RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13151
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hij is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is. Hij heeft namelijk niet tijdig de gronden van beroep ingediend, en heeft daarvoor geen verschoonbare reden. De rechtbank ziet ook geen reden om aan de niet-ontvankelijkheid voorbij te gaan. De door eiser aangevoerde omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat terugkeer naar Afghanistan onmiskenbaar tot een schending van artikel 3 van het EVRM zou leiden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 maart 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening,1 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Is het beroep ontvankelijk?
3. De vreemdeling die beroep instelt, moet in het beroepschrift de beroepsgronden vermelden. Dat betekent dat de vreemdeling moet uitleggen waarom hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als de vreemdeling geen beroepsgronden indient, dan geeft de rechtbank de vreemdeling eerst de gelegenheid om alsnog binnen een bepaalde termijn de beroepsgronden in te dienen. Dient de vreemdeling geen of te laat beroepsgronden in, dan kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren, tenzij deze termijnoverschrijding niet aan de vreemdeling valt toe te rekenen, en daarom verschoonbaar is.2
Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft daarom bij brief van 20 maart 2025 aan eiser de mogelijkheid geboden om de gronden van beroep in te dienen tot en met 27 maart 2025. In dit bericht is erop gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als eiser dit niet tijdig doet. Eiser heeft naar aanleiding van dit bericht geen gronden ingediend. Daarom heeft de rechtbank op 14 april 2025 eiser bericht dat (nog) steeds geen gronden van beroep zijn ingediend en nogmaals een termijn geboden, tot en met 21 april 2025, om de gronden in te dienen en daarbij te vermelden waarom deze verschoonbaar te laat zijn ingediend. Eiser heeft vervolgens op 23 april 2025, dus ruim na het verstrijken van de termijn genoemd in de brief van 20 maart 2025 en ook na het verstrijken van de termijn genoemd in de brief van 14 april 2025, alsnog gronden ingediend. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank laten weten dat zij de beroepsgronden te laat heeft ingediend, omdat zij ziek was.
De rechtbank stelt vast dat de gronden van beroep te laat zijn ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is ziekte van de gemachtigde van eiser echter geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding. Het ligt op de weg van de gemachtigde om tijdig beroepsgronden te dienen, te meer in de situatie dat zij zelf beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Van een professionele rechtshulpverlener mag worden verwacht dat deze de termijnen bewaakt en tijdig voorzieningen treft voor vervanging of waarneming bij eventuele uitval. Een termijnoverschrijding zal om die reden doorgaans niet verschoonbaar zijn. Uitzondering op dit uitgangspunt kunnen zijn (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de professionele rechtshulpverlener zelf.3 Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. De rechtbank betrekt hierbij dat de gemachtigde haar stelling dat zij ziek is geweest niet nader heeft onderbouwd en ook niet heeft onderbouwd waarom zij niet iemand had kunnen machtigen om namens haar de gronden van beroep in te dienen. Daarbij komt dat de gemachtigde tijdens de zitting heeft medegedeeld dat zij niet de gehele periode waarin zij in verzuim was ziek is geweest. Ook het betoog van de gemachtigde tijdens de zitting dat de werkdruk bij asieladvocaten groot is, acht de rechtbank geen verschoonbare reden voor het te laat indienen van de gronden. Gelet op voorgaande ziet de rechtbank aanleiding het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
In het gegeven dat na het (alsnog) indienen van de beroepsgronden geruime tijd is verstreken voordat de zaak op zitting is behandeld, ziet de rechtbank geen reden om het beroep alsnog ontvankelijk te verklaren. Tijdsverloop staat namelijk los van de vraag of het te laat indienen van de beroepsgronden verschoonbaar is.
Is er reden om aan de niet-ontvankelijkverklaring voorbij te gaan?
4. Voordat de rechtbank een asielberoep in verband met een niet nageleefde procedureregel niet-ontvankelijk verklaart, moet zij beoordelen of sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar.4 Dat is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)5 het geval als wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de minister bij uitzetting van die vreemdeling artikel 3 van het EVRM zou schenden. De rechtbank zal daarom beoordelen of zich in deze zaak bijzondere feiten en omstandigheden voordoen die tot die conclusie leiden. De rechtbank doet dat aan de hand van wat eiser heeft aangevoerd en overgelegd, en het standpunt van de minister daarover in het bestreden besluit.
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Afghaanse nationaliteit en is op 2 april 2008 geboren. De vader van eiser werkte voor het voormalige regime, bij de veiligheidsdienst. Om deze reden is hij door de Taliban doodgeschoten, waarna eiser door de Taliban werd benaderd om met hen samen te werken. Eiser is twee keer meegenomen door de Taliban, maar heeft beide keren weten te ontsnappen. Om te voorkomen dat hij een derde keer door de Taliban zou worden meegenomen, heeft eiser besloten Afghanistan te verlaten. Bij terugkeer vreest eiser wederom voor problemen met de Taliban.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen met de Taliban.
De minister acht de nationaliteit, herkomst en minderjarigheid van eiser geloofwaardig, maar heeft de identiteit van eiser niet geloofwaardig bevonden. De door eiser overgelegde taskera is namelijk na onderzoek vals bevonden, waardoor hij zijn identiteit niet met documenten heeft onderbouwd (stap 2a uit Werkinstructie (WI) 2024/6). De minister heeft daarom dit asielmotief beoordeeld aan de hand van stap 2b uit de WI, en gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Ook de problemen met de Taliban zijn niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft dit asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten en voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c en e van de Vw 2000. Verder heeft de minister gesteld dat het enkele verblijf in het Westen niet maakt dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Afghanistan. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd waarom dat in zijn geval wel zo is. Omdat eiser minderjarig is, heeft de minister beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning. Dat is niet het geval, omdat voor eiser adequate opvang aanwezig is in Afghanistan.
7. Eiser heeft, kort samengevat, aangevoerd dat zijn identiteit wel aannemelijk is gemaakt met de in beroep overgelegde documenten. Verder zijn ook de problemen met de Taliban geloofwaardig, gelet op een oproepbrief van de Taliban en een verklaring van de stamoudsten. Eiser voert ook aan dat hij een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM vanwege verwestering. De minister had volgens eiser meer onderzoek moeten doen naar adequate opvang en had de aanvraag niet kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond, omdat geen sprake is van misleiding. Ook voert eiser aan dat de door de minister gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht. Tot slot wijst eiser erop dat de niet-ontvankelijkheidverklaring van een asielzaak van een alleenstaande minderjarige vreemdeling op gespannen voet staat met het recht op een effectief rechtsmiddel.
8. De rechtbank zal hierna per beroepsgrond beoordelen of de niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven vanwege de Bahaddar-exceptie.
Kennelijk ongegrond, geloofwaardigheidsbeoordeling en identiteit
Het betoog van eiser met betrekking tot de kennelijk ongegrondverklaring en de stelling dat de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht raakt niet aan een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM en leidt alleen daarom al niet onmiskenbaar tot het oordeel dat de minister bij uitzetting van eiser artikel 3 van het EVRM zal schenden. De rechtbank zal op dat betoog daarom niet nader ingaan.
Met betrekking tot de ongeloofwaardig bevonden identiteit van eiser overweegt de rechtbank dat ook dit geen betrekking heeft op de vraag of eiser bij terugkeer onmiskenbaar een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het standpunt van de minister dat de identiteit ongeloofwaardig is, gelet op de uitkomst van het onderzoek van Koninklijke Marechaussee en Bureau Documenten naar de overgelegde taskera’s en geboorteakte, niet evident onjuist is.
Adequate opvang
Ook het betoog van eiser dat de minister meer onderzoek had moeten doen naar adequate opvang, is geen bijzonder feit of omstandigheid die onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de minister bij uitzetting van eiser artikel 3 van het EVRM zal schenden. Eiser is namelijk inmiddels meerderjarig en kan bovendien verblijven bij zijn moeder die nog altijd in het ouderlijk dorp woont.
Geloofwaardigheid relaas
De minister heeft eisers problemen met de Taliban ongeloofwaardig geacht. Daarom moet worden getoetst of dat standpunt niet evident onjuist is.6 De minister heeft gesteld dat eiser zijn relaas niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. Ook heeft eiser met zijn verklaringen de problemen met de Taliban niet aannemelijk gemaakt, waarbij de minister op verschillende ongerijmdheden heeft gewezen. De rechtbank acht het standpunt van de minister niet evident onjuist, met name gelet op eisers onaannemelijke verklaringen over de wijze van vasthouden en ontsnappen door en aan de Taliban. Ook heeft eiser de argumenten van de minister dat de problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn slechts gedeeltelijk (inhoudelijk) betwist.
Naar het oordeel van de rechtbank leiden de in beroep overgelegde documenten –een oproep van de Taliban en een verklaring van de stamoudsten – niet tot een ander oordeel. Bureau Documenten heeft beide documenten onderzocht en kan over de echtheid, opmaak en afgifte geen uitspraak doen. Wel constateert Bureau Documenten dat de oproep van de Taliban slechts een gedeeltelijke afdruk van een inktstempel bevat.
Met betrekking tot de verklaring van de stamoudsten overweegt de rechtbank dat onduidelijk is op grond van welke kennis of waarneming de ondertekenaars dit stuk hebben opgesteld, te meer omdat eiser op zitting heeft verklaard dat het stuk op zijn verzoek is opgemaakt. Dat maakt dat aan deze verklaring weinig bewijswaarde toekomt.
Ook de oproepbrief van de Taliban maakt, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat het standpunt van de minister over de ongeloofwaardigheid evident onjuist is. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de oproepbrief bezien moet worden in het licht van het gehele asielrelaas, waarbij de verklaringen van eiser over zijn gestelde problemen met de Taliban ongeloofwaardig zijn bevonden. Bovendien heeft eiser, al dan niet gelijktijdig, meerdere (andere) documenten overgelegd die vals dan wel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt zijn bevonden. Ook betrekt de rechtbank dat het bevreemdend is dat eiser pas een jaar nadat deze oproepbrief is ontvangen, de brief heeft overgelegd. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het standpunt van de minister dat de problemen van eiser met de Taliban niet geloofwaardig zijn, ook met de overgelegde documenten in onderlinge samenhang bezien, niet evident onjuist is en dus niet leidt tot een onmiskenbaar risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Afghanistan.
Verwestering
Tot slot leidt ook de (gestelde) verwestering van eiser niet tot een evident risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarbij wijst de rechtbank op rechtspraak van de Afdeling.7
Effectief rechtsmiddel
Het betoog van eiser dat een niet-ontvankelijkverklaring in een asielzaak van een alleenstaande minderjarige vreemdeling op gespannen voet staat met het recht op een effectief rechtsmiddel8, slaagt niet. Allereerst is van belang dat ook de Procedurerichtlijn er vanuit gaat dat in de beroepsfase termijnen gelden.9 Dat geldt ook in zaken van alleenstaande minderjarigen. Verder is met voorgaande Bahaddar toets en (daarmee ook) de ambtshalve toets van de rechtbank of sprake is van een risico op een schending van het refoulementverbod bij de uitvoering van een terugkeerbesluit10 de effectiviteit van het rechtsmiddel voldoende gewaarborgd.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat terugkeer naar Afghanistan onmiskenbaar zal leiden tot een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.