RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer: C/09/695404 / HA ZA 25-1072
Vonnis van 9 september 2026 in de hoofdzaak en in het incident
in de zaak van
[eiser] , te [woonplaats 1],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M.M. van Wijk,
tegen
1 [gedaagde 1], voor zichzelf en in hoedanigheid van executeur
van de nalatenschap van [erflater], te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde 1],
advocaat: mr. M.H.C. Morshuis,
2 2. [gedaagde 2], te geheim adres,
gedaagde in conventie,
eiseres in incident tot tussenkomst,
hierna te noemen: [gedaagde 2],
advocaat: mr. M.M. van Wijk,
3 [gedaagde 3], te [woonplaats 3],
gedaagde in conventie (niet verschenen),
hierna te noemen: [gedaagde 3].
1 De verdere procedure
Op 15 april 2026 is vonnis gewezen in de hoofdzaak en in het incident. Het verloop van de procedure sindsdien blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 april 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte uitlaten van [eiser] van 15 juli 2026, met producties 11 tot en met 14;
- het B-16 formulier van [gedaagde 1] van 9 juli 2026, met het verzoek de akte (deels) buiten beschouwing te laten, alsmede het bericht van de rechtbank van 10 juli 2026 met de beslissing dat de akte wordt toegestaan;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde 1].
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
2 De feiten
Op [datum] 2025 is overleden de heer [erflater] (hierna: erflater), geboren op [geboortedatum] 1940. Hij was op dat moment op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [gedaagde 1]. Uit een eerder huwelijk van erflater zijn drie kinderen geboren, namelijk [eiser], [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. In de laatst gewijzigde huwelijkse voorwaarden tussen erflater en [gedaagde 1] van 5 september 2013 zijn zij een gemeenschap van echtelijke woning en inboedel overeengekomen en is bepaald dat elke andere huwelijksvermogensgemeenschap is uitgesloten. Artikel 3 houdt onder meer in:
“1. Indien het huwelijk wordt ontbonden door het overlijden van één van de echtgenoten (…), zal (…) tussen de langstlevende echtgenoot en de erfgenamen worden afgerekend alsof tijdens het huwelijk de wettelijke gemeenschap van goederen had bestaan.
2. Voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde afrekening komen niet in aanmerking: rechten ingevolge overeenkomsten van lijfrente of verzekering of daarmee gelijk te stellen overeenkomsten, voor zover deze bij overlijden recht geven op uitkeringen aan de langstlevende echtgenoot.
3. Alvorens tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde afrekening te komen, moeten de gemaakte kosten en betaalde premies ingevolge de lid 2 van dit artikel bedoelde overeenkomsten, bij het privé-vermogen van de echtgenoot, die begunstigde is van gemelde uitkeringen bij overlijden, worden geteld.
Gemelde kosten en premies dienen vermeerderd te worden met de wettelijke rente over deze kosten en premies vanaf de dag van de voldoening daarvan tot en met de dag dat de verrekenplicht ontstaat.”
In artikel 3 lid 4 sub h is bepaald dat de afrekening als bedoeld in lid 1 van dit artikel toepassing mist indien de bijeenvoeging van de privévermogens van de echtgenoten uitkomt op een negatief bedrag.
Bij testament van 12 juni 2017, alsmede de aanvullende testamenten van 24 oktober 2019 en 2 maart 2020, heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt. In eerstgenoemd testament heeft erflater [gedaagde 1] en haar dochters [dochter 1] en [dochter 2] benoemd tot zijn enige erfgenamen, in de verhouding 1 promille (1/100) voor [gedaagde 1] en 99/100 voor [dochter 1] en [dochter 2] samen in gelijke delen. In dit testament heeft erflater bovendien aan [gedaagde 1] gelegateerd A) het vruchtgebruik van zijn “zuivere nalatenschap”, met de bevoegdheid tot onder meer intering en vervreemding van het vermogen, en B) alle tot zijn nalatenschap behorende goederen, of enkele door haar te kiezen goederen, tegen inbreng in de nalatenschap van de waarde daarvan. Ook heeft erflater ten aanzien van de “Legitieme” bepaald dat A) alle vorderingen van legitimarissen eerst opeisbaar zijn bij overlijden en B) dat hij aan [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [eiser] legateert “opeisbaar zoals hiervoor bepaald” “een bedrag in contanten gelijk aan de waarde van dat gedeelte van mijn vermogen waarop hij /zij als legitimaris in weerwil van door mij gedane giften en gemaakte uiterste wilsbeschikkingen aanspraak kan maken”.
In het aanvullende testament van 24 oktober 2019 heeft hij aan [dochter 2] gelegateerd het appartementsrecht recht gevend op het uitsluitend gebruik van de bedrijfsruimte met terras aan [adres 1] tegen inbreng in de nalatenschap van de waarde waarop het registergoed zal worden gewaardeerd onder de last om de op het registergoed rustende hypothecaire geldlening(en) voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen. Erflater heeft in deze akte bovendien het volgende opgenomen over de berekening van de legitieme portie van [eiser]:“XIV. Berekening legitieme portie [eiser].
Mijn zoon [eiser] heb ik bij overeenkomst van zesentwintig september tweeduizend acht geld geleend welke geldlening met kosten en achterstallige rente tot vijftien december tweeduizend vijftien (de datum waarop voor hem de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) is gaan gelden) totaal eenhonderd achtenzestigduizend zevenhonderdvierentachtig euro en vierendertig eurocent (EUR 168.784,34) bedroeg. Bij het einde van de WSNP is aan mij uitgekeerd door zijn bewindvoerder twee zeventiende procent van dat bedrag, te weten vierduizend vijfhonderdvijfenzestig euro en eenenvijftig eurocent (EUR 4.565,51).
Voor de eventuele berekening van zijn legitieme portie heeft het verschil van eenhonderd vierenzestigduizend tweehonderdachttien euro en drieëntachtig eurocent (EUR 164.218,83) of zoveel minder indien mijn genoemde zoon deze restant schuld (die niet meer afdwingbaar is) geheel of gedeeltelijk heeft voldaan, te gelden als een gift van mij aan hem.”
In het aanvullende testament van 2 maart 2020 heeft hij tot slot aan [gedaagde 1] en [dochter 1] tezamen en voor gelijke delen gelegateerd al zijn saldi gehouden bij “[bedrijfsnaam 1] B.V.”.
Na het overlijden van erflater heeft [eiser], op 16 oktober 2025, bij monde van zijn advocaat een brief gestuurd aan [gedaagde 1] waarin hij aanspraak maakt op betaling van een bedrag van € 38.861,28 (inclusief rente) uit hoofde van een geldleningsovereenkomst die hij stelt op 1 januari 2004 met erflater te hebben gesloten en uit hoofde waarvan hij een vordering stelt te hebben op de nalatenschap. Bij de brief is een kopie van de overeenkomst van geldlening gevoegd. Daarnaast maakt hij in deze brief aanspraak op zijn erfdeel, dan wel zijn legitieme portie, en vraagt hij om een afschrift van het testament en de verklaring van erfrecht. [dochter 1] heeft in reactie hierop per e-mail van 23 oktober 2025 (namens haar moeder) laten weten dat “een en ander dient te worden uitgezocht”, er de week erna afspraken staan met “notaris en accountant/juridisch adviseur” en [eiser] op een later moment zal worden geïnformeerd over de stand van zaken.
Op 30 oktober 2025 heeft [eiser] conservatoir beslag gelegd op het recht van erfpacht op de woning van erflater aan [adres 2] (hierna: de woning). Op dezelfde dag dan wel op 3 november 2025 heeft hij daarnaast conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen op naam van [gedaagde 1] en erflater bij de ING Bank N.V. en ABN AMRO Bank N.V. In de laatst gewijzigde huwelijkse voorwaarden tussen erflater en [gedaagde 1] van 5 september 2013 is ten aanzien van de woning bepaald dat deze tot de beperkte gemeenschap van partijen behoort, maar dat deze beperkte gemeenschap niet omvat de thans of toekomstige (hypothecaire) geldleningen ter zake van de echtelijke woning, onverminderd de mogelijkheid dat een zodanige schuld gemeenschappelijk wordt aangegaan.
Op 30 oktober 2025 heeft een medewerker van [belastingadvieskantoor] per e-mail aan de advocaat van [eiser] laten weten dat [gedaagde 1] hen heeft verzocht de nalatenschap in kaart te brengen waarvoor tijd nodig is, zodat het niet mogelijk is om binnen de door [eiser] gestelde termijn te reageren. Dezelfde dag heeft de advocaat van [eiser] per kerende e-mail een aantal stukken bij deze medewerker opgevraagd met het verzoek deze binnen een week te ontvangen, namelijk de verklaring van erfrecht, de verklaring van executele (indien die apart is opgemaakt), de boedelbeschrijving met onderliggende bescheiden, een afschrift van de huwelijkse voorwaarden van erflater en [gedaagde 1] en de IB-aangiften van erflater van de afgelopen vijf jaar. De desbetreffende medewerker heeft hierop laten weten dat het vanwege haar vakantie niet mogelijk is de stukken binnen deze termijn aan te leveren met het verzoek de uiterste termijn uit te stellen tot 21 november 2025.
Op 31 oktober 2025 heeft de advocaat van [eiser] aan [dochter 1] laten weten dat beslag is gelegd “op de woning en de bankrekening behorende tot de nalatenschap” en haar verzocht binnen zeven dagen voornoemde stukken aan te leveren.
Op 4 november 2025 heeft [gedaagde 1] een verklaring getekend waarin is opgenomen dat zij kennis heeft genomen van de testamenten van erflater en dat zij de benoeming tot executeur niet aanvaardt.
Op basis van door [gedaagde 1], [dochter 1] en [dochter 2] ondertekende volmachten beneficiaire aanvaarding, heeft de door hen gevolmachtigde notaris de nalatenschap van erflater namens hen aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. De daartoe opgemaakte akte van 5 november 2025 is geregistreerd in het boedelregister.
3 Het geschil in de hoofdzaak
In conventie
[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:
I. [gedaagde 1] veroordeelt in hoedanigheid van executeur tot betaling van € 38.859,59, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke handelsrente vanaf [datum] 2025, te vermeerderen met de kosten voor beslaglegging;
II. [gedaagde 1] veroordeelt zowel in persoon als q.q. tot het verstrekken van alle informatie die benodigd is voor het vaststellen van de omvang van de nalatenschap, waaronder maar niet uitsluitend:
a. de verklaring van erfrecht;
b. de verklaring van executele (indien die apart is opgemaakt);
c. de boedelbeschrijving met onderliggende bescheiden;
d. een afschrift huwelijkse voorwaarden van erflater en [gedaagde 1];
e. de IB-aangiften van erflater van de afgelopen vijf jaar;
f. de bankafschriften van alle bankrekeningen behorende tot de nalatenschap over de afgelopen vijf jaar;
g. een overzicht beleggingsrekeningen en -portefeuilles van erflater;
III. (aan de hand van de onder II bedoelde en nader benodigde informatie) het legaat vaststelt waarop eiser recht heeft, namelijk een bedrag ter grootte van zijn legitieme portie;
IV. [gedaagde 1] in hoedanigheid van executeur veroordeelt tot betaling van het legaat uit de nalatenschap aan eiser;
V. (aan de hand van de onder II bedoelde en nader benodigde informatie) het erfdeel vaststelt waarop eiser recht heeft, welk erfdeel een vordering betreft op [gedaagde 1] als langstlevende echtgenoot;
VI. kosten rechtens.
Uit de akte van [eiser] van 15 juli 2026 volgt dat hij tevens vordert dat de rechtbank bij tussenvonnis:
VII. hem toestaat om op een door de rechtbank te bepalen wijze de beide dochters van [gedaagde 1] in de procedure te betrekken, nu zij eveneens erfgenaam blijken te zijn;
VIII. oordeelt over het al dan niet nog in de procedure betrokken zijn van [gedaagde 3];
IX. beoordeelt of [gedaagde 1] al dan niet ook q.q. in de procedure betrokken dient te blijven;
X. uitgaat van het vermoeden van zuivere aanvaarding door de erfgenamen en dat de rechtbank [gedaagde 1] en de beide andere erfgenamen opdracht geeft te bewijzen dat hiervan geen sprake is geweest;
XI. bepaalt dat [gedaagde 1], zoals in het testament van erflater bepaald, de waarde van de door haar geaccepteerde goederen van de nalatenschap dient in te brengen in de nalatenschap en een wijze vaststelt waarop de gelegateerde goederen dienen te worden gewaardeerd;
XII. bepaalt dat de erfgenamen een (akte van) boedelbeschrijving met verificatoire bescheiden in het geding dienen te brengen, inclusief een overzicht met bewijsstukken van de schenkingen en giften aan legitimarissen en derden die deel uitmaken van de legitimaire massa.
[gedaagde 1] voert verweer. Tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] is verstek verleend.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
[gedaagde 1] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:
I. de beslagen opheft en eiser gebiedt om opdracht te geven aan een deurwaarder om de beslagen binnen drie dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis te laten doorhalen in het kadaster, op straffe van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat eiser nalatig blijft aan het in deze te wijzen vonnis gevolg te geven, een deel van een dag te rekenen voor een gehele dag, met een maximum van € 150.000;
II. bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van deze opdracht indien eiser nalatig blijft om binnen de termijn van drie dagen die opdracht te verstrekken dan wel de beslagen dan nog niet zijn doorgehaald;
III. [eiser] veroordeelt in de beslagkosten en in de werkelijke kosten van deze procedure althans in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het wijzen van het vonnis.
[eiser] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
In het incident
De rechtbank zal allereerst de incidentele vordering van [gedaagde 2] behandelen. Zij vordert dat haar wordt toegestaan in de hoofdzaak tussen te komen. In het kort voert zij daartoe aan dat zij in deze procedure oorspronkelijk is gedaagd aan de zijde van [gedaagde 1], maar dat zij een zus is van [eiser] en dat zij (met uitzondering van de vordering op grond van de overeenkomst van geldlening) dezelfde vorderingen wenst in te stellen als [eiser], zodat zij daarvoor geen nieuwe procedure hoeft te starten.
[gedaagde 1] voert verweer. Nu zij als executeur en in persoon in deze procedure is betrokken, terwijl zij de benoeming tot executeur niet heeft aanvaard en zij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, is [gedaagde 2] volgens haar niet ontvankelijk in haar vorderingen.
Voor tussenkomst – waarbij een derde partij (in dit geval [gedaagde 2]) een eigen vordering wenst in te stellen die zich richt tot de procederende partijen – is vereist dat blijkt van een belang van de derde om zich met dat doel te mengen in de hoofdzaak (artikel 217 Rv). Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Eerst bij conclusie van antwoord is het [eiser] (en [gedaagde 2] en, naar de rechtbank aanneemt, [gedaagde 3]) gebleken dat zij onterfd zijn en dat zij een legaat hebben verkregen gelijk aan (kort gezegd) de legitieme portie, die berekend zal moeten worden aan de hand van de legitimaire massa. Dat [eiser] (en [gedaagde 2]) in deze procedure hun stellingname wensen aan te passen aan de gebleken juridische werkelijkheid is begrijpelijk. [gedaagde 2] heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang in deze procedure om aan de zijde van [eiser] eigen vorderingen inzake de nalatenschap te kunnen instellen en desgewenst aan te haken bij het standpunt van [eiser]. De rechtbank is bovendien van oordeel dat het gelijktijdig behandelen van de vorderingen van [eiser] en [gedaagde 2] de proceseconomie ten goede komt. Tot slot is niet gesteld of gebleken dat de goede procesorde in de weg staat aan toewijzing van de vordering tot tussenkomst. Het incident tot tussenkomst wordt dus toegewezen. [gedaagde 2] is dus per heden als eiser betrokken in deze procedure.
Zoals hierna aan de orde zal komen zal de rechtbank [eiser] en [gedaagde 2] in de gelegenheid stellen [dochter 1] en [dochter 2] in de procedure te betrekken en, indien zij dat wensen, [gedaagde 1] ook in haar hoedanigheid van vereffenaar. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde 1] met betrekking tot de hoedanigheden waarin zij in deze procedure is betrokken; [gedaagde 1] wordt hierdoor, gezien de hierna te bepalen verdere procedure, niet in enig rechtens te respecteren belang getroffen. Bovendien is vooralsnog het standpunt van [eiser] (waarbij [gedaagde 2] zich aansluit, zo begrijpt de rechtbank) dat [gedaagde 1] de nalatenschap niet beneficiair maar zuiver heeft aanvaard.
In de hoofdzaak
De rechtbank begrijpt uit de incidentele conclusie tot tussenkomst dat [gedaagde 2] in de hoofdzaak dezelfde vorderingen instelt als [eiser] bij dagvaarding heeft ingesteld (zie hiervoor onder 3.1), met uitzondering van de vordering onder I met betrekking tot de overeenkomst van geldlening. Daarnaast begrijpt de rechtbank dat [gedaagde 2] wenst dat de akte na tussenvonnis, die mede uit haar naam is ingediend, ook als haar akte wordt beschouwd. De rechtbank zal hier dan ook van uitgaan en ook de vorderingen die hierin zijn opgenomen (zie hiervoor onder 3.2) tot de hare rekenen. [gedaagde 2] hoeft daarom geen separate conclusie van eis meer te nemen.
Zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling, zal de rechtbank in dit tussenvonnis in de hoofdzaak op een aantal onderwerpen nader regie voeren.
Oproepen partijen
[eiser] en [gedaagde 2] hebben verzocht dat hen wordt toegestaan [dochter 1] en [dochter 2] in deze procedure te betrekken en, zo begreep de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling, mogelijk tevens [gedaagde 1] in de hoedanigheid van vereffenaar.
Tussen partijen is niet in geschil dat nu [eiser] en [gedaagde 2] vorderingen instellen als schuldeisers van de nalatenschap, [gedaagde 1], [dochter 1] en [dochter 2] ieder in de hoedanigheid van vereffenaar in deze procedure moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat [eiser] en [gedaagde 2] niet hebben weersproken dat in ieder geval [dochter 1] en [dochter 2] de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard, zodat deze in beginsel moet worden vereffend (artikel 4:202 lid 1 sub a BW). De rechtbank zal hierom [eiser] en [gedaagde 2] in de gelegenheid stellen [dochter 1] en [dochter 2] op de voet van artikel 118 Rv op te roepen om in het geding te verschijnen. Nu tussen partijen discussie bestaat of [gedaagde 1] uitdrukkelijk als vereffenaar in de procedure had moet worden betrokken, zal de rechtbank deze mogelijkheid ook bieden ten aanzien van [gedaagde 1]. Het exploot waarmee deze oproeping plaatsvindt, moet de eis bevatten die [eiser] en [gedaagde 2] tegen deze partijen wensen in te stellen, alsmede de gronden van die eis, een en ander op de in het dictum vermelde wijze. Bij de oproeping hoeft geen kopie te worden gevoegd van alle tot heden gewisselde procestukken, nu mr. Morshuis heeft medegedeeld ook voor [dochter 1] en [dochter 2] te zullen optreden en zij al over alle stukken beschikt. Het tegen toepassing van art. 118 Rv geuite verzet van [gedaagde 1] wordt gepasseerd reeds omdat zij daarbij geen rechtens te respecteren belang heeft.
De rechtbank zal verder bepalen dat de oproeping dient te geschieden tegen de roldatum van 7 oktober 2026. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van omstandigheden op basis waarvan een langere dagvaardingstermijn moet worden gehanteerd dan de standaard dagvaardingstermijn van een week als bedoeld in artikel 114 Rv.
Ingetrokken vorderingen
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn vorderingen tegen [gedaagde 1] in haar hoedanigheid van executeur, alsmede zijn vorderingen jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ingetrokken en daarmee verminderd tot nihil als bedoeld in artikel 129 Rv. De rechtbank zal [eiser] in relatie tot deze partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van een eis. In zoverre is dit vonnis dus een eindvonnis.
De rechtbank ziet geen aanleiding tot het toekennen van een proceskostenveroordeling. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn als gedaagden niet verschenen en de procedure zal door [gedaagde 2] in relatie tot [gedaagde 1] in een andere hoedanigheid worden voortgezet.
Nadere informatie
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 1], [dochter 1] en [dochter 2] als vereffenaars een boedelbeschrijving moeten opstellen en deze, samen met de onderliggende stukken, aan [eiser] en [gedaagde 2] moeten verstrekken. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde 1] daartoe een eerste aanzet heeft gedaan met de opsomming van de activa en passiva van de nalatenschap in randnummer 62 van haar conclusie van antwoord (cva) en de daar genoemde producties. Zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken, ontbreekt er nog een aantal stukken. De rechtbank beveelt [gedaagde 1] op grond van artikel 22 Rv (als de in dit geding verschenen partij die tevens de beschikking heeft of kan verkrijgen over de bewuste stukken) de volgende stukken in het geding te brengen dan wel de volgende inlichtingen te verstrekken:
I. een (aangepaste) boedelbeschrijving met de hoogte van de tot de nalatenschap behorende baten en schulden onmiddellijk na overlijden van erflater (waarbij zo dit naar het oordeel van [gedaagde 1], ook gelet op het overwogene in deze rechtsoverweging en r.o. 4.13 nodig is, liefst al rekening wordt gehouden met hetgeen hierna onder r.o. 4.15-4.16 is overwogen);
II. het taxatierapport van de woning dat, zo heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling begrepen, is opgemaakt en ten tijde van de mondelinge behandeling alleen nog gevalideerd diende te worden;
III. de bankafschriften van de rekeningen op naam van erflater, alsmede een overzicht van de waarde van de beleggingen bij Bitvavo Chainlink (eerder: LiteBit), en de schulden op de World Card Gold op het moment van overlijden;
IV. stukken waaruit blijkt wat de openstaande hypothecaire schulden en belastingschulden waren op het moment van overlijden;
V. een toelichting waarom de belastingschuld van [bedrijfsnaam 2] B.V. van € 175.038 (productie 17-18 cva) als schuld van de erflater in privé moet worden beschouwd, zo mogelijk met stukken onderbouwd;
VI. een toelichting op de stand van het bij de belastingdienst tegen de belastingschuld in privé van € 137.638 (productie 16 cva) gemaakte bezwaar, zo mogelijk met stukken onderbouwd, zoals met de beslissing op bezwaar (en eventueel beroep) en bij het ontbreken daarvan het bezwaarschrift.
[gedaagde 1] heeft ook een aantal bedragen die erflater van haar heeft geleend opgenomen als schuld van de nalatenschap, tot een totaal van € 115.000 exclusief PM. [gedaagde 1] heeft hiertoe producties 19 en 20 overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] verklaard dat erflater (een of meerdere) van deze schulden voorafgaande aan zijn overlijden (mogelijk) al had terugbetaald. De rechtbank verzoekt [gedaagde 1] gemotiveerd uitsluitsel te geven op dit punt en voor zover zij zich nog op het standpunt stelt dat deze schulden op het moment van overlijden nog bestonden, dit nader en zo mogelijk met stukken te onderbouwen. Daarnaast verzoekt de rechtbank de overige schulden te weten de post “Overig” van € 15.000 en de PM-post “Schuld aan [gedaagde 1] vergoedingsrecht cv-Ketel” nader toe te lichten en te onderbouwen.
Nadere standpuntbepaling
Verder verzoekt de rechtbank [eiser] en [gedaagde 2] te laten weten of zij het standpunt handhaven van [eiser] dat [gedaagde 1] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard.
Zoals door [gedaagde 1] in haar cva randnr. 60 opgenomen in het kader van de berekening van de legitieme portie (uit hoofde van het legaat), bevatten de huwelijkse voorwaarden de volgende bepaling:
“ Afrekeningen bij einde huwelijk door overlijden
Artikel 3.
1. Indien het huwelijk wordt ontbonden door het overlijden van één van de echtgenoten (…), zal (…)de langstlevende echtgenoot en de erfgenamen van de eerststervende (…) worden afgerekend alsof tijdens het huwelijk de wettelijke gemeenschap van goederen had bestaan.”
Over de (mogelijke) consequenties van deze bepaling voor de verdeling van de nalatenschap acht de rechtbank zich nog onvoldoende geïnformeerd. Weliswaar heeft [gedaagde 1] betoogd dat het privévermogen van erflater negatief is, zodat het bepaalde in artikel 3 (gezien het bepaalde in art. 3.4h van de huwelijkse voorwaarden) toepassing mist, maar de rechtbank kan dit, ook gezien r.o. 4.12 en 4.13, nog niet voldoende beoordelen.
De rechtbank verzoekt beide partijen zich hierover gemotiveerd uit te laten.
Handtekening overeenkomst van geldlening
[eiser] maakt aanspraak op terugbetaling van een geldlening van € 20.744 die erflater bij hem zou hebben afgesloten met een rentepercentage van vier procent en een uitgestelde opeisbaarheid tot onder meer het moment dat erflater zou overlijden. Hij beroept zich hierbij op een akte, gedateerd op 1 januari 2004, die deze leningsovereenkomst zou inhouden en door hem en erflater zou zijn ondertekend. [gedaagde 1] ontkent dat de handtekening onderaan deze akte van door erflater is geplaatst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] een stuk getoond waarvan hij stelt dat het de originele versie is van de productie die is overgelegd in deze procedure. [gedaagde 1] heeft verklaard haar standpunt te handhaven dat dit niet de handtekening is van erflater, ondanks dat zij deze handtekening tijdens de mondelinge behandeling dacht wel te herkennen. De rechtbank zal [eiser], die de bewijslast draagt van de echtheid van de handtekening,1 in de gelegenheid stellen de echtheid van de handtekening door een handtekeningdeskundige te laten onderzoeken. De rechtbank zal [gedaagde 1] veroordelen tot medewerking aan dit onderzoek, in die zin dat zij op eerste verzoek zoveel mogelijk stukken aan [eiser] moet verstrekken waarop de handtekening van erflater en zo mogelijk ook zijn paraaf staat, bij voorkeur uit de periode van het opmaken van de leningsovereenkomst. Partijen kunnen daarbij bijvoorbeeld denken aan het (eventueel bij de notaris op te vragen) originele exemplaar van de huwelijkse voorwaarden die erflater en [gedaagde 1] zijn aangegaan op 26 februari 2003.
Vervolg procedure
Uitgaande van de stand van de procedure op dit moment, zal de rechtbank gelet op het voorgaande partijen gelasten dan wel in de gelegenheid stellen achtereenvolgens de volgende rolhandelingen te verrichten:
i. op de rol van 7 oktober 2026 moeten [eiser] en [gedaagde 2] een afschrift van de exploten inbrengen waaruit blijkt dat zij, met vermelding van de eis en bijbehorende gronden, [dochter 1] en [dochter 2], en indien zij dit wensen eveneens [gedaagde 1], in hoedanigheid van vereffenaar tegen deze roldatum hebben opgeroepen in deze procedure;
ii. eveneens op de rol van 7 oktober 2026 moet [gedaagde 1] bij akte alle toelichtingen en stukken indienen als hiervoor bedoeld onder 4.12 en 4.13;
iii. op de rol van vier weken later, zullen [eiser] en [gedaagde 2] de gelegenheid krijgen een conclusie te nemen, waarin zij zich dienen uit te laten over de standpunten die zij innemen met betrekking tot de punten vermeld onder 4.14 tot en met 4.16 en zij mogen reageren op de nadere informatie zoals door [gedaagde 1] ingebracht als hiervoor vermeld in en 4.12. en 4.13.. De rechtbank verzoekt [eiser] en [gedaagde 2] in deze conclusie eveneens duidelijkheid te verschaffen welke vorderingen zij, zoals opgenomen in de dagvaarding en in de akte na tussenvonnis in relatie tot [gedaagde 1] in persoon, nog resteren, ook gelet op hetgeen is overwogen in r.o. 4.15 en 4.16, en een rapport van een handtekeningdeskundige aan te leveren, en zo nodig hun eis te wijzigen. [eiser] mag in deze conclusie bovendien reageren op de eis in reconventie van [gedaagde 1];
iv. op de rol van opnieuw vier weken later zullen [gedaagde 1], [dochter 1] en [dochter 2] de gelegenheid krijgen een conclusie te nemen waarin zij op de conclusie van [eiser] en [gedaagde 2] en op de tegen hen in hoedanigheid van vereffenaar ingestelde eis met gronden kunnen reageren, waarbij ook zij zich dienen uit te laten over het standpunt dat zij innemen met betrekking tot het punt vermeld onder 4.15 en 4.16.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen aangegeven ervoor open te staan een minnelijke regeling te beproeven. De rechtbank begreep dat het daarvoor helpend is als de hiervoor bedoelde informatie op tafel komt en er meer duidelijkheid komt over de standpunten van partijen. De rechtbank geeft partijen dan ook in overweging naar aanleiding van de stukken die zij van elkaar zullen ontvangen met elkaar in contact te treden en te bezien of zij er onderling uit kunnen komen.
5 De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak allereerst
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3], en ook jegens [gedaagde 1], voor zover zij althans procedeert in de hoedanigheid van executeur;
in het incident
laat [gedaagde 2] toe als tussenkomende partij in het geschil tussen [eiser] en [gedaagde 1];
houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan;
in de hoofdzaak voorts
beveelt [gedaagde 1] medewerking te verlenen aan het handtekeningonderzoek met betrekking tot de leningsovereenkomst gedateerd op 1 januari 2004, door op eerste verzoek van [eiser] hem zoveel mogelijk stukken te verstrekken waarop de handtekening en zo mogelijk paragraaf van erflater staat, bij voorkeur uit de periode van het opmaken van deze overeenkomst;
beveelt [gedaagde 1] op de rol van 7 oktober 2026 bij akte de informatie in het geding te brengen als hiervoor vermeld in 4.12 en 4.13;
stelt [eiser] en [gedaagde 2] in de gelegenheid om [dochter 1], [dochter 2] en [gedaagde 1] in haar hoedanigheid van vereffenaar als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv om op de rolzitting van 7 oktober 2026 in het geding te verschijnen, met dien verstande dat:
-
deze oproeping middels deurwaardersexploot dient te geschieden,
-
deze oproeping de eis dient de bevatten die [eiser] en [gedaagde 2] tegen hen instellen en de gronden van die eis,
-
een afschrift van de oproeping dient te worden ingebracht tegen de rol van 21 oktober 2026,
-
de oproeping moet vermelden dat partijen niet in persoon kunnen verschijnen, maar zich dienen te doen vertegenwoordigen door een advocaat en dat zij bij verschijning griffierecht verschuldigd zijn;
bepaalt dat de zaak vervolgens weer op de rol zal komen van vier weken daarna voor het nemen van een conclusie door [eiser] en [gedaagde 2] en opnieuw vier weken daarna voor het nemen van een conclusie door [gedaagde 1], [dochter 1] en [dochter 2] als hiervoor bedoeld onder 4.18 onder iii en iv;
houdt iedere verdere beslissing aan.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026. |
2984