Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/712044 / KG ZA 26-960
Vonnis in kort geding van 24 september 2026
in de zaak van
1 CAPILEX B.V. te Vught,
2. [eisers sub 2] B.V. te [vestigingsplaats],
3. [eisers sub 3] te [woonplaats]
eisers,
advocaat: mr. S.K. Tuithof,
tegen:
MUNT HYPOTHEKEN B.V. te Den Haag,
gedaagde,
verschenen bij haar statutair bestuurder [naam] en gevolmachtigde mr. P. Hoogendoorn.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Capilex’, ‘[eisers sub 2]’, ‘[eisers sub 3]’ en ‘MUNT’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 september 2026, met producties 1 tot en met 8, en de nadien overgelegde producties 9 tot en met 14;
- de door MUNT overgelegde conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 32;
- de door beide partijen overgelegde pleitnotities.
Op 10 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[eisers sub 3] is advocaat en hij is middellijk bestuurder van [eisers sub 2], een vennootschap die zich bezighoudt met de uitoefening van de advocatenpraktijk.
Voor de financiering van een in 2019 door [eisers sub 3] aangekochte woonboerderij aan de [adres] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak) heeft [eisers sub 3] van MUNT een lening ontvangen van € 820.200. In een notariële akte van 30 augustus 2019 is, tot zekerheid voor de betaling van die lening, een eerste recht van hypotheek ten behoeve van MUNT gevestigd. De lening is nadien verhoogd met € 73.865,40, waarna bij notariële akte van 10 juni 2020 een tweede recht van hypotheek ten gunste van MUNT is gevestigd.
[eisers sub 3] wenst zijn advocatenkantoor uit te breiden en hij heeft daarvoor financiering nodig, met name voor de opleidingskosten voor beginnende advocaten, die door [eisers sub 2] moeten worden betaald, en voor het vergroten en het inrichten van het kantoor. Capilex is bereid om een lening van € 93.000 aan [eisers sub 2] te verstrekken, met een looptijd van twaalf maanden en tegen een rente van 1% per maand. Op 23 maart 2026 heeft Capilex aan [eisers sub 2] een ‘Conditioneel voorstel’ gedaan, waarin de volgende zekerheden zijn bedongen:
Verder is in het voorstel van Capilex met betrekking tot de aflossing van de lening opgenomen:
[eisers sub 3] heeft ingestemd met het verstrekken van een recht van hypotheek aan Capilex. Daarvoor is schriftelijke toestemming nodig van MUNT als eerste hypotheekhouder (Algemene voorwaarden, artikel n). [eisers sub 3] heeft die toestemming in een e-mailbericht van 18 maart 2026 aan MUNT gevraagd. MUNT heeft op 19 maart 2026 per e-mail aan [eisers sub 3] meegedeeld dat een verzoek tot goedkeuring voor de vestiging van het hypotheekrecht kan worden ingediend via de notaris die de opdracht tot het vestigen van het hypotheekrecht heeft gekregen. Daarbij heeft MUNT bij voorbaat kenbaar gemaakt dat zij eventueel kan instemmen met een ‘uitgekleed hypotheekrecht’, waarbij de hypotheekhouder afziet van (bijvoorbeeld) het recht van parate executie.
Bij brief van 21 augustus 2026 heeft MUNT aan [eisers sub 3] meegedeeld dat het vestigen van een recht van derde hypotheek akkoord is onder de voorwaarden dat alle beslagen op de onroerende zaak worden doorgehaald en dat de volgende voorwaarden in de hypotheekakte worden opgenomen:
Deze voorwaarden worden hierna ‘de voorwaarden van MUNT’ genoemd.
De advocaat van eisers heeft in een brief van 26 augustus 2026 aan MUNT kenbaar gemaakt dat en toegelicht waarom Capilex en [eisers sub 3] zich niet kunnen verenigen met de voorwaarden van MUNT. Daarbij is verder meegedeeld dat Capilex aan het verstrekken van een krediet aan [eisers sub 2] de voorwaarde heeft verbonden dat [eisers sub 3] zekerheid stelt door het vestigen van een recht van derde hypotheek ten bedrage van € 124.000, plus 50%, te vermeerderen met rente en kosten. Ten slotte is MUNT gesommeerd om toestemming te verlenen voor het vestigen van een recht van derde hypotheek op de onroerende zaak en is een kortgedingprocedure aangekondigd voor de situatie dat MUNT die toestemming niet geeft.
In een e-mailbericht van 28 augustus 2026 heeft MUNT aan de advocaat van eisers meegedeeld dat MUNT alleen toestemming verleent voor het vestigen van het recht van derde hypotheek als volledig aan de voorwaarden van MUNT wordt voldaan. Daarbij heeft MUNT toegelicht dat zij er bij het stellen van de voorwaarden nog van uit ging dat [eisers sub 3] de geldleningsovereenkomst met Capilex zou sluiten, maar dat haar gebleken is dat het krediet door Capilex zal worden verstrekt aan [eisers sub 2], zodat sprake is van een derdenhypotheek. Verder heeft MUNT zeven punten/bezwaren naar voren gebracht, die (samengevat) inhouden (1) dat [eisers sub 3] sinds het aangaan van de hypotheek bij MUNT 18 keer een betalingsachterstand heeft laten ontstaan, (2) dat de voorwaarden van MUNT niet in strijd zijn met dwingendrechtelijke bepalingen, (3) dat het financiële risicoprofiel van [eisers sub 3] is verslechterd, (4) dat het onderpand bij vestiging van een derde hypotheek wordt blootgesteld aan een schuld van een derde, welk risico bij de acceptatie van de eerste en tweede hypotheek niet is meegewogen, (5) dat de door Capilex en [eisers sub 3] veronderstelde overwaarde van de onroerende zaak twijfelachtig is, zodat een recht van derde hypotheek het risico voor MUNT verhoogt, (6) dat MUNT een gerechtvaardigd belang heeft bij het bewaken van het risicoprofiel van de eerste en tweede hypotheek en (7) dat er geen acute noodzaak bestaat om de vorderingen waarvoor beslag is gelegd op de onroerende zaak door middel van een aanzienlijk hogere lening af te lossen, omdat met de beslagleggers betalingsregelingen zijn getroffen.
In een e-mailbericht van 1 september 2026 heeft de advocaat van eisers het door MUNT in haar e-mail van 28 augustus 2026 ingenomen standpunt namens Capilex en [eisers sub 3] betwist.
3 Het geschil
Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – om MUNT te veroordelen om primair onvoorwaardelijke toestemming te verlenen aan Capilex en zo nodig aan de notaris voor het (laten) vestigen van een recht van derde hypotheek op de onroerende zaak, zonder voorbehouden of voorwaarden, op straffe van een dwangsom, en subsidiair om schriftelijk aan [eisers sub 3], met een kopie aan Capilex, te verklaren dat zij het vestigen van een recht van derde hypotheek op de onroerende zaak, met vanzelfsprekend het recht van parate executie, niet langer zal tegenhouden of zal dwarsbomen of daaraan voorwaarden zal stellen, op straffe van een dwangsom, een en ander met veroordeling van MUNT in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Daartoe stellen eisers – samengevat – het volgende. MUNT verbindt aan haar toestemming voor het vestigen van een hypotheek ten gunste van Capilex ten onrechte een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat Capilex haar recht van parate executie niet zal uitoefenen, zolang MUNT een recht van hypotheek op (een deel van) de onroerende zaak heeft. Daarmee gaat MUNT voorbij aan de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 3:268 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarvan contractueel niet kan worden afgeweken. De door MUNT bedongen bepaling is dan ook nietig. Verder gaan de zeven punten die MUNT in haar e-mailbericht van 28 augustus 2026 noemt ter rechtvaardiging van het uithollen van het recht van parate executie van Capilex niet op. Daar komt nog bij dat de marktwaarde van de onroerende zaak € 1.550.000 bedraagt, zodat er voldoende overwaarde is om alle schuldeisers, dus ook MUNT, te kunnen voldoen in de situatie dat Capilex tot executie zou overgaan. Door haar weigering om toestemming te verlenen belemmert MUNT de totstandkoming van een kredietovereenkomst tussen Capilex en [eisers sub 2], waardoor het advocatenkantoor niet kan worden uitgebreid en waardoor [eisers sub 3] evenmin financiering verkrijgt om een aantal schuldeisers te voldoen, die inmiddels ten laste van [eisers sub 3] executoriaal beslag op de onroerende zaak hebben gelegd. Eisers hebben een zwaarwegend belang bij het kunnen vestigen van een recht van derde hypotheek en daarmee bij de onvoorwaardelijke toestemming van MUNT om dat te realiseren.
De conclusie van MUNT strekt tot afwijzing van de vorderingen, met hoofdelijke veroordeling van eisers in de proceskosten. Het verweer van MUNT zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
Tussen partijen is in geschil of MUNT als eerste (en tweede) hypotheekhouder verplicht is om onvoorwaardelijk toestemming te verlenen voor de vestiging van een recht van derde hypotheek op de onroerende zaak ten gunste van Capilex. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat niet zo is en dat MUNT niet met elke bezwaring van haar zekerheid hoeft in te stemmen. Dat oordeel wordt als volgt gemotiveerd.
Eisers hebben allereerst betoogd dat een beperking van het recht van parate executie, dat op grond van de wet verbonden is aan een hypotheekrecht, in strijd is met de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 3:268 BW en dat de voorwaarden van MUNT daarom nietig zijn. Dit betoog slaagt niet. MUNT heeft1, terecht aangevoerd dat de voorwaarden van MUNT niet afdoen aan het bepaalde in artikel 3:268 BW. Capilex verkrijgt immers ook wanneer de door MUNT voorgestelde bepalingen in de hypotheekakte worden opgenomen het wettelijke recht van parate executie. De voorwaarden van MUNT bepalen alleen dat Capilex haar bevoegdheid niet zal uitoefenen zolang MUNT een recht van hypotheek heeft op (een deel van) het onderpand. Die voorwaarden zien dan ook slechts op de feitelijke uitoefening van het recht van Capilex en laten het goederenrechtelijke karakter daarvan ongemoeid. Bovendien behoudt Capilex haar recht op verhaal bij voorrang als bedoeld in artikel 3:227 lid 1 BW. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat of toegelicht waarom over de invulling van het recht van parate executie geen afspraken zouden kunnen worden gemaakt. Daarmee is evenmin aannemelijk dat de door MUNT bedongen bepalingen nietig zijn.
Eisers hebben verder gesteld dat MUNT in redelijkheid niet kan weigeren om in te stemmen met de vestiging van een recht van derde hypotheek ten behoeve van Capilex en dat het wettelijke recht van parate executie van Capilex volledig wordt uitgehold wanneer de voorwaarden van MUNT worden aanvaard.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vorderingen van eisers ertoe strekken dat MUNT onvoorwaardelijk haar medewerking verleent aan de totstandkoming van het recht van hypotheek ten gunste van Capilex. Dat aan Capilex door het verkrijgen van een hypotheekrecht op grond van de wet ook de bevoegdheid tot parate executie toekomt, betekent echter niet dat MUNT geen enkele voorwaarde aan haar toestemming voor deze hypotheek zou mogen verbinden. Dit geldt te meer nu MUNT onbetwist heeft aangevoerd dat bij de totstandkoming van het (eerste en tweede) hypotheekrecht van MUNT is bedongen dat de onroerende zaak niet zonder toestemming van MUNT zal worden bezwaard. Daarop stranden de vorderingen van eisers al. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat eisers hebben nagelaten om concreet te maken met welke voorwaarden Capilex eventueel wel zou kunnen instemmen.
Verder heeft MUNT voldoende onderbouwd welke risico’s zij ziet in verband met een recht van derde hypotheek ten gunste van Capilex en waarom zij belang heeft bij afspraken waardoor zij regie houdt over het verloop van het executieproces. MUNT heeft in dat verband onder meer uiteengezet (a) dat sinds januari 2022 ongeveer negentien van [eisers sub 3] afkomstige betalingen zijn gestorneerd, waarna in strijd met de overeengekomen hypotheekvoorwaarden na de vervaldata van de betreffende termijnen is betaald, (b) dat een BKR-toets van 3 september 2026 laat zien dat er acht zakelijke en drie doorlopende kredieten op naam van [eisers sub 3] staan, waarvan er drie bijzonderheidscode 2 hebben, wat betekent dat het betreffende krediet door de schuldeiser is opgeëist, (c) dat er viermaal ten laste van [eisers sub 3] executoriaal beslag op de onroerende zaak is gelegd, waarvan er inmiddels één is doorgehaald, dat de waarde van de drie resterende beslagen ongeveer € 24.000 bedraagt en dat MUNT belang heeft bij doorhaling van die beslagen en (d) dat kanttekeningen moeten worden geplaatst bij de door eisers gestelde marktwaarde van de onroerende zaak van € 1.550.000, omdat een taxatierapport met onderbouwing ontbreekt. Eisers hebben de door MUNT benoemde risico’s weliswaar betwist, maar zij hebben die betwisting onvoldoende gemotiveerd of concreet gemaakt, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.
Daarnaast heeft MUNT erop gewezen dat de door eisers gewenste hypotheek een derdenhypotheek betreft, omdat [eisers sub 2] de schuldenaar is en [eisers sub 3] de hypotheekgever, waarbij de onroerende zaak het enige verhaalsobject voor Capilex is. MUNT heeft voldoende onderbouwd dat zij met een derdenhypotheek financieel meer risico loopt, volgens MUNT te meer gelet op de korte looptijd van de derdenhypotheek. Hoewel [eisers sub 3] hiertegenover heeft gesteld dat het niet de bedoeling van [eisers sub 3] en Capilex is dat de hypotheek na een jaar eindigt en dat in het voorstel van Capilex daarom de mogelijkheid is opengelaten dat de hypotheek wordt verlengd, neemt die mogelijkheid het risico van MUNT naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts ten dele weg. Voor het daadwerkelijk realiseren van die verlenging is [eisers sub 3] immers afhankelijk van de medewerking van Capilex.
Ten slotte heeft MUNT terecht aangevoerd dat zij als eerste hypotheekhouder weliswaar de eerste in rang is bij een eventuele executoriale verkoop van de onroerende zaak, maar dat dat onverlet laat dat Capilex tot executie kan overgaan als [eisers sub 2] niet aan haar verplichtingen voldoet, ook als [eisers sub 3] zijn verplichtingen ten opzichte van MUNT volledig nakomt. MUNT heeft daarmee voldoende onderbouwd dat zij door het vestigen van een recht van derde hypotheek niet langer de regie over een eventueel executietraject heeft en dat zij daarom belang heeft bij het stellen van voorwaarden om te voorkomen dat Capilex zelfstandig tot executie of beslaglegging overgaat of dat Capilex een onderhandse verkoop van de onroerende zaak blokkeert wanneer de executieopbrengst niet toereikend is om MUNT te voldoen.
Tegenover het gemotiveerde standpunt van MUNT hebben eisers naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat MUNT in redelijkheid geen voorwaarden kan stellen aan het verlenen van toestemming voor het recht van derde hypotheek ten gunste van Capilex. Dit leidt tot de slotsom dat hun vorderingen worden afgewezen.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en zij moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van MUNT worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
735,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ 189,00 |
(plus de in de beslissing vermelde verhoging) |
|
|
Totaal |
€ |
2.101,00 |
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten, die aan de zijde van MUNT zijn begroot op € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als eisers niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten eisers € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.
mvt