RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/707229 / JE RK 26-1059
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
en
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
gezamenlijk wonende in [woonplaats]
advocaat mr. L. Rijsdam uit Leiden,
De kinderrechter merkt als informant aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 juni 2026, mee in de beoordeling.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de ouders met hun advocaat;
-
[naam 1] namens de Raad;
-
[naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
2 De feiten
[minderjarige] is erkend door de vader.
De ouders zijn op [datum] 2025 met elkaar gehuwd.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij de ouders.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige]. Hoewel [minderjarige] een groei heeft laten zien bij de dagbesteding, valt zij ook weer terug in zorgelijk gedrag. Bij de dagbesteding wordt gezien dat [minderjarige] een korte aandachtspanne heeft en zich soms moeilijk kan concentreren. Doordat [minderjarige] thuis niet de juiste ondersteuning en stimulatie heeft gekregen is zij achtergebleven in haar ontwikkeling. Verder wordt gezien dat zij erg alert is, waarbij het vermoeden is dat zij zichzelf dit (onbewust) heeft aangeleerd. Ook zijn er zorgen over het negatieve zelfbeeld dat [minderjarige] over zichzelf lijkt te hebben door te zeggen dat zij dom is, niet kan luisteren en een rotkind is. Daarnaast zijn er zorgen over de consequenties die de ouders inzetten die niet passend zijn bij de ontwikkeling en leeftijd van [minderjarige]. Zo wordt [minderjarige] opgesloten in haar kamer, of overdag in bed gelegd. De ouders hebben moeite met het aansluiten bij het leeftijdsniveau van [minderjarige]. Het lukt de ouders niet om [minderjarige] op een passende wijze te begrenzen of aan te sturen.
De ouders hebben naast de zorg voor [minderjarige] ook te maken met persoonlijke problematiek, waaronder problemen met financiën, werk en in de relatie. Zo is er sprake van wantrouwen van de vader richting de moeder, waardoor de spanningen tussen hen op kunnen lopen. Hoewel de ouders aangeven dat de ruzies nu niet meer voorkomen, heeft de Raad hier alsnog zorgen over omdat er snel spanningen kunnen ontstaan als de ouders een meningsverschil hebben. De ouders hebben een beperkt leervermogen en hebben moeite om te kijken naar hun eigen handelen. Daarnaast lijken de ouders te worden overvraagd door de combinatie van de opvoeding voor [minderjarige] en hun eigen problematiek. De ouders hebben eerder laten zien dat zij soms konden zorgen voor verbetering in de opvoedsituatie, maar zij kunnen dit niet structureel volhouden.
Vanuit het vrijwillig kader is al geprobeerd om opvoedondersteuning in te zetten, maar de ouders stonden hier toen niet voor open. Ten aanzien van het middelengebruik geven de ouders zelf aan dat dit niet meer aan de orde is. De betrokken hulpverlening heeft geen nieuwe signalen dat sprake is van middelengebruik door de ouders. Een zorg vanuit de Raad is wel dat ouders, als zij spanning ervaren, hierin mogelijk terugvallen, omdat hun eigen oplossend vermogen beperkt lijkt te zijn.
De Raad is van mening dat een jeugdbeschermer nodig is om de ouders van hulp te voorzien. Er is intensieve opvoedondersteuning nodig zodat de ouders leren hoe zij beter kunnen aansluiten bij [minderjarige], haar kunnen aansturen en begrenzen. Het is daarbij belangrijk dat ouders leren om op een positieve manier om te kunnen gaan met uitdagend gedrag van [minderjarige]. Daarnaast is het van belang dat er zicht komt op het intelligentieprofiel van [minderjarige] en hoe de dagbesteding en school het beste bij haar kunnen aansluiten. Als er, met behulp van intensieve opvoedondersteuning, meer stabiliteit en veiligheid is in de thuissituatie kan vervolgens aandacht worden besteed aan de verwerking van hetgeen [minderjarige] heeft meegemaakt. Tegen de tijd dat daar een basis en ruimte voor is zal moeten worden bezien welke vorm hiervoor het meest passend is. De Raad is gelet op het voorgaande van mening dat een ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar noodzakelijk is.
4 De standpunten
Door en namens de ouders is het volgende naar voren gebracht. De ouders vinden een ondertoezichtstelling niet nodig. Zij herkennen zich niet in alle zorgen die worden geuit. De ouders doen erg hun best in de zorg en opvoeding van [minderjarige]. [minderjarige] wordt goed door de ouders verzorgd en zij ziet er altijd verzorgd uit. De ouders herkennen zich dus niet in het beeld dat daarin gegeven wordt door de Raad.
Verder vertellen de ouders dat in het verleden wel eens sprake is geweest van ruzies tussen hen, waarbij de moeder wegliep. Hier is echter geen sprake meer van.
[minderjarige] heeft in juni 2026 een onderzoek gehad om te kijken welk basisonderwijs het meest passend is voor haar. Uit dit onderzoek is gebleken dat het speciaal basisonderwijs het meest passend is voor [minderjarige]. Ook wordt er op dit moment nog gezocht naar een passend steungezin waar [minderjarige] af en toe naar toe kan gaan. De ouders staan hier achter.
De ouders hebben tot nu toe alle hulp die aangeboden werd geaccepteerd. Indien opvoedondersteuning noodzakelijk is, dan staan de ouders hier zeker voor open. De ouders hopen hierbij dat er niet teveel afspraken van verschillende hulpverleningsinstanties worden gemaakt, om te voorkomen dat het teveel voor hen wordt.
Indien de kinderrechter een ondertoezichtstelling wel noodzakelijk acht, wordt gevraagd om de ondertoezichtstelling te beperken tot zes maanden, zodat ouders kunnen laten zien hoe de opvoedsituatie is en dat zij meewerken aan de hulpverlening die wordt ingezet.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft in haar jonge leven veel meegemaakt. Zij is opgegroeid in een opvoedsituatie waarin de ouders in het verleden geregeld ruzie met elkaar maakten, waarbij ook werd geschreeuwd en gescholden, wat voor een onveilige situatie zorgde voor [minderjarige]. Hoewel de ouders hebben aangegeven dat hiervan inmiddels geen sprake meer is, zijn er nog steeds zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige]. Deze zorgen zijn erin gelegen dat [minderjarige] door de ouders onvoldoende gestimuleerd en ondersteund wordt, waardoor zij achterloopt in haar ontwikkeling. Verder zijn er zorgen over haar korte aandachtspanne, de concentratieproblemen, het feit dat zij erg alert is en het negatieve zelfbeeld dat zij over zichzelf lijkt te hebben.
De kinderrechter ziet twee liefdevolle ouders die ter zitting hebben laten blijken bereid te zijn mee te werken aan de noodzakelijke hulpverlening. Tegelijkertijd is gebleken dat de ouders, mede vanwege hun eigen problematiek en de combinatie daarvan met de zorg en opvoeding van [minderjarige], op bepaalde momenten overvraagd worden. Hierdoor lukt het hen onvoldoende om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige].
Uit informatie in het raadsrapport blijkt dat in het vrijwillig kader al eerder hulpverlening is ingezet, maar dat de ouders de verbetering nog onvoldoende hebben kunnen vasthouden. Ook de noodzakelijke opvoedondersteuning is in het vrijwillig kader niet van de grond gekomen. Daarnaast lukt het de ouders onvoldoende om naar hun eigen handelen te kijken en erkennen zij niet altijd de zorgen die er zijn. Hierdoor zijn de ouders onvoldoende in staat om zelfstandig de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen.
Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is dat een jeugdbeschermer betrokken raakt. De jeugdbeschermer kan de ouders ondersteunen en samen met hen bekijken wat nodig is om voor [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedsituatie te creëren. Daarbij is het van belang dat de noodzakelijke opvoedondersteuning wordt opgestart, zodat de ouders leren hoe zij beter kunnen aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] en haar op een passende wijze kunnen aansturen en begrenzen. Daarnaast is het van belang dat wordt gekeken wat [minderjarige] nodig heeft om haar ontwikkeling verder te stimuleren, waaronder het vinden van een passende school. De kinderrechter acht daarom een ondertoezichtstelling noodzakelijk.
De kinderrechter ziet echter aanleiding de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot zes maanden en het verzoek voor het overige aan te houden. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voorafgaand aan de volgende zitting een schriftelijke update te versturen, met daarin de huidige stand van zaken. De kinderrechter wil onder meer geïnformeerd worden over of de noodzakelijke hulpverlening op gang is gekomen, welke resultaten zijn bereikt en wat er mogelijk verder nog nodig is.
Daarbij is van groot belang dat de periode van zes maanden goed benut wordt en de gecertificeerde instelling de zaak daadwerkelijk oppakt en een jeugdbeschermer snel laat starten.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.2
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 6 juli 2026 tot 6 januari 2027;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nog nader te bepalen zitting, gelegen voor 6 januari 2027;
vraagt de griffier om tegen voormelde zitting op te roepen:
- de ouders;
- de advocaat van de ouders;
- de Raad;
- de gecertificeerde instelling.
verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voorafgaand aan voornoemde zitting een schriftelijke update, zoals in 5.4. genoemd, aan de rechtbank en de belanghebbenden te doen toekomen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Veiga als griffier, en op schrift gesteld op 28 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.