RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/6169 en 25/7633
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2026 in de zaken tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
SGR 25/6169
het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem, het college
(gemachtigde: mr. R. van der Plas en mr. G. Josseling)
SGR 25/7633
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, gedeputeerde staten
(gemachtigde: mr. H.L. Barnhoorn).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van twee handhavingsverzoeken door het college en gedeputeerde staten. Eiser heeft het college en gedeputeerde staten gevraagd handhavend op te treden ten aanzien van de beweegbaarheid van een aantal bruggen op de Rijpwetering. Eiser is het niet eens met de afwijzingen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college en gedeputeerde staten de handhavingsverzoeken hebben mogen afwijzen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 5 november 2024 heeft eiser het college verzocht om handhavend op te treden tegen de belemmering van de doorvaarbaarheid de Rijpwetering doordat een aantal bruggen niet open kunnen.
Bij besluit van 8 mei 2025 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen (primair besluit I). Met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college de bezwaren kennelijk ongegrond verklaard en is het bij de afwijzing gebleven (bestreden besluit I).
Daarnaast heeft eiser op 30 januari 2025 bij gedeputeerde staten een vergelijkbaar handhavingsverzoek ingediend.
Bij besluit van 14 april 2025 hebben de gedeputeerde staten het handhavingsverzoek afgewezen (primair besluit II). Met het bestreden besluit van 16 september 2025 op het bezwaar van eiser zijn gedeputeerde staten bij de afwijzing gebleven (bestreden besluit II).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Verweerder en het college hebben beiden een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van gedeputeerde staten en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
De bestreden besluiten
3. Eiser woont aan [adres] in [plaats] en heeft twee handhavingsverzoeken ingediend, eerst bij het college en vervolgens bij gedeputeerde staten, om handhavend op te treden de belemmering van de doorvaarbaarheid van de Rijpwetering doordat een aantal bruggen niet open kunnen/ niet bedienbaar zijn. Volgens eiser moeten deze bruggen beweegbaar zijn op grond van regelgeving en conform verleende vergunningen. Voorheen was het mogelijk om van Kaag naar Braassem te varen omdat alle bruggen beweegbaar waren. Dat is niet meer mogelijk.
SGR 25/6169
Het college heeft het handhavingsverzoek op 15 januari 2025 doorgezonden naar gedeputeerde staten.
Het college heeft het handhavingsverzoek vervolgens met het primaire besluit I afgewezen. Volgens het college bestaat geen wettelijk voorschrift op basis waarvan handhavend kan worden opgetreden. De artikelen 7.78 en 7.79 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening geven weliswaar instructieregels voor gemeentes om in de omgevingsplannen rekening te houden met het voorkomen van belemmeringen van de recreatieve bevaarbaarheid van vaarwegen, zoals de Rijpwetering, maar op dit moment zijn er over doorvaarbaarheid van de Rijpwetering en de beweegbaarheid van bruggen geen regels opgenomen in het omgevingsplan. Het college heeft op grond van het overgangsrecht bij de invoering van de Omgevingswet tot 1 januari 2032 de tijd op het omgevingsplan in overeenstemming te brengen met deze instructieregels. De instructieregels zelf bevatten geen bepalingen op basis waarvan handhavend kan worden opgetreden.
Het college is met het bestreden besluit I bij de afwijzing in het primaire besluit I gebleven. Ten aanzien van de stelling van eiser in bezwaar, dat de lange implementatietermijn van de instructieregels en daarmee gepaard gaande rechtsonzekerheid zich slecht verhoudt tot de afgegeven vergunningen en de onderhoudsplicht van de bruggen, overweegt het college dat eiser geen vergunningen heeft overgelegd waaruit een handhaafbare plicht tot beweegbaarheid van de bruggen blijkt.
SGR 25/7633
Gedeputeerde staten hebben het verzoek met het primaire besluit II afgewezen. Volgens gedeputeerde staten bestaat er geen wettelijk voorschrift op basis waarvan gedeputeerde staten handhavend kan optreden ten aanzien van de doorvaarbaarheid van en beweegbaarheid van bruggen over de Rijpwetering. Tot 2014 had de provincie een zorgplicht ten aanzien van het bevaarbaar houden van recreatieve vaarwegen, waaronder ook de Rijpwetering. Op grond van de Vaarwegverordening Zuid-Holland 1987 gold ook voor recreatieve vaarwegen een verbod om zonder ontheffing werken aan te leggen over een vaarweg, zoals het aanbrengen van een brug. In 2014 hebben gedeputeerde staten hun verantwoordelijkheid voor het instellen van verboden en het waarborgen van vlot en veilig scheepvaartverkeer beperkt tot provinciale vaarwegen en hebben zij de verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de bevaarbaarheid van de kleinere recreatieve vaarwegen, zoals de Rijpwetering, met de Verordening ruimte 2014 en vanaf 2019 met de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bij de gemeente neergelegd. In de Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015 zijn de niet-provinciale vaarwegen, zoals de Rijpwetering, daarom niet meer opgenomen. De gemeente heeft tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan in overeenstemming te brengen met de in de artikelen 7.78 en 7.79 van de Zuid Hollandse Omgevingsverordening opgenomen instructieregels. De provincie kan niet handhavend optreden op basis van deze instructieregels.
Met het bestreden besluit II zijn gedeputeerde staten bij het primaire besluit II gebleven, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie. Voor zover er door gedeputeerde staten ontheffingen zijn verleend voor de bruggen op deze vaarwegen met voorschriften ten aanzien van de beweeglijkheid zijn die verleend onder een oud juridisch kader zoals dat gold tot 2014. Nu er geen sprake is van overgangsrecht is er geen bevoegdheid van gedeputeerde staten om handhavend op te treden tegen een overtreding van een ontheffing die op basis van een inmiddels vervallen grondslag is verleend. Gedeputeerde staten hebben slechts een controlerende taak ten aanzien van deze niet-provinciale vaarwegen, die inhoudt dat gedeputeerde staten toetsen of de gemeenteraad de belangen van doorvaarbaarheid voldoende heeft erkend en daar op een goede manier rekening mee houdt in het omgevingsplan. Deze controlerende taak kan pas tot uitvoering worden gebracht zodra de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 7.79 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, in het omgevingsplan regels ter voorkoming van belemmering van de bevaarbaarheid van recreatieve vaarwegen opneemt.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een handhavingsverzoek is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
De handhavingsverzoeken zijn gedaan op 5 november 2024 en 30 januari 2025. Dat betekent dat in dit geval de Ow van toepassing is.
Het toetsingskader
5. Op grond van artikel 5:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder overtreding verstaan: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Op grond van artikel 5:4, eerste lid, van de Awb bestaat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie slechts voor zover zij bij de wet is verleend.
Op grond van artikel 3.2.2., eerste lid, aanhef en onder b, van de Vaarwegenverordening Zuid-Holland 1987, zoals die luidde tot 26 januari 2016, is het een ieder verboden in, over of onder een vaarweg of ter plaatse van een nieuw aan te leggen vaarweg werken te maken, aan te brengen, te hebben, te herstellen of te vernieuwen. Op grond van artikel 4.1.2. kon door of namens gedeputeerde staten van dat verbod ontheffing verlenen. Deze bepalingen golden ook voor de in bijlage B opgenomen vaarwegen, waaronder de Rijpwetering. In de opvolgende Vaarwegverordening Zuid Holland 2015 zijn deze regelingen voor niet-provinciale vaarwegen niet teruggekomen. De Vaarwegverordening 2015 is in verband met de inwerkingtreding van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening per 1 april 2019 vervallen.
Op grond van artikel 7.78 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (Omgevingsverordening) vallen de wateren waar het handhavingsverzoek op ziet, zoals de Rijpwetering, onder het ‘recreatietoervaartnet’.
Op grond van artikel 7.79 van de Omgevingsverordening houdt een omgevingsplan voor het recreatietoervaartnet rekening met het voorkomen van belemmeringen van de recreatieve bevaarbaarheid van de vaarweg en is zo mogelijk gericht op verbetering en versterking van de bevaarbaarheid of de recreatieve waarden van de vaarweg.
Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op de vaarwegen waar het handhavingsverzoek op ziet, was ten tijde hier in geding het bestemmingsplan ‘Oud Ade en Rijpwetering’ van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem (omgevingsplan). Op grond van het Koninklijk besluit van 10 juli 2023, Stbl. 2023, 267, dienen gemeentes uiterlijk 1 januari 2032 te voldoen aan de verplichting om een omgevingsplan vast te stellen als bedoeld in artikel 2.4. van de Ow.
Blijkens de planregels van het bestemmingsplan ‘Oud Ade en Rijpwetering’ hebben de gronden waar het handhavingsverzoek (bij het college) op ziet de bestemming Verkeer (artikel 10), ‘Water’ (artikel 11) en Waterstaat-Waterkering (artikel 20)
Is er een bevoegdheid om handhavend op te treden?
6. Eiser betoogt dat de bevoegdheid omtrent de handhaving van de doorvaarbaarheid van de vaarwegen niet zo maar kan verdwijnen. Het kan niet zo zijn dat gedeputeerde staten in 2014 hun bevoegdheid laten vervallen en overdragen aan het college, dat tot 2032 de tijd krijgt om handhaafbare regels op te nemen in het omgevingsplan. Volgens eiser kunnengedeputeerde staten hun bevoegdheid om handhavend op te treden niet verliezen, zolang deze niet is overgedragen aan de gemeente. Omdat de bevoegdheid nog niet is overgedragen, zijn gedeputeerde staten verantwoordelijk voor de doorvaarbaarheid van de vaarwegen en beweegbaarheid van de bruggen. Bovendien is de gemeente eigenaar van twee van de bruggen waar het verzoek op ziet, de Paardebrug en Zwanenbrug, die niet beweegbaar zijn. Ten aanzien van die bruggen is de gemeente wel degelijk verantwoordelijk voor de beweegbaarheid.
De rechtbank beoordeelt of de belemmering van de doorvaarbaarheid van de Rijpwetering doordat bruggen niet beweegbaar zijn een overtreding oplevert van een wettelijk voorschrift waartegen het college en/of gedeputeerde staten handhavend kunnen optreden. Zonder het bestaan van een overtreding zijn het college en gedeputeerde staten immers niet bevoegd tot handhavend optreden.
Ten aanzien van de bevoegdheid van het college
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de planregels in het bestemmingsplan ‘Oud Ade en Rijpwetering’, geen regels bevatten over de doorvaarbaarheid en beweegbaarheid van bruggen. De rechtbank is daarvan ook niet gebleken. Het college dient op grond van de instructieregels van de artikelen 7.78 en 7.79 van de Omgevingsverordening bij de vaststelling van een omgevingsplan voor het recreatietoervaartnet rekening te houden met het voorkomen van belemmeringen van de recreatieve bevaarbaarheid van vaarwegen die behoren tot het recreatietoervaartnet, waar de Rijpwetering onder valt. Er is echter nog geen omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4. van de Ow vastgesteld. Het college heeft daarvoor nog de tijd tot uiterlijk 1 januari 2032. Dat betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen bevoegdheid is om handhavend op te treden. Dat de gemeente eigenaar is van de Paardebrug en de Zwanenbrug, doet daar niet aan af. Uit dit eigenaarschap kan immers geen publiekrechtelijke verplichting worden afgeleid de bruggen beweegbaar te houden.
Ten aanzien van de bevoegdheid van gedeputeerde staten
7. De rechtbank is van oordeel dat ook gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt stellen dat er geen bevoegdheid is om handhavend op te treden. De rechtbank stelt vast dat in de Vaarwegenverordening Zuid-Holland 1987 een verbod en een ontheffingsplicht voor het aanleggen van bruggen was opgenomen, die ook gold voor de Rijpwetering. In 2016 is deze regeling echter komen te vervallen, zodat die Vaarwegverordening geen wettelijke basis meer kan vormen om handhavend op te treden tegen niet beweegbare bruggen over de Rijpwetering. Met de instructieregels in de artikelen 7.78 en 7.79 van de Omgevingsverordening heeft de provincie de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van belemmeringen van de bevaarbaarheid van recreatieve vaarwegen, zoals de Rijpwetering, aan de gemeente overgedragen. Dat de gemeenteraad nog geen omgevingsplan heeft vastgesteld waarin rekening is gehouden met deze instructieregels, betekent niet dat gedeputeerde staten op grond van die instructieregels handhavend kunnen optreden. Deze instructieregels bevatten immers geen bindende regels ten aanzien van bevaarbaarheid en beweegbaarheid van bruggen voor recreatieve vaarwegen, op basis waarvan gedeputeerde staten handhavend kunnen optreden. Evenmin kan eiser gevolgd worden in zijn stelling dat gedeputeerde staten de bevoegdheid om te handhaven op basis van de Vaarwegverordening zouden behouden totdat de gemeenteraad een omgevingsplan heeft vastgesteld. De Vaarwegverordening en de daarin opgenomen verbodsbepaling en ontheffingsplicht zijn immers vervallen. Voor zover op basis van die Vaarwegverordening in het verleden ontheffingen zijn verleend voor bruggen met voorschriften ten aanzien van beweegbaarheid, zoals door eiser gesteld, bestaat geen grondslag meer om daartegen op basis van de vervallen Vaarwegverordening handhavend op te treden. De rechtbank volgt het college en gedeputeerde staten daarom in hun stellingname dat er ten tijde van het bestreden besluit geen concrete rechtsregel was op basis waarvan handhavend kan worden opgetreden.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat het college en gedeputeerde staten terecht hebben geconcludeerd dat de belemmering van de doorvaarbaarheid van de Rijpwetering, doordat bruggen niet beweegbaar zijn, geen overtreding oplevert van een wettelijk voorschrift waartegen zij handhavend kunnen optreden. Het betoog van eiser slaagt niet.
Voor zover eiser betoogt dat oeveroverspanningen over de onderhavige vaarwegen vergunningsplichtig zijn op grond van artikel 9.18 van de Waterschapsverordening “De Rijnlandse Keur”, overweegt de rechtbank dat eventuele overtreding van de Waterschapsverordening geen grondslag voor handhaving voor het college of de gedeputeerde staten kan zijn. Indien eiser van mening is dat ten aanzien van bruggen over de onderhavige vaarwegen op grond van de Waterschapsverordening regels gelden over doorvaarbaarheid of een ontheffing is verleend waarin een voorwaarde over de beweegbaarheid van de brug is opgenomen, staat het hem vrij om een handhavingsverzoek in te dienen bij het Hoogheemraadschap van Rijnland.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het college en gedeputeerde staten de handhavingsverzoeken terecht hebben afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.