RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/5586
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats], vergunninghouder
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een omgevingsvergunning voor het vergroten en veranderen van de woning aan [adres 1]. Verzoeker is het niet eens met deze omgevingsvergunning en wil dat deze geschorst wordt totdat is beslist op zijn bezwaar. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vergroten en veranderen van de woning aan [adres 1] door het plaatsen van een dubbellaagse uitbouw, het maken van doorbraken, het plaatsen van een gemetselde erfafscheiding met hekwerk aan de voorzijde en het wijzigen van kozijnen in de voorgevel.
Met het bestreden besluit van 10 juni 2026 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college, vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Achtergrond
3. Vergunninghouder is de eigenaar van de woning aan [adres 1]. Hij wil deze woning vergroten door het realiseren van een dubbellaagse uitbouw aan de zijkant van de woning. Verzoeker woont aan [adres 2] en maakt zich zorgen over de effecten van het bouwplan op zijn woon- en leefomgeving. Verzoeker vreest met name voor een afname van zonlicht in zijn woning en voor aantasting van zijn privacy, omdat de ramen van de uitbouw uitkijken op zijn woning. Hij heeft daarom bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
Aangezien vergunninghouder reeds is gestart met de bouwwerkzaamheden en de uitkomst van de bezwaarprocedure niet wil afwachten, acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang gegeven.
Mocht worden afgeweken van het omgevingsplan?
5. Ter plaatse geldt het “Omgevingsplan gemeente Den Haag”. Het voorheen geldende bestemmingsplan “Schilderswijk” maakt deel uit van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan.1 De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben de bestemming “Wonen”.
Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de bouwregels van het omgevingsplan, nu de uitbouw deels buiten het bouwvlak is voorzien en de erfafscheiding aan de voorzijde de maximaal toegestane bouwhoogte overschrijdt.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor deze strijdigheden geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid bestaat. Voor het bouwplan is daarom een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit2 vereist.
Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
De voorzieningenrechter zal beoordelen of het college zich naar voorlopig oordeel op het standpunt heeft mogen stellen dat de realisatie van het bouwplan voldoet aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter zal dit doen aan de hand van de door verzoeker aangedragen gronden.
Woon- en leefomgeving
6. Verzoeker voert aan dat het vergunde bouwplan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefomgeving. Verzoeker vreest met name voor een afname van zijn privacy en lichtinval door de te plaatsen dubbellaagse uitbouw met ramen. Volgens verzoeker zijn deze gevolgen voor zijn woon- en leefomgeving niet door het college meegewogen bij het verlenen van de omgevingsvergunning.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wijst verzoeker er terecht op dat de effecten van het bouwplan op zijn woon- en leefomgeving niet inzichtelijk zijn gemaakt in het bestreden besluit. Gelet op artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl had dit wel gemoeten. Dit zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek leidt echter niet tot toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat dit gebrek in het bestreden besluit zich naar voorlopig oordeel leent voor herstel in de bezwaarfase. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een bouwplan dat in strijd is met het Omgevingsplan, mag het college gewicht toekennen aan de maximale bouwmogelijkheden die het omgevingsplan biedt. Dit is van belang voor de vraag of realisatie van het bouwplan in strijd is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit het kaartmateriaal in het dossier en uit de toelichting van vergunninghouder ter zitting is gebleken dat de overschrijding van het bouwvlak beperkt is tot een smalle strook aan de lange zijde van de uitbouw en tot een zeer geringe oppervlakte aan de straatkant. De rest van het bouwplan wordt binnen het bouwvlak gebouwd en verzoeker heeft niet gemotiveerd betwist dat het bouwplan voldoet aan de daar geldende bouwregels. Dat betekent dat de overschrijding van het bouwvlak beperkt is en bovendien niet plaatsvindt aan de zijde van het achtererf bij de woning van verzoeker, waar de nadelige effecten van de uitbouw zich volgens verzoeker voordoen. De voorzieningenrechter acht het voorshands aannemelijk dat bij benutting van de maximale bouwmogelijkheden die het omgevingsplan biedt – dat wil zeggen: zonder dat het bouwvlak wordt overschreden – een bouwwerk kan worden gerealiseerd dat nagenoeg dezelfde effecten op de woon- en leefomgeving van verzoeker heeft als het bouwplan dat nu is vergund. Niet in geschil is immers dat het bouwvlak volledig mag worden bebouwd en dat hier een maximale bouwhoogte van 8 meter geldt. De door verzoeker gestelde aantasting van zijn woon- en leefomgeving is daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet toe te schrijven aan de delen van het bouwplan die in afwijking van het omgevingsplan zijn vergund, maar veeleer aan het deel van het bouwplan dat binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd. Onder die omstandigheden acht de voorzieningenrechter het voorshands niet aannemelijk dat het betoog van verzoeker over de aantasting van zijn woon- en leefomgeving zal leiden tot herroeping van het bestreden besluit in de bezwaarfase. De voorzieningenrechter neemt hierbij in overweging dat het college in de bezwaarfase de mogelijkheid heeft om de motivering van het bestreden besluit nader aan te vullen.
Stedenbouwkundige uitstraling
7. Verzoeker betoogt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of het bouwplan – zowel aan de voor- als de achterzijde – past binnen de stedenbouwkundige uitstraling van de wijk, de architectonische samenhang en de redelijke eisen van welstand. Hij wijst er onder meer op dat het bouwplan de bestaande openheid van het terrein achter de woningen doorbreekt en dat de gemetselde erfafscheiding met hekwerk aan de voorzijde en het plaatsen van nieuwe kozijnen een aantasting vormen van het straatbeeld en het karakter van de omgeving.
De voorzieningenrechter volgt dit betoog van verzoeker niet. Het college heeft in het bestreden besluit verwezen naar het advies van de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed Den Haag (de adviescommissie). Daarin wordt geconcludeerd dat de kozijnwijzigingen, de zij-uitbouw en het nieuwe hekwerk op de erfscheiding passend zijn bij de bestaande architectuur. Verder zijn de kozijnwijzigingen in de voorgevel volgens de adviescommissie een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie en sluiten deze qua opzet en vormgeving voldoende aan op andere kozijnvervangingen in de straat. Ook sluit de zijuitbouw qua opzet en vormgeving aan op het bestaande pand en sluit het hekwerk op de erfgrens logisch aan op de hoogte van de kenmerkende metselwerk penanten aan weerszijden hiervan. Verzoeker heeft weliswaar duidelijk gemaakt dat hij het niet eens is met de afwegingen die het college heeft gemaakt, maar hij heeft zijn standpunt hierover niet met concrete gegevens onderbouwd. Ook heeft hij geen advies van een deskundige overgelegd waarmee twijfel wordt gezaaid over de juistheid van het advies van de adviescommissie. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college dit advies daarom ten grondslag mogen leggen aan de verleende omgevingsvergunning.
Precedentwerking
8. Voor zover verzoeker betoogt dat de verleende omgevingsvergunning een ongewenst precedent kan scheppen, overweegt de voorzieningenrechter dat bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, steeds moet worden beoordeeld of het bouwplan in overeenstemming is met het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl. Dat in dit geval het bouwplan niet in strijd is geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, betekent niet dat toekomstige aanvragen voor andere bouwplannen ook ingewilligd zullen worden. Ook hierbij is van belang dat het omgevingsplan op dit perceel al ruime bouwmogelijkheden biedt en dat het vergunde bouwplan slechts in beperkte mate met de bouwregels van het omgevingsplan in strijd is. Dat de vergunde geringe overschrijding van het bouwvlak tot ongewenste precedentwerking zal leiden, heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt.
Conclusie en gevolgen
9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bezwaargronden van verzoeker naar verwachting niet zullen leiden tot herroeping van het bestreden besluit in de bezwaarprocedure. Dat betekent dat het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit moet worden afgewezen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.