ECLI:NL:RBDHA:2026:22361

Datum uitspraak
11-08-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
09/224635-25 en 09/277790-22 (tul)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Brandstichting, gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar in het stadkantoor van Leiden. Verminderd toerekeningsvatbaar. Zorgmachtiging of TBS? Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek en tbs met dwangverpleging.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/224635-25 en 09/277790-22 (tul)

Datum uitspraak: 11 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 november 2025, 10 februari 2026, 30 april 2026 (alle pro forma) en 28 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. N.C. Neelis en mr. I. Raterman, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.A. Versteegh, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 augustus 2025 te Leiden, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/bij het stadskantoor van de gemeente Leiden en/of een pand gelegen aan de [adres 2] , een brandbare vloeistof (aanstekervloeistof van het merk Zippo) op/onder/naast de balie en/of de toonbank en/of een computer en/of een stoel te spuiten en/of te sprayen en/of te gieten en die brandbare vloeistof in aanraking te brengen met open vuur ten gevolge waarvan een balie en/of een computer beeldscherm en/of een pinautomaat en/of een bureau en/of een stoel en/of één of meerdere goederen in dat voornoemde pand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voor voornoemd pand en/of de in dat pand aanwezig zijnde goederen en/of de zich naast dat pand gelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was

en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen,

te weten voor personen achter de balie en/of in het pand en/of in de zich naast het

pand gelegen panden, in elk gevaar levensgevaar voor een ander of anderen te

duchten was.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de strafverzwarende kwalificatie ‘te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel’.

3.3.

Gebruikte bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025278732, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 142).

1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 18 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 13-14):

Op maandag 18 augustus 2025 was ik werkzaam op het stadskantoor van gemeente Leiden gelegen aan de [adres 2] in Leiden. Om ongeveer 8:15 uur kwam er een man het stadskantoor binnen via de hoofdingang. De man is via de trap naar de ontvangstruimte naar balie 1.4 en 1.5 gelopen, deze balies liggen naast elkaar. Alleen bij balie 1.5 zat een werknemer op dat moment. De man heeft zonder wat te zeggen een vloeistof over balie 1.4 en 1.5 gespoten. De medewerker is toen gevlucht en is meer collega's gaan halen. Toen zij na een zeer korte tijd terug kwam bij de balies, zag zij kort na terugkomst dat een van de balies in de brand stond.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 103-110):

Ik, verbalisant, deed onderzoek naar de beelden van de beveiligingscamera's van het Stadskantoor van de Gemeente Leiden.

Ik zag dat op maandag 18 augustus 2025 een man via de entree het stadskantoor binnenliep. Ik zag dat hij iets in zijn linkerhand had. Hij liep direct naar balie 1.4. Achter de naastgelegen balie 1.5 zat een vrouwelijke medewerker en vóór balie 1.5 stonden twee schoonmaakmedewerkers. Toen de man bij balie 1.4 was aangekomen zag ik dat hij direct met het voorwerp in zijn linkerhand vloeistof over de balie heen spoot. Ik zag dat hij daarbij heen en weer langs de balie liep en vloeistof bleef spuiten. Hij spoot met name vloeistof over het pinapparaat dat op de balie stond. Hij stak daarna de vloeistof aan, waardoor er vlammen ontstonden op en nabij het pinapparaat.

De man bleef de vloeistof in de vlammen spuiten, waardoor het vuur heviger ging branden. Ik zag dat de medewerkster achter balie 1.5 opstond en wegliep naar een aparte ruimte achter de balies. De man liep vervolgens naar balie 1.5 en spoot ook over deze balie vloeistof heen. De man stak de vloeistof op balie 1.5 aan. Ik zag vlammen ontstaan op de balie, het pinapparaat en de computermonitor.

De man liep weer terug naar balie 1.4, waar hij wederom vloeistof over het pinapparaat heen spoot en dit aanstak. Er ontstonden weer vlammen op het pinapparaat. De man spoot nu ook vloeistof over de computermonitor van balie 1.4. Terwijl hij dit deed kwam er een andere vrouwelijke medewerker tevoorschijn vanuit de ruimte achter de balies. Deze vrouw liep naar de computermonitor toe en trok deze met haar hand weg van de man. De man stak de vloeistof op de monitor alsnog aan. Hoewel de vrouw op dat moment de monitor niet meer vasthad, stond zij nog wel heel dicht bij de monitor, op ongeveer een halve meter afstand. Op de monitor ontstond een steekvlam.

Vrijwel direct na het aansteken van de computermonitor liep er een beveiliger het beeld in. De beveiliger liep op de man af en duwde hem weg bij de balie. Na de duw liep de man naar één van de stoelen in de wachtruimte en spoot hier vloeistof op. Op het moment dat de man met de aansteker de vloeistof op de stoel aan probeerde te steken trok de beveiliger de stoel bij de man weg. Door het wegtrekken viel de stoel op zijn kant. De man stak alsnog de vloeistof aan waardoor de stoel vlamvatte. De beveiliger pakte de brandende stoel vast bij de stoelpoten en duwde de stoel tegen de voeten van de man aan.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 28 juli 2026, voor zover inhoudende:

Op 18 augustus was ik langs geweest bij de gemeente. Ik heb zelf over twee computers wat spul gespoten en aangestoken. U, voorzitter, vraagt mij wat dat spul was. Zippo vloeistof.

4. Het proces-verbaal van relaas onderzoek brandstichting, opgemaakt op 14 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 119):

Op de plaats delict werd een blikje met vloeistof aangetroffen met een etiket van Zippo aanstekervloeistof. Uit het onderzoek naar de camerabeelden werd duidelijk dat dit blikje door de verdachte was gebruikt om de brand mee te stichten. Dit blikje werd ter waarheidsvinding in beslaggenomen en bij de Forensische Opsporing van de Eenheid Den Haag aangeboden voor forensisch onderzoek. In het blikje werd een restje vloeistof aangetroffen. Dit restje werd bemonsterd en vervolgens voor nader onderzoek aangeboden bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Uit het onderzoek van het NFI volgde dat het een ontbrandbare vloeistof betrof die gebruikt kan worden als brandversnellend middel. Het was aannemelijk dat de onderzochte vloeistof de originele inhoud van het blikje betrof, namelijk aanstekervloeistof.

5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 41-42):

Op maandag 18 augustus 2025 kwam ik ter plaatse bij het Stadskantoor van de Gemeente Leiden aan de [adres 2] te Leiden.

Ik liep naar balie 1,4 en 1,5. Ik zag dat beide balies bezaaid waren met zwarte roetdeeltjes. Ik zag dat op het houtwerk van de balie een donkere brandplek zat. Op balie 1,4 stond een pinautomaat. Ik zag dat de toetsen van de pinautomaat gesmolten waren. Ik zag dat bij balie 1,4 en 1,5 geen computermonitor stond, terwijl dit bij de overige balies wel het geval was. Ik hoorde één van de geüniformeerde collega's zeggen dat deze twee monitoren in de brand waren gestoken en dat zij deze monitoren naar buiten hadden verplaatst en hier foto's van hadden gemaakt.

Gevaarzetting

Het stadskantoor is een voor het publiek toegankelijke ruimte waar burgers terecht

kunnen voor o.a. aanvragen van identiteitsdocumenten en vergunningen. Het Level-gebouw heeft 12 verdiepingen en is druk bezocht. Naast de Gemeente zit hier o.a. een Hoge School, een hotel, een restaurant en een wellness in gevestigd. Het pand staat direct tegen het centraal station van Leiden aangebouwd. Bij het eventuele uitslaan/verspreiden van de brand zouden hierdoor veel personen in gevaar kunnen zijn geraakt. Tevens was de pleegtijd 's ochtends op een doordeweekse dag waardoor er veel mensen in het pand aanwezig waren.

Het werkeiland waarop de balies gevestigd zijn heeft een stoffen vloerbedekking. Die vloerbedekking ligt direct achter de balies en is mogelijk goed brandbaar.

6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 61):

Wij kregen een melding over een brand bij het Level gebouw van de gemeente Leiden. Wij kwamen ter plaatse en zagen twee beeldschermen tegen de gevel van het gebouw staan. We zagen dat beide schermen aan de achterkant beschadigd waren door brand.

3.4.

Bewijsoverwegingen

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of door de brandstichting naast gemeen gevaar voor goederen ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voor de beantwoording van deze vraag is het van belang of het uit de gedraging voortvloeiende gevaar op het moment van het verrichten van die gedraging naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op een maandagochtend naar het stadskantoor van de Gemeente Leiden is gegaan. Op dat moment waren er in het pand veel mensen aanwezig, waaronder medewerkers van de Gemeente. De verdachte heeft meermaals aanstekervloeistof over een balie en de apparaten die daarop stonden gespoten en die vloeistof vervolgens aangestoken. Dit gebeurde terwijl een medewerkster van de Gemeente achter de naastgelegen balie op een bureaustoel zat. Op een later moment heeft de verdachte, toen een medewerkster probeerde een computerbeeldscherm veilig te stellen, dat beeldscherm in de brand gestoken. Op de camerabeelden is daarbij zichtbaar dat de hand van de medewerkster nog dicht bij dat beeldscherm in de buurt is op het moment dat er een steekvlam ontstaat en het beeldscherm begint te branden. In een daaropvolgende confrontatie met een beveiligingsmedewerker is bovendien zichtbaar dat de verdachte op het moment dat de beveiliger een stoel bij hem vandaan wil trekken de stoel probeert aan te steken. Seconden nadat de beveiliger terugdeinst, vat de bekleding van de stoel vlam.

De verdachte heeft door de manier waarop hij in de directe nabijheid van andere personen de aanstekervloeistof heeft rondgespoten en aangestoken de veiligheid van deze personen ernstig in gevaar gebracht.

De rechtbank merkt op dat de verdachte aanstekervloeistof heeft gebruikt. Het is algemeen bekend dat aanstekervloeistof – een brandversneller – een zeer ontvlambare stof is en daarmee een groot gevaar vormt voor het zeer snel ontstaan van brand en de verspreiding daarvan. In de ruimte waar de brand is aangestoken stonden stoffen meubels en er lag vloerbedekking, zodat de kans aanmerkelijk was dat de brand zou doorslaan naar andere delen van het gebouw. Algemeen bekend is voorts dat bij een dergelijke brand, ook sprake kan zijn van een grote rookontwikkeling. Dat de brand door het snelle ingrijpen van beveiligingsmedewerkers gedoofd kon worden laat derhalve onverlet dat er groot gevaar is geweest voor de in het gemeentehuis aanwezige personen, nu zij zich mogelijk niet tijdig in veiligheid hadden kunnen brengen. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake was van een brandstichting waarbij niet alleen gevaar voor goederen, maar ook levensgevaar of minst genomen kans op zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 18 augustus 2025 te Leiden opzettelijk brand heeft gesticht in het stadskantoor van de gemeente Leiden gelegen aan de [adres 2] , door een brandbare vloeistof (aanstekervloeistof van het merk Zippo) op de balie en computers en een stoel te spuiten en die brandbare vloeistof in aanraking te brengen met open vuur ten gevolge waarvan een balie en computerbeeldschermen en een pinautomaat en een stoel in dat voornoemde pand geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voor voornoemd pand en de in dat pand aanwezig zijnde goederen te duchten was

en

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten voor personen achter de balie en in het pand te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan hem een niet-gemaximeerde maatregel tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: tbs-maatregel met dwangverpleging) wordt opgelegd. Bovendien is gevorderd dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoel in artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een locatieverbod voor het stadskantoor van de Gemeente Leiden, met bepaling dat iedere overtreding te vervangen is met een week hechtenis, tot een maximum van zes maanden.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden aangehouden in afwachting van de effecten van eventueel door de verdachte te nemen medicatie (antipsychoticum). Subsidiair heeft de verdediging bepleit om aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen voor een maximale duur van vier jaar.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft brand gesticht in het stadskantoor van de Gemeente Leiden. De verdachte heeft de brand – naar eigen zeggen – gesticht om zo aandacht voor zijn situatie te vragen en in ‘opstand’ te komen. Op het moment van de brandstichting was het druk in het stadskantoor en bevonden zich daar zowel bezoekers als medewerkers van de Gemeente. De verdachte heeft aanstekervloeistof rondgespoten over verschillende balies en die vervolgens aangestoken in de directe nabijheid van medewerkers van de Gemeente. De verdachte heeft daarmee aanzienlijk gevaar voor die personen, en ook voor andere in het gebouw aanwezige personen, veroorzaakt en geen enkel respect getoond voor de eigendommen van anderen. Het gaat bovendien om gebeurtenissen die grote indruk hebben gemaakt en gevoelens van angst hebben gecreëerd bij de aldaar aanwezige personen. Enkel door het snel en adequaat ingrijpen van de beveiligingsmedewerkers is verspreiding van de brand voorkomen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 juli 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte op 5 augustus 2024 is veroordeeld voor bedreiging.

Persoon van de verdachte

De verdachte is op 18 augustus 2025 aangehouden en op 20 augustus 2025 in het kader van een PJ consult bezocht door C. Moerland, psycholoog. Blijkens de verslaglegging van het consult zijn bij de verdachte destijds sterke aanwijzingen voor een paranoïde psychotische ontregeling waargenomen. De verdachte is vervolgens op advies in een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) geplaatst.

Pro Justitia(dubbel)-rapportage

De rechtbank heeft kennisgenomen van het pro Justitia (dubbel) rapport over de verdachte van 25 november 2025, opgemaakt door drs. H.E.W. Koornstra, GZ-psycholoog, en drs. F. Verstraeten, psychiater.

Uit het rapport volgt dat er bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis. Het is voor onderzoeksters onduidelijk in welk kader de psychose plaatsvindt; het kan plaatsvinden vanuit schizofrenie; een ziekte waarbij er recidiverend psychosen optreden, vanuit een bipolaire stoornis waarbij een psychose bij een manische episode plaatsvindt of vanuit een kwetsbare persoonlijkheid bij een persoonlijkheidsstoornis. Er zijn daarnaast aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek. De verdachte laat een narcistische afweer zien waardoor hij heel snel met anderen in conflict komt. Hij benadrukt herhaaldelijk eigen prestaties en laat zich laatdunkend over anderen uit. Er is een gebrek aan empathie aanwezig. Het is vanwege de beperkingen van het onderzoek niet duidelijk te krijgen of er sprake is van een langdurig patroon of dat de narcistische kenmerken te verklaren zijn door de psychose. Er is bij de verdachte in het verleden sprake geweest van depressieve klachten en suïcidaliteit, waarbij tevens niet duidelijk is of er sprake was van een depressie in engere zin of dat deze klachten voortkwamen vanuit zijn persoonlijkheid. De onderzoekers merken daarbij op dat hoewel de verdachte buiten de PI dagelijks cannabis gebruikt, hij tijdens het onderzoek psychotisch is ondanks dat dit gebruik al meerdere maanden gestopt is. Zodoende is volgens hen niet aannemelijk dat het psychotisch toestandsbeeld enkel door middelen onderhouden wordt, maar cannabisgebruik kan er wel negatief aan bijgedragen hebben. Er wordt zodoende een stoornis in cannabisgebruik, in ieder geval matig van ernst, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving vastgesteld.

De onderzoekers tekenen op dat het onderzoek duidelijke beperkingen kende. Zo gaf de verdachte geen toestemming familie te spreken, informatie op te vragen bij de GGZ, huisarts, de dag- en nachtopvang en mocht ook de psycholoog of de psychiater van het PPC niet gesproken worden. Volgens de onderzoekers is nader onderzoek in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) aangewezen, zodat de diagnostiek verduidelijkt kan worden en er mogelijk een beter beeld kan worden verkregen van het toestandsbeeld van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde en de doorwerking van het recidiverisico.

PBC-rapportage

De verdachte is vervolgens ter observatie in het PBC opgenomen, waar de verdachte door G. Veen, psychiater, en G.M. van Dijk, GZ-psycholoog (in opleiding tot PJ rapporteur) en K.A. Rose, GZ-psycholoog, is onderzocht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de door voornoemde onderzoekers opgemaakte pro Justitia rapportage over de verdachte van 26 mei 2026.

De verdachte heeft (wederom) geweigerd mee te werken aan het onderzoek. Op basis van de verzamelde informatie komen de onderzoekers desondanks tot diagnostische conclusies en kunnen de onderzoeksvragen worden beantwoord.

Uit het rapport volgt dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis, gekenmerkt door wanen met paranoïde en deels bizarre inhoud en mogelijk hallucinaties. De eerste signalen lijken reeds in de adolescentie te zijn ontstaan. Hierna volgde langdurig disfunctioneren op verschillende levensgebieden, waaronder werk, huisvesting, sociaal netwerk en financiën. De verdachte heeft een voorgeschiedenis van crisisopnames, zorgmijding en het zich (herhaaldelijk) onttrekken aan behandeling. Tijdens de observatieperiode toont de verdachte paranoïde wanen, fantasierijke en niet-realistische verhalen en teruggetrokken gedrag. Het klinisch beeld past binnen een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Door de beperkte medewerking van de verdachte is een nadere specificatie/classificatie niet mogelijk. Een middelengeïnduceerde psychose wordt echter door de onderzoekers niet aannemelijk geacht, aangezien sprake is van psychotische symptomen zonder recent middelengebruik. Wel is aannemelijk dat het dagelijkse cannabisgebruik heeft bijgedragen aan het functioneren van de verdachte of de psychotische klachten heeft versterkt. Bij de verdachte is sprake van een matige stoornis in het gebruik van cannabis, thans in remissie binnen een gereguleerde omgeving.

De gedragskeuzes van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zijn in zekere mate door de stoornissen beïnvloed. De psychotische problematiek, met stoornissen in de oordeelsvorming en het kritiekvermogen, heeft mogelijk zijn gedragsalternatieven en zijn vermogen om de gevolgen van zijn handelen te overzien beperkt. Ten aanzien van het cannabisgebruik geldt dat het precieze effect hiervan ten tijde van het ten laste gelegde niet kan worden vastgesteld, maar dat het in algemene zin aannemelijk is dat

cannabisgebruik de psychotische ontregeling kan hebben versterkt. Derhalve adviseren de onderzoekers om de verdachte het ten laste gelegde feit in verminderde mate toe te rekenen.

Uit het rapport blijkt voorts dat het recidiverisico op een vergelijkbaar delict als matig wordt ingeschat. De belangrijkste risicofactoren betreffen de psychotische stoornis, het ontbreken van ziektebesef en -inzicht en het daaruit voortvloeiende gebrek aan behandelmotivatie en de dreigende maatschappelijke teloorgang. Beschermende factoren zijn beperkt aanwezig. Het risico op acuut ernstig geweld wordt als laag ingeschat, omdat de verdachte niet wordt gezien als een primair agressief persoon. Er is vooral sprake van indirect risico via onmacht en impulsdoorbraken binnen een context van psychische ontregeling en beperkte coping. Op basis van de voorgeschiedenis lijkt deze onmacht zich eerder naar binnen te richten, in de vorm van suïcidaliteit, dan naar buiten. Niettemin kan deze zich afhankelijk van omstandigheden ook uiten in acting-out gedrag, waarbij de verdachte vanuit impulsiviteit en beperkt oordeelsvermogen handelt en daarmee, niet intentioneel, schade aan anderen kan toebrengen.

De onderzoekers adviseren een behandeltraject waarbij de focus dient te liggen op adequate behandeling van de psychotische problematiek, waarbij gedacht kan worden aan farmacotherapie in de vorm van een antipsychoticum en psycho-educatie. Daarnaast is het van belang aandacht te besteden aan het aanbrengen van structuur, het opbouwen van passende dagbesteding en het versterken van een stabiel sociaal netwerk. Voorts is het van belang dat de verdachte abstinent blijft van cannabis, aangezien cannabisgebruik het psychotische toestandsbeeld negatief kan beïnvloeden. Een klinische opname wordt in de beginfase van de behandeling noodzakelijk geacht. Dit hoeft volgens de onderzoekers evenwel niet in een forensisch beveiligde setting plaats te vinden, gezien het ingeschatte beperkte risico op ernstig geweld. Geadviseerd wordt om de mogelijkheden van een zorgmachtiging, te laten onderzoeken. Indien een zorgmachtiging niet mogelijk blijkt, zo stellen de onderzoekers, komt de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege in beeld. Vanuit gedragskundig perspectief wordt dit echter als niet passend beschouwd, gezien het ingeschatte beperkte risico op ernstig geweld en het ontbreken van een noodzaak tot een hoog beveiligingsniveau.

Deskundige Rose heeft ter terechtzitting toegelicht dat de inschatting van het recidiverisico en het advies om een zorgmachtiging te laten onderzoeken, ook na de negatieve medische verklaring van de psychiater van GGZ [instelling 2] van 23 juni 2026, ongewijzigd blijft.

Reclasseringsadvies

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 3 juli 2026. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld-hoog. Het middelengebruik, de psychische problematiek en het ontbreken van ziektebesef en inzicht worden door de reclassering gezien als de primaire risicofactoren. Daarnaast is er sprake van een maatschappelijke teloorgang en een gebrek aan behandelmotivatie.

De reclassering acht, mede door de complexiteit en de ernst van de problematiek van de verdachte en het gemiddeld-hoge risico op recidive en letselschade, interventies geïndiceerd. De complexe problematiek van de verdachte vereist langdurige monitoring, behandeling, begeleiding, sturing en motivering. De reclassering merkt daarbij op dat een tbs-maatregel met voorwaarden passend zou kunnen zijn, maar dat de verdachte niet in staat wordt geacht zich voor langere tijd te kunnen committeren aan voorwaarden. Zo heeft de verdachte aangegeven niet mee te willen werken aan een klinische behandeling of begeleid wonen, heeft hij geen hulpvraag en ontbreekt het hem aan inzicht in zijn problematiek. Ook na langdurige behandeling in het PPC lukt het de verdachte niet om zijn standpunt ten aanzien van de gemeente bij te stellen en te kijken naar zijn eigen aandeel in het (delict)gedrag.

De reclassering rapporteert voorts dat de uitvoering van een zorgmachtiging, gezien het ontbreken van ziektebesef en ziekte-inzicht bij de verdachte en zijn achterdocht en aanhoudende frustraties richting zorg- en overheidsinstellingen, geen garantie is voor (blijvende) gedragsbeïnvloeding en verkleining van het recidiverisico. Tevens biedt een zorgmachtiging geen garantie voor een langdurige opname en gedegen

resocialisatietraject. De verdachte heeft zich eerder onttrokken aan verplichte zorg en de verwachting is dat de verdachte zich niet zomaar zal conformeren aan een klinische behandeling in het kader van een zorgmachtiging.

Mevrouw [naam] , reclasseringswerker Bij GGZ [instelling 1] , heeft ter terechtzitting, in aanvulling op haar advies, toegelicht dat de negatieve medische verklaring die op 23 juni 2026 is afgegeven, maakt dat een zorgmachtiging geen mogelijkheid meer is.

Toerekenbaarheid

Omdat de rechtbank van oordeel is dat de conclusies en adviezen van de deskundigen worden gedragen door hun bevindingen, legt de rechtbank die conclusies mede ten grondslag aan haar oordeel over de straftoemeting. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank zal het bewezenverklaarde daarom in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.

De op te leggen straf

Gezien de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De straf is mede gebaseerd op hetgeen eerder in soortgelijke zaken is opgelegd, waarbij de rechtbank aldus rekening heeft gehouden met de verminderde toerekenbaarheid aan de verdachte. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van twaalf maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De maatregel

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Zorgmachtiging

Op 18 juni 2026 is door de officier van justitie, naar aanleiding van de PBC-rapportage, ambtshalve besloten een verzoekschrift voor een zorgmachtiging voor te bereiden. In het kader van die voorbereiding is op 23 juni 2026 een negatieve medische verklaring afgegeven door een onafhankelijke psychiater, waarna de officier van justitie heeft besloten geen verzoekschrift voor een zorgmachtiging in te dienen. De rechtbank is hierover per brief van 20 juli 2026 geïnformeerd en de mogelijkheid tot het (ambtshalve) afgeven van een zorgmachtiging is op de zitting van 28 juli 2026 besproken.

De rechtbank ziet geen aanleiding ambtshalve een zorgmachtiging af te geven. De rechtbank acht een zorgmachtiging niet passend gelet op het geconstateerde recidiverisico dat door de deskundigen wordt ingeschat als matig/matig-hoog. Daartoe is tevens redengevend dat er een negatieve medische verklaring is afgegeven. Een zorgmachtiging is geen bevel tot het verlenen van (specifieke) zorg aan de verdachte en biedt dus onvoldoende waarborg dat daadwerkelijk een passende behandeling zal kunnen plaatsvinden ter voorkoming van recidive.

Tbs-maatregel met dwangverpleging

De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel is voldaan. Het bewezenverklaarde feit is immers een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld (artikel 37a Sr). Ook bestond tijdens het begaan van het feit bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voorts ligt er in deze strafzaak een met redenen omkleed advies van tenminste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages is gebleken dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, zowel de terbeschikkingstelling als de verpleging van overheidswege van de verdachte eist.

De rechtbank merkt daarbij op dat het acht heeft geslagen op de constatering van de deskundigen van het PBC dat het risico op acuut ernstig geweld wordt ingeschat als laag en de daaraan door hen verbonden gevolgtrekking dat een tbs-maatregel met dwangverpleging als niet-passend wordt beschouwd. Zoals op zitting ook bevestigd, achten de onderzoekers van het PBC verplichte zorg in het kader van een zorgmachtiging het meest passend. Uit de wet volgt echter niet dat slechts acuut gevaar voor geweld in het kader van de oplegging van een tbs-maatregel relevant is. Uit de rapportages blijkt dat het risico dat de verdachte opnieuw een vergelijkbaar (gevaarzettend) delict begaat, waarbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, wordt ingeschat als matig (PBC) en gemiddeld-hoog (reclassering). Daarnaast blijkt uit de adviezen dat behandeling nodig is om het recidiverisico terug te brengen. Dat acht de rechtbank redengevend in haar afweging ten aanzien van de tbs-maatregel. De verdachte heeft bovendien geen inzicht in zijn problematiek en kent een geschiedenis van zorgmijdend gedrag waardoor een (klinische) behandeling in een strak kader wat de rechtbank betreft de enige mogelijkheid is om dat risico te verminderen. Een tbs-maatregel met voorwaarden moet gelet op de problematiek van de verdachte als niet haalbaar worden beschouwd. Bovendien is de weg van een zorgmachtiging, zoals hiervoor overwogen, afgesloten. Dat betekent dat de enige mogelijkheid om de verdachte te kunnen behandelen een tbs-maatregel met dwangverpleging is. De rechtbank zal deze dan ook aan de verdachte opleggen.

De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Beoordeling aanhoudingsverzoek

Voorgaande brengt met zich dat het verzoek van de verdediging om de zaak aan te houden in afwachting van de effecten van eventueel door de verdachte te nemen medicatie, zal worden afgewezen. Bij de verdachte ontbreekt ziekte-inzicht of intrinsieke behandelmotivatie waardoor een dergelijke aanhouding onvoldoende kansrijk wordt geacht. Zo heeft de verdachte (ook op zitting) aangegeven geen hulpvraag te hebben en is er op geen enkel eerder moment sprake geweest van enig begin van het verlenen van medewerking aan een behandeling, terwijl de verdachte daar ruimschoots de gelegenheid voor heeft gehad.

Maatregel ex artikel 38v Sr

De rechtbank ziet, ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van (vergelijkbare) strafbare feiten, voorts aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, inhoudende een locatieverbod dat de verdachte zich niet binnen een straal van 100 meter van het stadskantoor van de Gemeente Leiden aan de [adres 2] te Leiden mag begeven. De rechtbank legt de maatregel op omdat zij van oordeel is dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich op een andere manier belastend richting medewerkers van de Gemeente Leiden zal gedragen. De verdachte heeft er immers blijk van gegeven aanhoudend (ongefundeerde) gevoelens van ontevredenheid en achterdocht te koesteren richting de Gemeente Leiden.

De maatregel zal gelden voor de duur van twee jaar en voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van een week, met een maximum van zes maanden.

7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

De Gemeente Leiden heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.965,87 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft te kennen gegeven geen opmerkingen te hebben bij de vordering van de benadeelde partij.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De gevorderde materiële schade is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank acht de gevorderde materiële schade toewijsbaar. De schadeposten zijn met stukken onderbouwd en houden rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 18 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan, tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van de Gemeente Leiden.

Proceskosten

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Geen schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan de verdachte geen verplichting opleggen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat. Naar het oordeel van de rechtbank is de ratio van de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f Sr dat natuurlijke personen bij de inning van de schadevergoeding worden ontlast. Van de Gemeente Leiden mag worden verwacht dat zij zelf de wegen kent om de toegewezen schadevergoeding bij de verdachte te incasseren. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel acht de rechtbank dan ook niet passend.

8 De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de in beslag genomen voorwerpen verbeurd worden verklaard.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen te kennen gegeven dat de verdachte deze goederen niet terug hoeft te krijgen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst genoemde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde feit is begaan.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1.

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben bij vordering van 14 oktober 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 09/277790-22 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 5 augustus 2024 voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 350,-, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de vordering af te wijzen.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Het bewezenverklaarde feit is voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van dit feit heeft de verdachte de aan de uitspraak verbonden algemene voorwaarde overtreden. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank acht de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in de gegeven omstandigheden echter niet proportioneel gezien de aan de verdachte op te leggen straf en maatregelen. De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging dan ook af.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 37a, 37b, 38v, 38w en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

legt voorts op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 2 (TWEE) JAREN zich niet zal bevinden binnen een straal van 100 meter van het stadskantoor van de Gemeente Leiden gelegen aan de [adres 2] ;

beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (ÉÉN) WEEK voor iedere keer dat niet aan deze maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (ZES) MAANDEN, waarbij de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Gemeente Leiden van

€ 4.965,87, bestaande uit materiële schade, toe en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de Gemeente Leiden;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de inbeslaggenomen goederen;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten:

  • 1 L Benzine (voorwerpnummer 3373718);

  • 1 L Vloeistof (voorwerpnummer 3373765); en

  • 1 STK Aansteker (voorwerpnummer 3373765);

de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09/277790-22.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M. Guljé, voorzitter,

mr. M. Rootring, rechter,

mr. N. Hengeveld, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. K.Z. Zeeman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 augustus 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »