RECHTBANK DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/703178 / FA RK 26-3623
Datum beschikking: 28 april 2026
Aansluitende machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. C.R.D. Kommer te Den Haag.
ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 13 april 2026, is verzocht om een aansluitende zorgmachtiging.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 9 april 2026 ondertekende medische verklaring van S. van der Zwaan, psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een blanco zorgkaart;
- een zorgplan van 6 maart 2026;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 10 april 2026;
- een uittreksel uit de justitiële documentatie;
- een brief van de officier van justitie van 10 maart 2026, waaruit blijkt dat er ten aanzien van betrokkene geen recente politiemutaties zijn;
- een eigen plan van aanpak van betrokkene van 8 april 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 28 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- namens GGZ [regio] , de behandelend psychiater, [naam] (telefonisch);
- de ouders van betrokkene.
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.
Standpunten ter zitting
Betrokkene heeft naar voren gebracht dat hij geen zorgmachtiging wil, omdat dit slecht is voor zijn gezondheid. Hij wil graag de medicatie afbouwen en hij wil niet opgenomen worden. Tevens herkent hij zich niet in het ernstig nadeel. De advocaat heeft primair verzocht om het verzoek af te wijzen. Betrokkene wil verder met zijn leven. Subsidiair heeft de advocaat verzocht de zorgmachtiging te beperken tot zes maanden. In die periode kan betrokkene laten zien dat het goed met hem blijft gaan. De advocaat heeft verder verzocht om de vormen ‘insluiten’ en ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene’ af te wijzen, omdat de motivering is gebaseerd op het verleden. Tevens heeft de advocaat verzocht het gedeelte over het aanbrengen van beperkingen ten opzichte van het gebruik van communicatiemiddelen niet op te nemen als vorm van verplichte zorg.
De behandelend psychiater heeft aangegeven dat betrokkene het nooit eens is geweest met de diagnose. Momenteel neemt betrokkene zijn medicatie onder toezicht, omdat de medicatie-inname in het verleden vaak mis is gegaan. Betrokkene staat ook niet open voor andere vormen van medicatie, zoals een depot. Wat betreft de vormen van verplichte zorg is ‘onderzoek aan kleding of lichaam’ ook nodig bij een klinische opname wegens het waarborgen van de veiligheid. Ook ‘insluiten’ en ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene’ is noodzakelijk bij een opname, omdat betrokkene zeer afwerend en verbaal geagiteerd is tijdens een psychose. Op dit moment is er geen sprake van agitatie, omdat betrokkene zijn medicatie inneemt. Het ‘controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen’ is niet voorzienbaar op dit moment. Een kortere duur dan gevraagd is niet wenselijk, omdat het ziektebeeld van betrokkene niet zal verdwijnen. Hij heeft de medicatie nodig.
De ouders van betrokkene hebben naar voren gebracht dat het nu goed gaat met betrokkene. Tevens is er bij betrokkene geen sprake van misbruik van zijn telefoongebruik.
Beoordeling
Op 13 mei 2025 is door de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met 13 mei 2026.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten psychosegevoeligheid. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor een autismespectrumstoornis.
Deze stoornissen leiden tot ernstig nadeel, gelegen in:
- ernstig lichamelijk letsel;
-maatschappelijke teloorgang.
Indien betrokkene geen medicatie inneemt, lukt het hem niet om structuur te behouden. Tijdens een eerdere opname was sprake van een floride psychotisch toestandsbeeld. Er was sprake van agitatie, verbale agressie en fysieke dreiging. Tevens veroorzaakt betrokkene als gevolg van psychotische klachten overlast voor omwonenden. Ook verwaarloost hij zijn zelfzorg en woonomgeving en mijdt hij contact met anderen.
Om de geestelijke gezondheid van betrokkene te herstellen zodanig dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene wil geen bemoeienis van de GGZ. Tevens wil hij zijn medicatie afbouwen. Om die reden is verplichte zorg nodig.
De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg zonder meer noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, met uitzondering van het gebruik van communicatiemiddelen.
Daarnaast acht de rechtbank ook de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- opnemen in een accommodatie.
Met toepassing van artikel 6:4 lid 2 Wvggz is de rechtbank van oordeel dat, in afwijking van het verzoekschrift, ook verplichte zorg in de vorm van het ‘onderzoek aan kleding of lichaam’ noodzakelijk is ter afwending van het ernstig nadeel. Deze vorm van verplichte zorg is nodig gebleken om de veiligheid van de omgeving te waarborgen bij een eventuele opname.
Gelet op hetgeen ter zitting is besproken, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het kunnen toepassen van overige verzochte vormen van verplichte zorg, te weten ‘controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen’, nu dit niet noodzakelijk is gebleken. Voor het overige acht de rechtbank de verplichte vormen van zorg wel voorzienbaar en noodzakelijk.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De verplichte zorg is bovendien evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De machtiging zal daarom worden verleend voor de verzochte duur. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat betrokkene op korte termijn de medicatie vrijwillig zal innemen.
Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg in ieder geval de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, met uitzondering van het gebruik van communicatiemiddelen;
en daarnaast ook de volgende maatregelen indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- opnemen in een accommodatie;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 28 april 2027;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, bijgestaan door mr. E.J. Balk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 april 2026.