen door in de procedure alsnog een verklaring af te leggen, maar moet in dat geval wel de kosten betalen die zijn veroorzaakt doordat hij te laat heeft verklaard.

5.5.

De rechtbank volgt [partij B] c.s. niet in hun standpunt dat zij direct na het gelegde beslag geldige verklaringen hebben afgelegd. [partij B] c.s. hebben hun stelling dat zij voor het eerst op 2 februari 2026 hebben verklaard, onvoldoende onderbouwd (en [partij A] betwist dat hij bekend is met een verklaring van die datum). Vervolgens heeft de deurwaarder op 7 maart 2026 verklaringen van [partij B] c.s. ontvangen, maar die verklaringen heeft de deurwaarder afgekeurd. Daarmee voldoen zij niet aan de wettelijke vereisten.4 [partij B] c.s. hebben dus op 5 mei 2026 voor het eerst geldige verklaringen afgelegd. Uit het voorgaande volgt ook dat [partij A] niet in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft gehandeld.

5.6.

De verklaringen die [partij B] c.s. op 5 mei 2026 hebben afgelegd, voldoen wel aan de eisen die de wet daaraan stelt. [partij B] c.s. hebben drie verklaringen overgelegd waarin zij aangeven dat [bedrijfsnaam] B.V. nu of in de toekomst niets van [partij B] c.s. te vorderen heeft. De verklaringen zijn gedateerd en ondertekend. De verklaringen zijn afgelegd door het daarvoor bestemde formulier van de deurwaarder in te vullen.

5.7.

[partij A] betwist niet dat [partij B] c.s. deze verklaringen hebben afgelegd, of dat hij deze heeft ontvangen. Hij stelt zich op het standpunt dat [partij B] c.s. de verklaringen met (meer) stukken hadden moeten onderbouwen. Nu dit niet is gebeurd, voldoen de verklaringen volgens [partij A] niet aan de wettelijke vereisten en moet de situatie worden gelijkgesteld met een waarin geen verklaringen zijn afgelegd. [partij A] verwijst hiervoor naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam.5

5.8.

Het betoog van [partij A] slaagt niet. Er is geen algemene regel die bepaalt dat een verklaring die niet met stukken is onderbouwd gelijkgesteld moet worden met de situatie waarin géén verklaring is afgelegd. De uitspraak waarnaar [partij A] verwijst, ziet op een situatie die hier niet aan de orde is. In die zaak had de schuldenaar een vordering op de derde-beslagene, maar verklaarde de derde-beslagene toch dat de schuldenaar niets van haar te vorderen had, zonder daarbij enige toelichting te geven.

5.9.

Een dergelijke situatie doet zich in dit geval niet voor. Uit de beslagstukken (of andere omstandigheden) is niet gebleken dat schuldenaar [bedrijfsnaam] B.V. een vordering had op [partij B] c.s. De omstandigheid dat tussen [bedrijfsnaam] B.V. en de derde-beslagenen een rechtsverhouding bestond op basis waarvan [bedrijfsnaam] B.V. een vordering op (een van) hen kon hebben, is niet voldoende. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om de door [partij B] c.s. afgelegde verklaringen gelijk te stellen met de situatie waarin geen verklaring is afgelegd.

5.10.

Bovendien heeft [partij B] c.s. de verklaringen in deze procedure alsnog met stukken onderbouwd door jaarstukken en de gedeponeerde jaarrekeningen van [partij B sub 1] B.V. (een van de derde-beslagenen) en [bedrijfsnaam] B.V. (de schuldenaar) over het jaar 2025 te overleggen. De overgelegde stukken zijn naar hun aard geschikt om inzicht te verschaffen in de verplichtingen van [partij B] c.s. ten opzichte van [bedrijfsnaam] B.V. De jaarrekening van [bedrijfsnaam] B.V. vermeldt geen vorderingen op [partij B] c.s. De stelling van [partij A] dat de verklaringen niet met stukken zijn onderbouwd, is daardoor niet langer juist.

5.11.

[partij A] heeft zich nog beroepen op verzwaarde motiveringsplicht die geldt in de betwistingsprocedure van artikel 477a lid 2 Rv. Zoals hierna wordt overwogen is die procedure hier niet aan de orde. De rechtbank ziet geen reden om ook voor de procedure op grond van artikel 477a lid 1 Rv een verzwaarde motiveringsplicht aan te nemen.

Inhoud van de afgelegde verklaringen geen onderwerp van deze procedure

5.12.

Ter zitting heeft [partij A] de inhoud van de afgelegde verklaringen ter discussie gesteld. [partij A] meent dat belangrijke informatie niet is gedeeld (zoals een uittreksel van de rekening-courant) en trekt een vordering – die uit de jaarstukken van [bedrijfsnaam] B.V. blijkt – van [bedrijfsnaam] B.V. op een (inmiddels failliete) derde partij in twijfel.

5.13.

Om de inhoud van een afgelegde verklaring ter discussie te stellen, moet de betwistingsprocedure van artikel 477a lid 2 Rv worden gevolgd. Daarvoor was vereist dat [partij A] binnen twee maanden na de datum van de verklaring – dus uiterlijk op 5 juli 2026 – [partij B] c.s. zou dagvaarden tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling van wat [partij B] c.s. volgens de rechter aan [bedrijfsnaam] B.V. schuldig zijn. Dat heeft [partij A] niet gedaan. Hij heeft ook zijn eis in deze procedure niet gewijzigd om alsnog een betwistingsprocedure te starten. De inhoud van de afgelegde verklaringen is daardoor geen onderdeel van deze procedure.

Proceskosten

5.14.

Doordat [partij B] c.s. pas in deze procedure geldige derdenverklaringen hebben afgelegd, heeft [partij A] kosten moeten maken die hem anders bespaard waren gebleven. De proceskosten van [partij A] zijn dus nodeloos gemaakt, zoals bedoeld in artikel 477a lid 1, laatste volzin, Rv. De rechtbank veroordeelt [partij B] c.s. daarom in de proceskosten, ook al wordt hun verzet gegrond verklaard en het verstekvonnis vernietigd.

5.15.

De proceskosten van [partij A] worden begroot op € 4.517,44, bestaande uit € 160,48 dagvaardingskosten, € 1.414 aan griffierecht, € 2.580 (2 punten × € 1.290) aan salaris advocaat, € 189 aan nakosten (plus een eventuele verhoging van € 98) en € 173,96 voor de betekening van het verstekvonnis. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.16.

De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

vernietigt het verstekvonnis van 22 april 2026 met zaak-/rolnummer C/09/701513 / HA ZA 26-273;

en opnieuw beslissend:

6.2.

wijst het gevorderde af;

6.3.

veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 4.517,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

6.4.

veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

6.5.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »