ECLI:NL:RBDHA:2026:27830

Datum uitspraak
29-07-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
K/4502/12129308
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hiltermann; financial lease; afwijzing vordering.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

RvdB b

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Den Haag

Zaaknummer: 12129308 \ RL EXPL 26-5470

Vonnis van 29 juli 2026 (bij vervroeging)

in de zaak van

HILTERMANN LEASE B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

eisende partij,

hierna te noemen: Hiltermann,

gemachtigde: Hafkamp Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde partij] , handelende onder de naam [handelsnaam]

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 4 maart 2026 met 5 producties;

  • de conclusie van antwoord met 5 producties;

  • de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; en

  • de akte eiswijziging van Hiltermann met productie 6.

1.2.

Op 16 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens de gemachtigde van Hiltermann is mr. J.H. Hakvoort verschenen. [gedaagde partij] vertegenwoordigde zichzelf en werd bijgestaan door de heer [naam 1] .

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag, dat bij vervroeging wordt gewezen.

2 De feiten

2.1.

Op 4 september 2025 heeft Hiltermann heeft een huurkoopovereenkomst (financial lease) gesloten met [gedaagde partij] voor een Audi met het kenteken [kenteken 1] . De looptijd van deze overeenkomst is 48 maanden met een maandelijkse leasetermijn van € 466,90. De totale leaseprijs bedraagt € 26.411,20.

2.2.

Op 5 september 2025 heeft Hiltermann nog een huurkoopovereenkomst (financial lease) gesloten met [gedaagde partij] voor een Audi met het kenteken [kenteken 2] . De looptijd van deze overeenkomst is 50 maanden met een maandelijkse leasetermijn van € 430,85. De totale leaseprijs bedraagt € 27.742,50.

2.3.

Beide overeenkomsten zijn digitaal ondertekend door een IDIN-verificatie op basis van documenten die [gedaagde partij] heeft aangeleverd.

2.4.

Op beide overeenkomsten zijn de algemene voorwaarden van Hiltermann (de AV) van toepassing. In artikel 13 van de AV staat dat de leasetermijn bij vooruitbetaling op de eerste werkdag van de maand moet worden betaald. In artikel 43 van de AV staat dat als [gedaagde partij] niet of niet tijdig aan een van zijn verplichtingen voldoet, Hiltermann het nog niet betaalde deel van de leaseprijs direct mag opeisen, na voorafgaande ingebrekestelling. In artikel 43, tweede gedachtestreepje, staat ook dat Hiltermann het nog niet betaalde deel van de leaseprijs direct mag opeisen, na voorafgaande ingebrekestelling, als blijkt: “dat bij het aangaan van de overeenkomst door Hiltermann feiten of omstandigheden zijn verzwegen of onjuist zijn voorgesteld, zodanig dat bij tijdige kennisneming daarvan de Overeenkomst door [Hiltermann] niet of op een andere conditie zou zijn aangegaan”.

2.5.

Op 17 september 2025 heeft Hiltermann aangifte gedaan van verduistering van de twee door [gedaagde partij] geleasete auto’s. Dit heeft ertoe geleid dat de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) op 18 september 2025 de tenaamstelling van deze auto’s heeft geschorst. Vanaf dat moment kon [gedaagde partij] geen gebruik meer maken van de auto’s. [gedaagde partij] heeft diezelfde dag en de dag erna geprobeerd contact te krijgen met Hiltermann. Hij heeft toen in elk geval contact gehad met [naam 2] van Dekra Investigations, die het woord voerde namens Hiltermann.

2.6.

Op enig moment heeft [gedaagde partij] een brief ontvangen van Hiltermann, waarin de auto’s werden teruggevorderd omdat volgens Hiltermann sprake was van fraude bij het aangaan van de overeenkomsten. Als reactie daarop heeft [gedaagde partij] op 8 oktober 2025 een brief gestuurd naar Hiltermann. In die brief heeft hij uitgelegd dat er geen sprake was van fraude, maar van een misverstand en dat er geen reden was voor de aangifte. Als onderbouwing gaf [gedaagde partij] aan dat hij een fotokopie had gebruikt van zijn oude paspoort. Dat paspoort was niet meer geldig omdat hij het als verloren had opgegeven en inmiddels een nieuw paspoort had ontvangen. Op die brief heeft [gedaagde partij] geen reactie ontvangen van Hiltermann.

2.7.

Op 29 december 2025 heeft Hiltermann een aanmaning gestuurd aan [gedaagde partij] . Op 6 januari 2026 heeft Hiltermann een tweede aanmaning gestuurd aan [gedaagde partij] . In beide brieven staat dat [gedaagde partij] wordt aangemaand vanwege zijn tekortkoming in de nakoming van zijn financiële verplichtingen.

2.8.

Op 19 januari 2026 heeft Hiltermann een sommatie-exploot uitgebracht en betekend aan [gedaagde partij] . Daarin is vermeld dat eerdere herinneringen en aanmaningen niet hebben geleid tot een betaling, [gedaagde partij] daardoor tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit de overeenkomsten en Hiltermann beide overeenkomsten ontbindt. Ook wordt [gedaagde partij] gesommeerd tot betaling van € 54.760,18, te weten het niet betaalde deel van de totale leaseprijs van beide auto’s.

2.9.

Op 4 februari 2026 heeft de rechtbank Noord-Holland een verstekvonnis gewezen in een door [gedaagde partij] aangespannen procedure tegen Hiltermann. In die procedure heeft [gedaagde partij] gevorderd dat Hiltermann de hiervoor genoemde aangifte intrekt of annuleert. De kantonrechter heeft overwogen dat uit de dagvaarding en de overgelegde producties blijkt dat er geen sprake is van diefstal van de auto’s door [gedaagde partij] . De vorderingen worden afgewezen, omdat annulering (of intrekking) van de aangifte niet meer mogelijk is en dat de formulering van het petitum meer een opdracht aan Hiltermann is dan een vordering in rechte.

3 Het geschil

3.1.

Hiltermann vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 59.952,75, vermeerderd met rente en kosten, en afgifte van de twee auto’s op straffe van een dwangsom.

3.2.

Hiltermann baseert haar vordering op het volgende. [gedaagde partij] heeft zijn betalingsverplichting uit de overeenkomsten geschonden en heeft bij het aangaan van de overeenkomsten vervalste documenten gebruikt. In de overeenkomsten staat dat deze (afzonderlijk en in samenhang geziene) situaties een reden geven tot ontbinding van de overeenkomsten en leiden tot directe opeising van het openstaande deel van de totale leaseprijs.

3.3.

[gedaagde partij] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover nodig nader ingegaan.

4 De beoordeling

Hiltermann heeft de kantonrechter niet volledig ingelicht; schending artikel 21 Rv

4.1.

De kantonrechter vindt dat Hiltermann in strijd heeft gehandeld met artikel 21 van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarin staat dat partijen verplicht zijn de rechter volledig en naar waarheid in te lichten over de feiten die relevant zijn voor de beslissing. Dat heeft Hiltermann niet gedaan. In de dagvaarding heeft zij namelijk verklaard dat haar geen verweer van [gedaagde partij] bekend was. Uit de door [gedaagde partij] ingediende conclusie van antwoord en bijbehorende producties volgt echter dat tussen Hiltermann en [gedaagde partij] vaak contact is geweest over deze kwestie. Hiltermann is zelfs gedagvaard door [gedaagde partij] , wat heeft geleid tot een verstekvonnis.

4.2.

Ook heeft Hiltermann in de dagvaarding niets vermeld over de door haar gedane aangifte tegen [gedaagde partij] van verduistering van de twee geleasete auto’s. Door de aangifte is de tenaamstelling geschorst en kon [gedaagde partij] geen gebruik meer maken van deze auto’s. Deze informatie bereikte de kantonrechter echter voor het eerste via de conclusie van antwoord van [gedaagde partij] . Deze omstandigheden zijn relevant voor de beoordeling van de vraag of Hiltermann de overeenkomst mocht ontbinden en of de totale leaseprijs opeisbaar is. Daarbij komt ook dat Hiltermann 10 dagen voor de mondelinge behandeling de grondslag van haar vordering uitbreidde en zich vanaf dan beroept op de vermeende fraude. Hiltermann heeft tijdens de mondelinge behandeling over deze gang van zaken alleen verklaard dat het slordig is. Over haar de beweegredenen bij dit alles heeft zij geen opheldering verstrekt.

4.3.

Omdat de vordering van Hiltermann wordt afgewezen, kan in het midden blijven of aan de schending van artikel 21 Rv consequenties moeten worden verbonden.

Onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde partij] valse/onjuiste documenten heeft verstrekt

4.4.

Op grond van de overeenkomsten is Hiltermann verplicht de twee auto’s te verstrekken aan [gedaagde partij] . Hiltermann heeft gesteld dat zij haar verplichting mocht opschorten op grond van artikel 43, tweede gedachtestreepje van de AV, omdat [gedaagde partij] vervalste documenten heeft gebruikt bij het aangaan van de overeenkomst.1 [gedaagde partij] zou namelijk een vervalst kopie vreemdelingendocument en een vervalst Oekraïens rijbewijs hebben gebruikt. Dit heeft Hiltermann echter niet dan wel onvoldoende onderbouwd. [gedaagde partij] heeft gemotiveerd betwist dat hij deze documenten heeft geüpload bij de digitale ondertekening van de overeenkomsten. Ter onderbouwing hiervan heeft [gedaagde partij] toegelicht dat hij een fotokopie had gebruikt van zijn oude paspoort. Dat paspoort was niet meer geldig omdat hij het als verloren had opgegeven en inmiddels een nieuw paspoort had ontvangen. Beide kopieën heeft hij als productie in het geding gebracht. Naar eigen zeggen, heeft [gedaagde partij] bij het sluiten van de overeenkomst geen rijbewijs of vreemdelingendocument gebruikt.

4.5.

Hoewel daartoe de gelegenheid te hebben gehad, heeft Hiltermann tijdens de mondelinge behandeling geen nadere onderbouwing gegeven waaruit volgt welke stukken zijn ingediend. Het had op de weg van Hiltermann gelegen om bijvoorbeeld een digitale uitdraai te verstrekken van het gehele door [gedaagde partij] ingevulde aanvraagformulier. Dit brengt de kantonrechter tot de conclusie dat niet is komen vast te staan welke stukken [gedaagde partij] heeft gebruikt bij het aangaan van de overeenkomst.

4.6.

Zelfs al zou worden uitgegaan van Hiltermanns stelling dat het gaat om een kopie vreemdelingendocument en een Oekraïens rijbewijs, dan volgt nergens uit dat deze documenten zouden zijn vervalst. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst Hiltermann namelijk alleen naar de door haar gedane aangifte. De kantonrechter constateert dat de aangifte slechts een schriftelijke weergave betreft van de stelling van Hiltermann. Uit de enkele aangifte volgt niet dat de hiervoor genoemde stukken zijn vervalst. De valsheid van de documenten zou volgens Hiltermann ook volgen uit een e-mail van de ID-Desk van de Koninklijke Marechaussee, zoals weergegeven in de aangifte. Maar Hiltermann heeft deze e-mail niet overgelegd. Ook de stelling dat de documenten van [gedaagde partij] gelijkenissen vertoonden met een document van een andere klant van Hiltermann, de heer Bohdan Sierbin, heeft zij niet onderbouwd. Van Hiltermann had mogen worden verwacht dat zij ten minste dit document of de relevante delen daarvan had overgelegd, maar dat is niet gebeurd. Dat sprake zou zijn van valse/gemanipuleerde stukken bij het aangaan van de overeenkomst is dus niet komen vast te staan. Daarbij geldt ook dat Hiltermann [gedaagde partij] daar nooit voor in gebreke heeft gesteld, wat artikel 43 van de AV vereist. Ook op grond daarvan kon Hiltermann niet overgaan tot ontbinding van de overeenkomsten.

[gedaagde partij] mocht betaling opschorten

4.7.

Hiltermann heeft ook gesteld dat [gedaagde partij] zijn betalingsverplichtingen heeft geschonden. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde partij] de eerste leasetermijnen en de aanbetaling heeft betaald. [gedaagde partij] heeft een beroep gedaan op artikel 6:59 van het Burgerlijk Wetboek wat betreft de leasetermijnen over oktober 2025 en verder. Daarin staat dat de schuldenaar zijn verplichting mag opschorten als de schuldeiser tekortschiet in de nakoming van zijn verplichting. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Hiltermann op 17 september 2025 zonder geldige reden haar verplichting tot het verstrekken van de twee auto’s opgeschort. Hierdoor is Hiltermann in verzuim geraakt en mocht [gedaagde partij] de betaling van de verdere leasetermijnen terecht opschorten.

Hiltermann mocht de overeenkomsten niet ontbinden

4.8.

Uit het oordeel dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde partij] in strijd heeft gehandeld met zijn verplichtingen uit de overeenkomsten, volgt dat Hiltermann de overeenkomsten niet mocht ontbinden. De resterende leasetermijnen zijn daardoor niet opeisbaar en bestaat er geen reden tot teruggave van de auto’s. De vorderingen van Hiltermann worden daarom afgewezen.

Hiltermann moet de proceskosten betalen

4.9.

Hiltermann is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:

- verletkosten

€

50,00

- nakosten

€

21,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

71,50

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van Hiltermann af,

5.2.

veroordeelt Hiltermann in de proceskosten van € 71,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Hiltermann niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.M.G. van den Boorn en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »