ECLI:NL:RBDHA:2026:21906

Datum uitspraak
15-06-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/704827 / KG ZA 26-479
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verstekvonnis. Huurrecht. Vordering tot ontruiming garagebox toegewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/704827 / KG ZA 26-479

Vonnis in kort geding van 15 juni 2026

in de zaak van

MAATSCHAP PBL REAL ESTATE te Voorburg,

eiseres,

advocaat mr. B.F. Veldman te Voorburg,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] B.V.(in liquidatie) te [plaats] ,

2. [gedaagde sub 2] woonachtig in de gemeente [woonplaats] ,

gedaagden,

niet verschenen.

Eiseres wordt hierna ‘PBL’ genoemd. Gedaagden worden hierna afzonderlijk ‘ [gedaagde sub 1] ’ en ‘ [gedaagde sub 2] ’ genoemd en gezamenlijk worden zij ‘gedaagden’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

PBL heeft de dagvaarding op 13 mei 2026 doen uitbrengen. Gedaagden zijn opgeroepen voor de zitting van 8 juni 2026 van de rechtbank Den Haag, team kanton. Op 2 juni 2026 heeft PBL een herstelexploot uitgebracht en gedaagden opgeroepen voor de zitting van 8 juni 2026 bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag.

1.2.

Gedaagden zijn behoorlijk opgeroepen voor de zitting van 8 juni 2026. Op grond van artikel 50 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt in het geval van een ontbonden rechtspersoon exploot gelaten aan een vereffenaar. Betekening van de dagvaarding heeft plaatsgehad op het woonadres van [gedaagde sub 2] , gewezen bestuurder van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] is ontbonden, maar de vereffening heeft nog niet (volledig) plaatsgehad. Nu niet gebleken is van de benoeming van andere vereffenaars van [gedaagde sub 1] , moet [gedaagde sub 2] als (voormalig) bestuurder op grond van artikel 2:23 eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW) als vereffenaar van [gedaagde sub 1] worden aangemerkt. Gedaagden zijn niet verschenen. Tegen gedaagden wordt verstek verleend.

2 De beoordeling van het geschil

2.1.

PBL heeft vorderingen ingesteld zoals opgenomen in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. In de kern voert PBL het volgende aan. PBL heeft met [gedaagde sub 1] een huurovereenkomst gesloten voor een garagebox aan de [adres] (het gehuurde). [gedaagde sub 1] betaalt vanaf december 2025 geen huur meer en PBL heeft de huurovereenkomst opgezegd. Daar heeft [gedaagde sub 1] niet op gereageerd. PBL heeft het handelsregister geraadpleegd en daaruit blijkt dat [gedaagde sub 1] per 26 mei 2023 is ontbonden. PBL heeft de huurovereenkomst daarna nog een keer opgezegd en [gedaagde sub 1] opgedragen het gehuurde te ontruimen. [gedaagde sub 1] heeft het gehuurde niet ontruimd. Gedaagden maken inbreuk op het eigendomsrecht van PBL door het gehuurde nog steeds te gebruiken en niet te ontruimen.

2.2.

Uit het lichaam van de dagvaarding volgt dat PBL primair vordert dat [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. PBL stelt dat [gedaagde sub 1] ook na 26 mei 2023 is blijven voortbestaan omdat zij, toen de vennootschap werd ontbonden, nog huurrechten ontleende aan de huurovereenkomst en de vennootschap dus nog vermogen had. Om die reden, zo stelt PBL, is voor heropening van de vereffening op grond van artikel 2:23c eerste lid BW geen grond. In tweede instantie, voor het geval de voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde sub 1] is opgehouden te bestaan, vordert PBL dat [gedaagde sub 2] wordt veroordeeld het gehuurde te ontruimen, omdat [gedaagde sub 2] feitelijk gebruiker van het gehuurde is geweest.

2.3.

Gedaagden hebben geen verweer gevoerd. De vorderingen zijn daarom toewijsbaar, tenzij deze de voorzieningenrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Daarbij zal de voorzieningenrechter zijn beslissing baseren op de bij dagvaarding gestelde feiten, omdat deze niet zijn weersproken. Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter dat het primair gevorderde de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Daarom zal het primair gevorderde worden toegewezen zoals uitgewerkt in de beslissing.

2.4.

[gedaagde sub 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van PBL worden begroot op:

- dagvaarding € 129,57

- griffierecht € 735,00

- salaris advocaat € 760,00

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 1.813,57

2.5.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1.

verleent verstek tegen gedaagden;

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, de onroerende zaak aan de [adres] , te ontruimen, met het hare en de haren en met medeneming van de eigendommen van [gedaagde sub 1] , onder overhandiging van alle sleutels, bezemschoon ter vrije beschikking van PBL te stellen;

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 1.813,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde sub 1] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;

3.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

3.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; en

3.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op

15 juni 2026.

ddg

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »