RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7854
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het vervangen van een reclame- en prijzenzuil van het tankstation van eiseres op het perceel aan [adres] . Eiseres is het daar niet meer eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eiseres vindt dat het college zich onterecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag niet past binnen het omgevingsplan en in strijd is met redelijke eisen van welstand. Ook is volgens eiseres sprake van ETFAL. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht weigeren. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 4 maart 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van een reclame- en prijzenzuil van het tankstation op het perceel aan [adres] (perceel). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres en het college hebben nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Eiseres heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow), in dit geval voor het vervangen van een reclame- en prijzenzuil voor een tankstation op het perceel. Eiseres wenst de zuil te vergroten zodat het tankstation vanaf de nabijgelegen [wegnummer] beter zichtbaar wordt. Deze zichtbaarheid is door een recent geplaatst geluidscherm volgens eiseres beperkt.
Volgens het college is de aanvraag in strijd met het omgevingsplan. Met het bouwplan wordt de oorspronkelijke zuil, die 5 meter hoog is, vergroot tot een hoogte van 15 meter, wat in strijd is met de maximale bouwhoogte voor bouwwerken geen gebouw zijnde van 5 meter. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt gaat het college niet akkoord met het bouwplan, omdat de verhoging van de zuil volgens het college een aanzienlijke negatieve ruimtelijke impact op de directe omgeving heeft: een 15 meter hoge zuil past niet binnen de context van [straatnaam] en omgeving en tast het zicht van de percelen in de buurt aan. Daarnaast is de aanvraag in strijd met redelijke eisen van welstand, tenzij de hoogte van de zuil wordt aangepast naar de huidige hoogte van 5 meter. Dit standpunt is onderbouwd met een negatief welstandsadvies van 2 april 2025 van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Katwijk (adviescommissie). Het college heeft de aanvraag om deze redenen afgewezen op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
In het bestreden besluit van 25 september 2025 is het college bij de weigering van de omgevingsvergunning gebleven. Het college stelt opnieuw vast dat de aanvraag in strijd is met het omgevingsplan en dat ook geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Volgens het college is een overschrijding van de maximale bouwhoogte met 10 meter onwenselijk, mede gelet op de ligging vlakbij [straatnaam] , de woonwijk [woonwijk] , de Oude Rijn en [plaats] . Verder ontbreekt een motivering waaruit blijkt dat de hoogte van de zuil van 15 meter noodzakelijk is voor de zichtbaarheid vanaf de [wegnummer] .
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 maart 2025. Dat betekent dat in dit geval de Ow van toepassing is.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die wel of niet in strijd is met het omgevingsplan.1
Op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bevat een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de aanvraag op ziet, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘’t Duyfrak 2015’ van kracht. Dat bestemmingsplan maakt sinds 1 januari 2024 dus deel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Katwijk. In dat bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming ‘Bedrijf’ toegekend.
Op grond van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan wordt een omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag daarvan betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4.
Op grond van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, van het omgevingsplan wordt een omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag daarvan betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Op grond van artikel 22.280 van het omgevingsplan geldt, voor zover voor een activiteit in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
Op grond van artikel 3.2.3, onder e, van het bestemmingsplan ‘’t Duyfrak 2015’ bedraagt de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten hoogste 5 meter.
Op grond van artikel 24, lid 24.1, van het bestemmingsplan ‘’t Duyfrak 2015’ luidt het overgangsrecht als volgt:
a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouw- danwel een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen, wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijken van het bepaalde onder lid a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
het onder lid a bepaalde is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Bieden het omgevingsplan of de Ow mogelijkheden om de vergunning te verlenen?
6. Eiseres betoogt dat het college onvoldoende heeft gekeken naar alternatieve mogelijkheden voor het verlenen van de vergunning binnen het omgevingsplan en de Ow. Volgens eiseres heeft het college ten onrechte aangenomen dat de regels van het bestemmingsplan ‘’t Duyfrak 2015’ geen mogelijkheid bieden om de gevraagde vergunning te verlenen. Eiseres noemt in dit kader artikel 24 van het bestemmingsplan en artikel 22.280 en artikel 22.281 van het omgevingsplan als voorbeeld van binnenplanse afwijkingsmogelijkheden.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de aanvraag in strijd is met de in artikel 3.2.3, onder e, van bestemmingsplan ‘’t Duyfrak 2015’ gestelde maximale bouwhoogte voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, van 5 meter.
De rechtbank stelt verder vast dat op grond van artikel 22.29 van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit alleen verleend wordt als de activiteit niet in strijd is met de planregels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken.
Voor zover eiseres betoogt dat het college de omgevingsvergunning op basis van het overgangsrecht zoals bepaald in artikel 24, lid 24.1, van het bestemmingsplan ‘’t Duyfrak 2015’ had kunnen verlenen, overweegt de rechtbank dat dit artikel ziet op een overgangsrechtsituatie. Daarvan is sprake als een bouwwerk in het verleden, onder een eerder geldend bestemmingsplan, legaal is gebouwd, maar na een wijziging van het bestemmingsplan in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan. Dat blijkt ook uit de tekst van lid 24.1, onder a, waar staat dat die bepaling ziet op een bouwwerk “dat afwijkt van het plan”. Die situatie doet zich hier niet voor; de bestaande zuil past immers binnen de bouwregels van het nu geldende omgevingsplan. Bovendien biedt artikel 24 alleen mogelijkheden een bouwactiviteit te vergunnen als de afwijking van de planregels naar aard en omvang niet wordt vergroot. Het college kan daar volgens lid b van deze bepaling met een vergroting van maximaal 10% eenmalig van afwijken. Aangezien met het bouwplan een vergroting van de zuil van 200% wordt beoogd en met het bouwplan de bouwhoogte fors wordt overschreden, kan geen beroep worden gedaan op het overgangsrecht zoals bedoeld in lid 24.1.
Ook het betoog van eiseres ten aanzien van artikel 22.280 en artikel 22.281 van het omgevingsplan slaagt niet. Deze artikelen zien namelijk op een activiteit die betrekking heeft op een (elders geregelde) binnenplanse afwijking van planregels, maar scheppen zelf niet een dergelijke afwijkingsmogelijkheid. Een dergelijke binnenplanse afwijking kent het omgevingsplan ten aanzien van artikel 3.2.3, onder e, van ‘’t Duyfrak 2015’ niet. Eiseres heeft verder niet concreet gemaakt op basis van welke bepalingen in de Ow er voor het college ruimte bestond de omgevingsvergunning te verlenen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Redelijke eisen van welstand
7. Eiseres betoogt verder dat het college niet af heeft mogen gaan op het welstandsadvies van de adviescommissie, omdat dit advies niet specifiek ingaat op de welstandscriteria voor bedrijventerreinen in de Welstandsnota Katwijk (welstandsnota). Daarnaast zijn de criteria in de welstandsnota zodanig vaag dat aan de hand daarvan nauwelijks een objectieve beoordeling van bouwplannen zoals dit mogelijk is. Bovendien is de aanvraag voor het realiseren van een groot reclamebord van [bedrijfsnaam 1] , gelegen in de buurt van het perceel, wel door de welstandstoets heen gekomen. Voor dat reclamebord is ten slotte wel een omgevingsvergunning verleend.
Het welstandsadvies van de adviescommissie van 2 april 2025 luidt als volgt:
“Het bouwplan voldoet als voorgesteld niet aan de criteria van het door de raad vastgestelde beleid, tenzij de hoogte en de breedte van de reclamezuil en prijzenzuil wordt teruggebracht naar de mogelijkheden van het omgevingsplan/bestemmingsplan of de hoogte en breedte van de bestaande reclamezuil en prijzenzuil (eerder in circa 2015 vervangen/geplaatst). De bezwaren betreffen ondermeer het uiterlijk met betrekking tot de hoofdvorm/de afmetingen van de reclamezuil en prijzenzuil. De afmetingen zijn buitenproportioneel groot en onvoldoende afgestemd op het tankstation en de omgeving. De reclamezuil en prijzenzuil toont zich hierdoor te nadrukkelijk in het straat- en gevelbeeld.”
Volgens vaste rechtspraak mag het college aan een welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Dit is anders indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat verweerder het niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel dan ook geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.2
De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het bouwplan niet in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Volgens de welstandsnota dient de inrichting van de buitenruimte zorgvuldig aan te sluiten bij de omgeving. De adviescommissie heeft op basis hiervan navolgbaar gemotiveerd dat de grootte van de zuil buiten proportie is en onvoldoende aansluit bij het tankstation en de omgeving, waardoor het bord te nadrukkelijk in het straat- en gevelbeeld aanwezig is. Die beoordeling is ook verder in overeenstemming met de welstandsnota, die onder andere voorschrijft dat rekening moet worden gehouden met de omgeving in ligging, massa en vorm, maat, schaal en detail. Met name de maat wordt door de omgeving bepaald en moet in verhouding staan tot de bouwopgave en de omgeving, aldus de nota. De rechtbank is het met eiseres eens dat criteria zoals deze op verschillende manieren kunnen worden ingevuld, maar ziet geen grond voor het oordeel dat ze zodanig vaag zijn dat aan de hand daarvan een deugdelijke welstandsbeoordeling niet mogelijk is.
Daarnaast heeft het college in het kader van het betoog van eiseres over het reclamebord van [bedrijfsnaam 1] ter zitting toegelicht dat het welstandsadvies over het reclamebord anders luidt dan over de zuil van het tankstation, omdat het reclamebord van [bedrijfsnaam 1] tegen het gebouw aan zit en daarmee in verhouding staat tot de hoogte van het gebouw. De zuil van het tankstation daarentegen is een losstaand bouwwerk en staat qua maatvoering niet in verhouding tot het tankstation of andere gebouwen in de directe omgeving. In verweer heeft het college hierover verder toegelicht dat het reclamebord van [bedrijfsnaam 1] onderdeel was van een uitbreiding en vergroting van het volume van een bedrijfspand, hetgeen hier niet aan de orde is. Tot slot heeft eiser geen contra-expertise overgelegd of concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de zorgvuldigheid, begrijpelijkheid of juistheid van het welstandsadvies.
De beroepsgrond slaagt niet.
Participatie en impact op de omgeving
8. Eiseres betoogt dat het college onvoldoende heeft meegewogen dat buurtbewoners gelet op het positieve resultaat van het participatietraject weinig tot geen bezwaren hebben tegen de zuil. Participatie is een wezenlijk onderdeel van de Omgevingswet en het college heeft daar in dit kader te weinig betekenis aan gehecht. Bovendien heeft het college niet met onderzoek onderbouwd dat de zuil een negatieve impact heeft op de omgeving.
De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een zogenoemde buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het college komt bij de beslissing om wel of niet toepassing te geven aan zijn bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen beleidsruimte toe, en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Ten aanzien van het betoog van eiseres over participatie overweegt de rechtbank dat artikel 7.4 van de Omgevingsregeling verplichte participatie voorschrijft, in die zin dat de aanvrager van een vergunning verplicht is aan te geven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, en, als dat zo is, gegevens te verstrekken over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Dat betekent echter niet dat die resultaten op zichzelf bepalend zijn voor de vraag of een omgevingsvergunning kan worden verleend of geweigerd. De bevoegdheid om op de aanvraag te beslissen en daarbij een afweging te maken van de betrokken belangen berust bij het college, ook als er geen direct omwonenden zijn die aangeven bezwaar te hebben tegen het voorgenomen bouwplan.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van ETFAL. Het college heeft het belang van stedenbouw daarbij zwaarder mogen wegen dan het belang van eiseres. Het college heeft zich in dit kader navolgbaar op het standpunt gesteld dat de zuil, die drie keer zo hoog zou worden als de bestaande zuil en een stuk breder, visueel dominant aanwezig is en afbreuk doet aan de ruimtelijke samenhang en de beleving van het woonkarakter, omdat de hoogte en de massa van de zuil de omliggende woonbebouwing overstijgen. Het college heeft daarbij mogen betrekken dat het perceel onderdeel uitmaakt van een historisch lint met een overwegend woonkarakter. De rechtbank verwijst naar wat hiervoor werd overwogen over de welstandstoetsing.
De beroepsgrond slaagt niet.Voorkeursbehandeling [bedrijfsnaam 2]
9. Eiseres betoogt dat uit het toestaan van een nabijgelegen bouwproject van een fabriek van [bedrijfsnaam 2] door het college blijkt dat het kleinere bouwplannen strenger toetst aan de criteria van ETFAL dan grotere bouwplannen.
De rechtbank overweegt dat het bouwplan van de zuil van eiseres en het voorgenomen bouwproject van [bedrijfsnaam 2] losse projecten zijn. In beide gevallen zal afzonderlijk een ruimtelijke toets door het college (dan wel de gemeenteraad) moeten plaatsvinden en in beide gevallen kan de rechter deze toets beoordelen. De rechtbank ziet in het betoog van eiseres geen aanleiding om aan te nemen dat er een vast beleid is dat lokale ondernemingen met kleine bouwplannen benadeelt ten opzichte van grotere bedrijven met grotere plannen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering van de omgevingsvergunning van kracht blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.