RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/710917 / JE RK 26-1456 en C/09/711442 / JE RK 26-1510
Datum uitspraak: 4 september 2026
Beschikking van de kinderrechter tot bekrachtiging van schriftelijke aanwijzingen
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over de minderjarigen
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] , hierna te noemen de vader.
1 Het verloop van de procedure
Op 12 augustus 2026 heeft de rechtbank het verzoekschrift met bijlagen ontvangen dat is geregistreerd met zaaknummer C/09/710917 / JE RK 26-1456.
Op 24 augustus 2026 heeft de rechtbank het verzoekschrift met bijlagen ontvangen dat is geregistreerd met zaaknummer C/09/711442 / JE RK 26-1510.
De verzoeken zijn gecombineerd behandeld ter zitting met gesloten deuren op [geboortedatum 2] 2026. Daarbij was [naam] namens de gecertificeerde instelling aanwezig. De vader is kort na aanvang van de zitting verschenen, waarna de kinderrechter de vader als informant heeft aangemerkt en hij bij het vervolg van de zitting aanwezig is geweest.
De moeder is voor de zitting opgeroepen maar niet verschenen.
2 De feiten
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij de moeder.
Bij beschikking van 24 april 2026 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd tot 9 november 2026 en voor het overige deel aangehouden. Bij die beschikking is een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen.
3 De verzoeken
De gecertificeerde instelling verzoekt de schriftelijke aanwijzing van 27 juli 2026 te bekrachtigen.1 De schriftelijke aanwijzing is gericht aan de moeder en gaat over het accepteren van opvoedondersteuning door Groeii bij de moeder thuis. In de schriftelijke aanwijzing zijn onder meer concrete data en tijden van zes huisbezoeken opgenomen ter observatie van het gezin.
De gecertificeerde instelling verzoekt ook om de schriftelijke aanwijzing van 13 augustus 2026 te bekrachtigen.2 De schriftelijke aanwijzing is gericht aan de moeder en gaat over de dagbehandeling van [de minderjarige 2] bij Ipse de Bruggen. In de schriftelijke aanwijzing is een stappenplan opgenomen om het vertrouwen tussen de moeder en Ipse de Bruggen te herstellen en de dagbehandeling van [de minderjarige 2] te hervatten. Ter zitting is verklaard dat het herstelgesprek – de eerste stap en een voorwaarde vanuit Ipse de Bruggen om [de minderjarige 2] weer te kunnen opnemen – is gepland op 8 oktober 2026 om 15:00 uur.
4 De beoordeling
De kinderrechter stelt vast dat het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 27 juli 2026 is ingediend na het verstrijken van de termijn van de moeder om tegen de schriftelijke aanwijzing in beroep te gaan (twee weken strekkende tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing). Ten aanzien van het verzoek over de schriftelijke aanwijzing van 13 augustus 2026 is dat niet het geval, maar de beroepstermijn is ten tijde van de behandeling van het verzoek wel ruimschoots verstreken. De kinderrechter stelt daarom vast dat de gecertificeerde instelling kan worden ontvangen in beide verzoeken.
Schriftelijke aanwijzing over opvoedondersteuning door Groeii
De kinderrechter moet toetsen of de gecertificeerde instelling in redelijkheid had mogen overgaan tot het geven van de schriftelijke aanwijzing aan de moeder. Naar het oordeel van de kinderrechter is dat het geval. De kinderrechter vindt dat de schriftelijke aanwijzing valt binnen de uitvoering van de taak van de gecertificeerde instelling en gaat over de verzorging en opvoeding van de kinderen. De gecertificeerde instelling moet zorgen dat aan de kinderen en de moeder (de ouder met gezag) passende hulp en steun worden geboden.3 Om dat te kunnen doen moet de gecertificeerde instelling zicht krijgen op de situatie waarin Maedow en [de minderjarige 2] opgroeien, waaronder hoe het gaat bij hen thuis. Pas dan kan de gecertificeerde instelling een goede inschatting maken welke hulp en steun nodig is om de bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen (de reden dat de kinderen onder toezicht staan) te doen wegnemen. Uit de verslaglegging blijkt dat de moeder kenbaar heeft gemaakt daaraan niet (volledig) te willen meewerken. Op de in de aanwijzing genoemde momenten was de moeder niet thuis of deed zij niet open. De kinderrechter heeft er begrip voor dat de observatiemomenten spanning oproepen bij de moeder en belastend zijn, want het is ook een inbreuk op haar leven. De kinderrechter wil de moeder evenwel voorhouden dat haar weigerachtige houding de nodige samenwerking in de weg staat. Zoals overwogen in de vorige beschikking over de ondertoezichtstelling is het noodzakelijk dat een aantal zaken doorgang vinden, waaronder de huisbezoeken van Groeii. Anders kunnen de zorgen over de kinderen onvoldoende worden ontkracht. Overigens is naar het oordeel van de kinderrechter duidelijk door de gecertificeerde instelling uitgelegd dat de huisbezoeken op verschillende momenten moeten plaatsvinden om zo een goed beeld te geven van het gezinsleven, omdat ieder gezin gedurende de dag anders functioneert. De kinderrechter kan die motivering goed volgen en vindt deze niet onredelijk.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing van 27 juli 2026 bekrachtigen, in die zin dat de kinderrechter de noodzaak van de hulpverlening van Groeii in de vorm van huisbezoeken – ook op verschillende momenten op de dag – onderschrijft. De in de schriftelijke aanwijzing opgenomen data en tijden zijn inmiddels verstreken, waardoor het in de rede ligt dat de gecertificeerde instelling een nieuw voorstel doet richting de moeder.
Schriftelijke aanwijzing over dagbehandeling [de minderjarige 2]
Ook ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing over [de minderjarige 2] is de kinderrechter van oordeel dat de gecertificeerde instelling bevoegd was de schriftelijke aanwijzing te geven. [de minderjarige 2] staat onder toezicht omdat er ernstige zorgen zijn over zijn ontwikkeling, dus de gecertificeerde instelling heeft de taak om hulpverlening in te zetten die deze zorgen kan verminderen. De gecertificeerde instelling is van mening dat de dagbehandeling bij Ipse de Bruggen passend is en dat er geen betere plek beschikbaar is. In de voorgaande beschikking over de ondertoezichtstelling is de dagopvang van [de minderjarige 2] benoemd als iets wat doorgang moet vinden. Nu de dagbehandeling is gestopt na een incident tussen de moeder en Ipse de Bruggen, heeft de gecertificeerde instelling in redelijkheid de aanwijzing gegeven om deze dagbehandeling te hervatten, omdat [de minderjarige 2] daar belang bij heeft. Tijdens het herstelgesprek kan de moeder haar angsten bespreekbaar maken, zodat kan worden gekeken naar een oplossing. Niettemin zal de moeder ook moeten accepteren dat er mannen werken in de zorg. Deze mannen zijn net zo gekwalificeerd als de vrouwen. Als dit een dieperliggende angst van de moeder is, dan zal zij daarmee zelf aan de slag moeten.
Op basis van het voorgaande zal de kinderrechter ook de schriftelijke aanwijzing van 13 augustus 2026 bekrachtigen. De kinderrechter drukt de moeder op het hart om naar het herstelgesprek te gaan, zodat er weer stappen kunnen worden gezet in het belang van [de minderjarige 2] .
5 De beslissing
De kinderrechter:
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 27 juli 2026;
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 13 augustus 2026.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier, en op schrift gesteld op 21 september 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.4