RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/709896 / JE RK 26-1336
Datum uitspraak: 3 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader], hierna te noemen de vader.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 juli 2026;
-
het thuisplaatsingsplan van de gecertificeerde instelling van 21 augustus 2026.
-
het bericht van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 31 augustus 2026;
-
de pleitaantekeningen die de gecertificeerde instelling tijdens de zitting heeft overgelegd;
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- [naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
2 De feiten
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een gezinshuis.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 24 december 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 april 2026 een machtiging verleend [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 6 september 2026.
3 Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt, na verduidelijking ter zitting te hebben gegeven met betrekking tot de categorie van de machtiging, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.
De zorgen over de kinderen zijn in de afgelopen periode toegenomen. De moeder is sinds de uithuisplaatsing van haar andere twee kinderen, [minderjarige 3] en [minderjarige 4], uit contact getreden voor de gecertificeerde instelling. Ook reageert zij nauwelijks op de contactpogingen van Voorkomen Uithuisplaatsing (hierna: VUHP). De gecertificeerde instelling heeft hiernaast vernomen dat de moeder vorige week niet naar de dialyse is geweest en haar medicatie heeft weggegooid. Ook de zorgen hierover bij de grootmoeder moederszijde en de stiefgrootvader zijn erg groot. De moeder schijnt deze week weer wel naar de dialyse te zijn geweest maar heeft eerder ook uitspraken gedaan over het niet meer willen dialyseren. De gecertificeerde instelling leest hierin dat dit een manier is van haar haar leven te beëindigen. Dit kan zij echter niet bij de moeder verifiëren omdat uit contact is getreden. Het enige dat de gecertificeerde nu voor de moeder kan doen is de hulpverlening en/of instanties rondom de moeder informeren over de gerezen zorgen. Zo is er contact gezocht met de huisarts, de politie, [zorginstantie 1] en [zorginstantie 2]. Het is hierbij echter niet duidelijk of de moeder hier voor haar verslavingsproblematiek en brede diagnostiek nog komt. Hierdoor is er bij de gecertificeerde instelling ook geen zicht op mogelijk middelengebruik van de moeder. Het baart de gecertificeerde instelling verder zorgen dat de moeder [minderjarige 3] en [minderjarige 4] nog niet heeft willen zien. [minderjarige 3] mist de moeder, wat de moeder weet. Zij komt echter tot afspraken over bezoeken. Wel weet de gecertificeerde instelling dat de moeder [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een dag voor de zitting nog heeft gezien en dat dit goed is verlopen. Op 2 oktober 2026 stopt VUHP. VUHP is echter al een lange tijd betrokken en heeft aangegeven dat zij te weinig wijzigingen zien in het patroon van de moeder. De verslaving van de moeder staat nog voorop, zij trekt zich terug en zij volgt adviezen niet op. Dat VUHP stopt, is een grote stap terug voor het vervolg in het traject. Zij blijken de enige organisatie te zijn die het halen en brengen tussen de moeder en de twee gezinshuizen van alle kinderen van de moeder kunnen verzorgen. Hier is binnen de hulpverlening geen alternatief voor. De gecertificeerde instelling overweegt dan ook de grootouders hierin te betrekken om te zien wat zij hierin kunnen betekenen. Tevens zal worden gekeken hoe kan worden georganiseer dat de kinderen de grootouders kunnen zien, ook als de moeder de omgang zelf niet of niet meer uitvoert en hier geen akkoord voor zou geven. De gecertificeerde instelling dient binnen een maand zal opnieuw een besluit te nemen over het doen van een verzoek voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing. Hierbij zal ook de aanvaardbare termijn van de kinderen en alle zorgen die dit wellicht bij moeder kan activeren een aandachtspunt zijn. Op dit moment heeft de moeder onvoldoende ziekte-inzicht en accepteert zij de noodzakelijke hulpverlening niet, wat maakt dat de gecertificeerde instelling persisteert in haar verzoek. De gecertificeerde instelling wil in de komende periode inzetten op hulpverlening en diagnostiek van [zorginstantie 2] en wil dat er iemand, eventueel los van de gecertificeerde instelling, naast de moeder komt te staan om haar te kunnen ondersteunen en motiveren.
4 De standpunten
De advocaat van de moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder erkent dat een thuisplaatsing in de huidige situatie niet haalbaar is en dat er nog veel stappen moeten worden gezet. De moeder erkent dat zij drie keer gestopt was met haar dialyse en dat zij hier uit verdriet uitspraken over heeft gedaan en dat dit niet handig was, maar stelt dat zij dit hierna niet meer heeft gedaan en ook niet meer zal doen. De advocaat van de moeder heeft besproken met de moeder dat het van belang is dat zij in de komende maanden aan de slag gaat met haarzelf. De moeder zal opnieuw contact opnemen met [zorginstantie 2] om een breed onderzoek te laten uitvoeren en zij zal de hulpverlening accepteren. De moeder blowt nu nog dagelijks, wat [zorginstantie 2] ook zou kunnen oppakken in de vorm van een detox. De advocaat van de moeder en de moeder hebben ook besproken dat het van belang is dat het contact tussen de moeder en de gecertificeerde instelling wordt hersteld, waar de advocaat van de moeder ook aan wil bijdragen. Verder heeft de moeder bij de advocaat van de moeder juist aangegeven dat zij de frequentie van de omgang met de kinderen te weinig vindt, waardoor de advocaat van de moeder verbaasd is nu zij hoort dat de moeder de geplande afspraken niet is nagekomen. De advocaat van de moeder zal dit dan ook met de moeder oppakken.
5 De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.1 De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, blijkt dat er zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de moeder. Deze zorgen hebben met name betrekking op haar psychische kwetsbaarheid, middelengebruik en lichamelijke gezondheid. De zorgen zijn toegenomen na de zitting van 26 augustus 2026 die betrekking had op de uithuisplaatsing van de andere twee kinderen van de moeder, waarna de moeder uit contact is getreden en niet tot nauwelijks meer bereikbaar was voor de betrokken hulpverleningsinstanties. De moeder is hierna tevens niet naar al haar dialyseafspraken gegaan en heeft hierover zorgelijk uitspraken gedaan. De moeder zou weer dagelijks blowen en is ambivalent in het nakomen van de omgangsafspraken met haar kinderen. De kinderrechter vindt het positief om te horen van de advocaat van de moeder dat de moeder de zorgen erkent en dat zij heeft toegezegd aan zichzelf te werken en haar persoonlijke hulpverlening op te pakken. Op dit moment blijkt echter onvoldoende dat de moeder daadwerkelijk in staat is en zich ervoor inzet om de verzorging en opvoeding van de kinderen op een veilige en verantwoorde manier te waarborgen. Voor de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen is het daarom noodzakelijk dat zij in het gezinshuis verblijven. Daar wordt hun de benodigde structuur, duidelijkheid en veiligheid geboden. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen verlenen tot het einde van de ondertoezichtstelling, te weten 24 december 2026.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening tot 24 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 22 september 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.