RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.511
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes)
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van eisers beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en het besluit waarbij eisers asielaanvraag is afgewezen moet worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Dat betekent dat blijft staan dat eiser geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd krijgt. De rechtbank volgt de minister erin dat gelet op eisers verklaringen geen geloof kan worden gehecht aan zijn gestelde biseksualiteit en de problemen die eiser als gevolg daarvan stelt te hebben ondervonden. Het besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen, maar schiet in de motivering tekort. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Eerst volgt een uiteenzetting van het procesverloop in dit geding (2), van het asielrelaas van eiser (3) en van het bestreden besluit (4). Daarna volgt de beoordeling door de rechtbank. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen (5), of de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser (6) en of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de verklaringen van eiser over zijn biseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn (7). Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan (8).
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van
29 december 2025 afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving daarvan niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1990, heeft de Nigeriaanse nationaliteit en hangt het christendom aan. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser had in Nigeria een relatie met een vrouw. Tijdens die relatie leerde eiser via zijn werk als brommertaxichauffeur [persoon] kennen. De aanvankelijk seksuele relatie met [persoon] ontwikkelde zich tot een liefdesrelatie. Zo ontdekte eiser (op 25-jarige leeftijd) zijn biseksuele gerichtheid. De relatie met [persoon] werd bekend bij eisers familie die dit niet accepteerde en waardoor eiser problemen ondervond. Bij terugkeer vreest eiser dat zijn familie hem aangeeft bij de politie. Omdat de Nigeriaanse wet, en ook de cultuur, eisers seksuele gerichtheid verbiedt, verwacht eiser problemen met de autoriteiten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
-
identiteit, nationaliteit en herkomst;
-
biseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister acht de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Aan eisers verklaringen over zijn biseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen hecht de minister geen geloof. Daaraan legt de minister ten grondslag dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. De minister heeft aan de hand van de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)1 beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is, maar geconcludeerd dat dat niet het geval is omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat zijn verklaringen een samenhangend en aannemelijk geheel vormen.2 Daartoe acht de minister redengevend dat eisers verklaringen over het ontstaan en de betekenis van de liefdesrelatie met [persoon] summier en oppervlakkig zijn, dat eiser ook over een liefdesrelatie met een man in algemene zin summier en oppervlakkig heeft verklaard, dat eisers verklaringen over de wijze waarop zijn relatie met [persoon] bekend werd vaag en tegenstrijdig zijn en dat eisers verklaringen over de verhouding tussen het christendom en zijn seksuele gerichtheid summier en oppervlakkig zijn. In het geloofwaardig geachte asielmotief is volgens de minister geen reden gelegen voor de conclusie dat eiser heeft te vrezen voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade in Nigeria. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen als ongegrond.
De zorgvuldige totstandkoming van het bestreden besluit
5. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De minister heeft eiser ten onrechte niet conform artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000)3 gehoord. De minister werpt eiser namelijk summiere, vage en tegenstrijdige verklaringen tegen, terwijl eiser daarmee tijdens het nader gehoor niet is geconfronteerd. Daardoor is eiser de mogelijkheid ontnomen om daarop te reageren. Ter onderbouwing van dit betoog verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 december 2020.4
In artikel 3.113, eerste lid, van het Vb 2000, dat strekt tot implementatie van artikel 16 van de Procedurerichtlijn5, staat – voor zover van belang – dat de vreemdeling tijdens een nader gehoor in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de elementen aan te voeren die nodig zijn voor de onderbouwing van zijn aanvraag. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit rechtspraak van de Afdeling leidt de rechtbank af dat de minister een vreemdeling in het voornemen niet mag overvallen met een veelheid aan tegenstrijdigheden en/of inconsistenties waarmee hij de vreemdeling eerder (tijdens een gehoor) niet heeft geconfronteerd. De rechtbank leidt daaruit echter niet af dat alleen tegenstrijdigheden en/of inconsistenties mogen worden tegengeworpen waarmee de vreemdeling tijdens het nader gehoor is geconfronteerd.6 In dit geval is eiser in het voornemen (gehandhaafd in het bestreden besluit) één tegenstrijdigheid tegengeworpen. De overige tegenwerpingen zien volgens de minister op summiere, oppervlakkige en vage verklaringen van eiser. Bovendien blijkt uit het nader gehoor dat de minister eiser met meerdere van zijn daar afgelegde verklaringen wel heeft geconfronteerd en om uitleg of een toelichting heeft gevraagd. Hoewel eiser niet uitdrukkelijk met de tegenstrijdig geachte verklaring is geconfronteerd, is eiser over die verklaring tijdens het nader gehoor wel nader bevraagd. Dat eiser tijdens het nader gehoor niet uitdrukkelijk met de enige tegenstrijdigheid die hem wordt tegengeworpen, is geconfronteerd, maakt de totstandkoming van het bestreden besluit daarom niet onzorgvuldig. De conclusie dat het asielmotief over de biseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig is, is ook niet alleen gestoeld op die ene door de minister geconstateerde tegenstrijdigheid. Daarbij komt nog dat eiser via de correcties en aanvullingen onjuistheden in de gehoren had kunnen aankaarten. Dat heeft hij niet gedaan. Ook heeft eiser met het indienen van een zienswijze de mogelijkheid gehad om te reageren op wat hem in het voornemen is tegengeworpen. Daarmee is voldaan aan het vereiste uit artikel 3.113, eerste lid, van het Vb 2000 dat eiser in de gelegenheid is gesteld om uitleg te geven over onjuistheden in verklaringen.7Dat eiser ook met vaagheden en summiere verklaringen moet zijn geconfronteerd voordat deze aan hem mogen worden tegengeworpen, leidt de rechtbank uit de regelgeving en rechtspraak niet af. Bovendien geldt ook daarvoor dat eiser via de correcties en aanvullingen en zienswijze de gelegenheid heeft gehad daar uitleg over te geven. De rechtbank concludeert dan ook dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn asielrelaas toe te lichten en aannemelijk te maken. Van een onzorgvuldig voorbereid besluit is geen sprake. De situatie zoals aan de orde in de Afdelingsuitspraak waarop eiser zich beroept is niet vergelijkbaar met die van eiser, zodat een beroep op die uitspraak niet leidt tot een ander oordeel.
Het betrekken van het referentiekader van eiser
6. Eiser betoogt dat de minister bij het horen en beslissen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Eiser is laaggeletterd, kan niet lezen en schrijven en had daarom moeite met de door de hoormedewerker gestelde vragen. Die vragen heeft hij (uit beleefdheid en plichtstrouw) toch geprobeerd te beantwoorden. Gelet op de cultuur waarin eiser is opgegroeid, is hij niet gewend om te doorgronden wat de minister heeft beoogd te vragen. Daar waar de minister overweegt dat eiser niet voldoet aan het verwachtingspatroon, licht de minister bovendien niet toe wat dit verwachtingspatroon inhoudt en waaraan eiser niet voldoet. Eiser kan zich over zijn seksuele gerichtheid alleen uitdrukken zoals hij dat tijdens het nader gehoor heeft gedaan. Met dieperliggende lagen is eiser niet bekend. Daarbij komt nog dat vanwege de visie op LHBTI en rolpatronen binnen eisers cultuur en gemeenschap, gevoelens en gedachten worden weggedrukt en niet worden toegelaten. Eisers seksuele gerichtheid is er immers verboden.
In werkinstructie (WI) 2024/68 staat over het referentiekader dat bij de beoordeling van de vijf voorwaarden van de geloofwaardigheidstoets – voor zover relevant – kenbaar rekening moet worden gehouden met wat in zijn algemeenheid van de vreemdeling mag worden verlangd en dat daarbij het referentiekader van de vreemdeling een rol speelt. Aspecten die daarbij van belang kunnen zijn, zijn leeftijd, geslacht, opleiding, land/gebied van herkomst, cultuur, en aspecten zoals werk, de omvang van het leefgebied en toegang tot internet, (social) media. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat het zwaartepunt in LHBTI-zaken moet liggen bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen met zijn seksuele gerichtheid.9 Uit WI 2019/1710 volgt dat de minister bij de vraagstelling en beoordeling rekening houdt met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling.11 Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval onvoldoende is gebeurd.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de minister in zijn geval onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader.
De rechtbank stelt vast dat de hoormedewerker tijdens het nader gehoor heeft opgemerkt dat uit informatie van MediFirst blijkt dat eiser analfabeet is en dat het eiser helpt als er korte, eenduidige vragen worden gesteld. De hoormedewerker heeft daar vervolgens over gezegd dat daar rekening mee wordt gehouden tijdens het nader gehoor en dat eiser het kan aangeven als hij een vraag niet goed begrijpt. In zoverre is de omstandigheid dat eiser analfabeet is tijdens het nader gehoor expliciet onderkend. De rechtbank is het met de minister eens dat uit het nader gehoor verder niet volgt dat onvoldoende rekening is gehouden met eisers referentiekader, in die zin dat hem (te) moeilijke vragen zijn gesteld. Eiser duidt ook niet nader waar in het nader gehoor dat wel het geval zou zijn geweest, bijvoorbeeld door aan te geven welke vraag hij dan niet begrepen zou hebben of welke vraag zodanig ingewikkeld is gesteld dat die voor hem niet te beantwoorden was. Meermaals is ook een controlevraag gesteld om te verifiëren of dat wat eiser heeft verklaard goed is vertaald en/of begrepen. Uit de antwoorden die eiser op de gestelde vragen geeft, kan evenmin worden afgeleid dat hij de vraagstelling niet zou hebben begrepen en hij, zoals hij stelt, de vraag niet kon doorgronden. Eiser duidt niet nader waaruit dat zou volgen.
De minister moet ook bij het beslissen kenbaar rekening houden met wat van eiser mag worden verlangd. In het geval van eiser heeft de minister in de besluitvorming niet expliciet uiteengezet welk referentiekader hij bij de beoordeling van eisers asielrelaas als uitgangspunt heeft genomen. Daartoe bestaat geen algemene verplichting en dat betekent ook niet noodzakelijkerwijs dat de minister geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. Het is voldoende dat de minister het referentiekader van eiser, zo nodig, kenbaar in de besluitvorming betrekt.12 Dat is naar het oordeel van de rechtbank gebeurd. De minister heeft inzichtelijk gemaakt wat van eiser wordt verwacht, namelijk dat hij volledig, gedetailleerd, consistent en diepgaand verklaart over zijn asielrelaas. Meer specifiek verwacht de minister van eiser dat hij duidelijk en inzichtelijk onder woorden kan brengen wat zijn gedachten en gevoelens zijn en waren met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, dat hij concreet kan verklaren over de manier waarop zijn relatie bij zijn familie bekend is geworden en dat hij via uitgebreide, concrete, eenduidige en samenhangende verklaringen inzicht geeft in zijn gedachten en gevoelens in de verhouding tot het christendom en zijn seksuele gerichtheid. De minister heeft ook toegelicht waarom hij dat van eiser verwacht. Daarin ziet de rechtbank aanwijzingen dat de minister eisers referentiekader wel degelijk bij de besluitvorming heeft betrokken. Dat eiser niet aan het verwachtingspatroon van de minister voldoet, maakt niet dat de minister met eisers referentiekader geen of onvoldoende rekening heeft gehouden. Eiser heeft bovendien vrij algemeen gesteld dat de minister bij de beoordeling van zijn aanvraag onvoldoende acht heeft geslagen op zijn referentiekader, maar heeft dat weinig nader toegelicht en geconcretiseerd voor wat betreft specifieke tegenwerpingen. Met inachtneming van eisers herkomst, opleidingsniveau en culturele achtergrond mag in alle redelijkheid van hem worden verwacht dat hij diepgaand en uitgebreid inzicht geeft in zijn gedachten en gevoelens rondom zijn seksuele gerichtheid. Een algemene verwijzing naar de situatie van LHBTI in Nigeria en de cultuur waarin hij is opgegroeid, acht de rechtbank onvoldoende. Zoals de minister ook terecht opmerkt, verklaart het analfabetisme van eiser, zonder nadere toelichting, niet dat hij slechts beperkt kan verklaren over zijn gevoelens en gedachten over zijn seksuele gerichtheid.
De beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen
7. Eiser houdt, onder verwijzing naar de zienswijze, vast aan zijn opmerking dat de huidige geloofwaardigheidsbeoordeling, als bedoeld in WI 2024/6, ter discussie staat. Verder betoogt eiser dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn verklaringen over het tweede asielmotief ongeloofwaardig zijn. Voor wat betreft de wijze waarop zijn relatie met [persoon] bekend werd, heeft eiser toegelicht dat de minister hem niet correct citeert. Eiser heeft verklaard dat hij in een club werd gezien door een vriend, die dit aan zijn moeder heeft verteld en daarnaast heeft verklaard dat hij is gezien door zijn moeder op de terugweg van, en niet op, de markt. Ook heeft eiser voldoende inzicht gegeven in de relatie tussen zijn seksuele gerichtheid en zijn religie. God heeft eiser geschapen zoals hij is. Omdat eiser zichzelf accepteert, wordt hij ook door God geaccepteerd. Verder wijst eiser op zijn verklaring in de zienswijze dat hij in Nederland een partner heeft en activiteiten binnen de LHBTI-gemeenschap verricht, ter onderstreping van zijn seksuele gerichtheid.
Deze beroepsgrond slaagt deels. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Ebilum,13 het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen en afzien van het gebruik van de bewoordingen ‘niet ten onrechte’.
Voor zover eiser betoogt dat de door de minister toegepaste, en in WI 2024/6 opgenomen, geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming zou zijn met het Unierecht, verwijst de rechtbank naar rechtspraak van deze zittingsplaats waarin zij heeft geoordeeld dat de geloofwaardigheidsbeoordeling als neergelegd in WI 2024/6 in lijn is met het Unierecht.14 In zoverre slaagt eisers beroepsgrond dus niet. Datzelfde geldt, voor zover eiser dat betoogt, voor het betoog dat het beoordelingskader uit WI 2024/6 in zijn geval niet op juiste wijze zou zijn toegepast.
Verder stelt de rechtbank vast dat eiser in zijn beroepsgronden – los van zijn betoog over artikel 3.113, eerste lid, van het Vb 2000 en het betrekken van zijn referentiekader – van de redenen die de minister geeft om eisers verklaringen over het asielmotief biseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen onvoldoende samenhangend en aannemelijk te vinden, alleen betwist dat hij vaag en tegenstrijdig heeft verklaard over de wijze waarop zijn relatie met [persoon] bekend werd. Hij herhaalt daarbij dat hij voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn seksuele gerichtheid zich verhoudt tot zijn religie. Dat betekent dat eiser niet als zodanig betwist dat zijn verklaringen over het ontstaan en de betekenis van de liefdesrelatie met [persoon] en over een relatie met een man in zijn algemeenheid summier en oppervlakkig zijn. Los van zijn meer algemene betoog over artikel 3.113, eerste lid, van het Vb 2000 en het op juiste wijze bij de beoordeling betrekken van zijn referentiekader, waarover de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld, voert eiser hiertegen geen afzonderlijke beroepsgrond aan. De rechtbank volgt de minister ook in die tegenwerpingen. De minister stelt zich ook terecht op het standpunt dat eiser niet consistent heeft verklaard over de manier waarop en waar zijn moeder hem en [persoon] heeft gezien. In de tegenwerping dat eiser onduidelijk zou hebben verklaard over wie hem en [persoon] in eerste instantie heeft gezien, waar dat was en op welke manier de familie van eiser van de relatie op de hoogte is geraakt, kan de rechtbank de minister niet volgen. De rechtbank is van oordeel dat eisers verklaringen hierover voldoende duidelijk zijn. De verklaring van eiser dat iemand die hen samen heeft gezien zijn ouders daarover heeft verteld, kan bestaan naast de verklaring van eiser dat zijn moeder hem en [persoon] samen heeft gezien. Hierin ziet de rechtbank geen vaagheid of tegenstrijdigheid. De rechtbank verbindt daaraan echter geen gevolgen, omdat zij de minister volgt in zijn op zitting ingenomen standpunt dat dit geen dragende overweging is voor de conclusie dat eisers verklaringen over zijn biseksuele gerichtheid en de problemen die hij als gevolg daarvan stelt te hebben ondervonden, ongeloofwaardig zijn. Daarbij wijst de minister er terecht op dat het zwaartepunt van de beoordeling in dat verband is gelegen bij eisers verklaringen over het ontstaan en de betekenis van de liefdesrelatie met [persoon] en zijn verklaringen over een liefdesrelatie met een man in zijn algemeenheid. Ook blijven de overige tegenwerpingen van de minister staan. Het in beroep aangevoerde dat eiser het geen issue vindt om zowel biseksueel als christen te zijn en dat hij, omdat hij zichzelf accepteert, ook door God wordt geaccepteerd, heeft eiser ook in de zienswijze aangevoerd. Daaraan heeft de minister een overweging gewijd in het bestreden besluit. Dit vormt dus enkel een herhaling van verklaringen en vormt als zodanig geen betwisting van het bestreden besluit. Daarbij volgt de rechtbank de minister erin dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachten en gevoelens rondom zijn religie ten opzichte van zijn seksuele geaardheid. Van eiser mocht op dit punt meer worden verwacht.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de zienswijze ook heeft aangevoerd dat van belang is dat hij in Nederland een (mannelijke) partner heeft, die nog in de asielprocedure zit, en dat hij veelvuldig contact onderhoudt met LHBTI-organisaties, waaronder LGBT Asylum Support. De reactie van de minister hierop in het bestreden besluit, namelijk dat hem niet duidelijk is wat eiser met deze opmerkingen in de zienswijze betoogt, kan de rechtbank niet volgen. Volgens de rechtbank is deze stelling van eiser moeilijk anders te begrijpen dan dat hij daarmee zijn verklaring over zijn seksuele gerichtheid wil ondersteunen. Dit zijn bovendien aspecten die volgens WI 2019/17 van belang zijn bij een beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid. De motivering van de minister in het bestreden besluit schiet op dit punt dan ook tekort. Dit is reden om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wel ziet de rechtbank in het streven naar finale geschilbeslechting aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het (te vernietigen) bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Op de zitting heeft de minister hierover het nadere standpunt ingenomen dat eiser enkel naar voren brengt dat hij in Nederland een partner zou hebben en hier contact onderhoudt met LHBTI-organisaties, maar dat hij dat niet aantoont en concretiseert en ook niet toelicht welke betekenis dat voor hem persoonlijk heeft. De inhoud van de verklaringen van eiser, het gebrek aan onderbouwing en nadere duiding daarvan, afgezet tegen de omstandigheid dat het zwaartepunt bij een beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid ligt bij de eigen verklaringen van de vreemdeling en het geven van inzicht in de eigen ervaringen en belevingswereld met betrekking tot (de ontdekking van) een gestelde seksuele gerichtheid, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat ook als de verklaringen van eiser in de zienswijze bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief worden betrokken, het de conclusie over de geloofwaardigheid daarvan niet anders maakt. Daartegen heeft eiser niets aangevoerd. Eiser is immers niet op de zitting verschenen, maar heeft verzocht om zijn beroep te beoordelen op grond van de stukken die voorliggen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister het geconstateerde motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit gelet op wat onder 7.1.3. is overwogen, in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit om die reden. Wel laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de minister het geconstateerde motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 934 (1 punt voor het instellen van beroep, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.