RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/697858 / HA RK 26-37
Beschikking van 23 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster] , te [woonplaats],
verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster],
advocaat: mr. A.C.F. Berkhof,
tegen
PROVINCIE ZUID-HOLLAND, te Den Haag,
verweerster, hierna te noemen: de Provincie,
advocaten: mrs. J.J. Jacobse en J.E. Nieuwelink.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met zes producties, ingekomen op 15 januari 2026;
- het aangepaste verzoekschrift met zes producties, ingekomen op 21 januari 2026;
- het aangepaste verzoekschrift, exclusief producties, ingekomen op 18 februari 2026;
- het verweerschrift met drie producties, ingekomen op 6 mei 2026.
Op 12 mei 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling. Hierbij waren aanwezig:
-
[verzoekster], bijgestaan door mr. Berkhof voornoemd;
-
namens de Provincie: de heer [naam 1], projectleider bij de Provincie, bijgestaan door mr. Nieuwelink voornoemd.
2 De feiten
[verzoekster] is eigenaresse van de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning).
In 2017 is in opdracht van de Provincie de watergang achter de woning gedempt met een drain die afwatert naar het zuiden en is ten oosten van de oorspronkelijke watergang een nieuwe watergang aangelegd.
In september 2024 heeft [verzoekster] bij de Provincie melding gemaakt van schade aan de woning en het erf. [verzoekster] heeft de Provincie aansprakelijk gesteld voor de schade. Op 15 oktober 2024 is de aansprakelijkheid door de verzekeraar van de Provincie afgewezen. Op 16 oktober 2024 heeft de advocaat van [verzoekster] de Provincie opnieuw aansprakelijk gesteld. Op 5 november 2024 heeft de verzekeraar van de Provincie de aansprakelijkheid opnieuw afgewezen.
3 Het verzoek en het verweer
Het verzoek strekt tot het benoemen van een onafhankelijk en onpartijdig bouwkundig expert en gerechtelijk deskundige ter beantwoording van de in het verzoekschrift geformuleerde vragen, dan wel door de rechtbank te formuleren vragen, met bepaling dat de Provincie het voorschot op de kosten van het onderzoek dient te betalen, dan wel dat partijen de kosten van het onderzoek bij helfte dragen.
[verzoekster] legt aan het verzoek ten grondslag dat zij schade heeft geleden naar aanleiding van de graafwerkzaamheden in opdracht van de Provincie in 2017. Omdat de Provincie de aansprakelijkheid afwijst, verzoekt [verzoekster] een deskundigen-onderzoek.
De Provincie voert verweer.
Hierna wordt, voor zover van belang, nader op de standpunten van partijen ingegaan.
4 De beoordeling
De conclusie
De rechtbank zal een deskundige benoemen, maar partijen krijgen eerst de gelegenheid zich uit te laten over het voorschot van de beoogde deskundige.
Het juridisch kader
Een voorlopig deskundigenbericht dient ertoe bewijs te verzamelen en veilig te stellen. Het biedt een partij de mogelijkheid om zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden. Een dergelijk verzoek wordt toegewezen als het ter zake dienend en voldoende concreet is en het gaat om feiten en omstandigheden die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Op grond van artikel 196 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek alleen worden afgewezen als: (1) de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, (2) onvoldoende belang bestaat bij het voorlopig deskundigenonderzoek, (3) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, (4) sprake is van misbruik van bevoegdheid of (5) andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen het voorlopig deskundigenonderzoek. Als geen van deze situaties zich voordoet en het verzoek verder aan alle formele vereisten voldoet, wordt het verzoek toegewezen.
Is de rechtbank bevoegd?
Voordat de zaak inhoudelijk wordt beoordeeld, moet worden vastgesteld of de kantonrechter het verzochte dient te behandelen en daarover dient te beslissen. De Provincie voert aan dat ditop grond van artikel 93 sub b Rv het geval is omdat in de eerste melding de schade was begroot op € 6.000,- en in vergelijkbare situaties het schadebedrag ook onder de € 25.000,- bleef. [verzoekster] heeft echter terecht betoogd dat de hoogte van de vordering nog niet is vastgesteld en er geen concrete aanwijzingen zijn dat de schade onder de € 25.000,- blijft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verwijzing naar de kantonrechter achterwege dient te blijven.
De aansprakelijkheid
Hoewel de Provincie aanvoert dat zij niet aansprakelijk is voor fouten bij de uitvoering van de graafwerkzaamheden, waardoor de eventuele schadevergoeding niet voor haar rekening komt, zijn partijen het erover eens dat de aansprakelijkheid een punt is dat in de bodemprocedure moet worden beoordeeld. Aangezien in deze procedure, die ziet op het verkrijgen van een deskundigenbericht, de inhoudelijke beoordeling van de vordering niet voorligt en partijen het hierover eens zijn, behoeft dit punt geen verdere bespreking.
Is het aannemelijk dat de schade voortkomt uit de graafwerkzaamheden?
De Provincie voert aan dat het niet aannemelijk is dat de schade voortkomt uit de graafwerkzaamheden in 2017 omdat de schade pas acht jaar later is opgetreden. Zoals in 4.4. reeds is benoemd ligt de inhoudelijk beoordeling van de vordering in deze procedure niet voor. Daarbij ziet het voorlopig deskundigenonderzoek onder meer op het achterhalen van de oorzaak van de schade van [verzoekster]. Hierin ligt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen grond voor de afwijzing van het verzoek.
De kwestie wordt nog onderzocht
De Provincie voert ook aan dat haar verzekeraar nog bezig is met het onderzoek en dat daarvoor informatie is opgevraagd bij [verzoekster]. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit niet dat het verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek moet worden afgewezen. Een onderzoeksrapport van een deskundige kan tenslotte bijdragen aan het onderzoek van de verzekeraar en de verdere schadeafwikkeling.
De tussenconclusie
De rechtbank concludeert dat er geen gronden zijn gebleken om het verzoek van [verzoekster] af te wijzen. Om die reden zal de rechtbank een deskundigenonderzoek bevelen en een deskundige benoemen. Hierna zal nader worden ingegaan op de vraagstelling, de kosten van het deskundigenonderzoek en de persoon van de deskundige.
De vraagstelling
[verzoekster] heeft in haar verzoekschrift de volgende vragen geformuleerd:
-
Kunt u een overzicht geven van de zichtbare schade(componenten) aan het achtererf (de bestrating), de binnen- en buitenzijde van de woning aan de [adres], alsmede de tuin?;
-
Kunt u bevestigen dat deze schade, gelet op de aard en omvang ervan, dateert of logischerwijs kan dateren van het moment waarop in 2017 graafwerkzaamheden achter het perceel van [verzoekster] zijn uitgevoerd in opdracht van de Provincie Zuid-Holland?;
-
Kunt u, aan de hand van de aan u aangeleverde stukken, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststellen of er sprake is van causaliteit tussen de diverse uitgevoerde werkzaamheden aan de watergang en de daarmee gepaard gaande trillingen, onttrekking van grondwater, de uitspoeling van grond, enzovoort, en de ontstane schade aan de fundering, de binnen- en buitenzijde van de woning aan de [adres], alsmede de tuin?;
-
Als het antwoord op vraag C) niet of ten dele bevestigend is, kunt u alsdan uitsluiten dat de werkzaamheden aan de watergang geen of slechts in beperkte mate nadelige gevolgen (kunnen) hebben gehad voor de woning [adres]? Zo ja, kunt u dan aangeven waardoor – volgens uzelf – de schade aan de woning is/kan zijn ontstaan?;
-
Indien en voor zover vraag D) niet aan de orde is, kunt u dan puntsgewijs de door u vastgestelde schade als gevolg van de werkzaamheden aan de watergang omschrijven en daarbij aangeven of herstel noodzakelijk is en zo ja, op welke wijze herstel dient plaats te vinden? Kunt u de kosten van herstel per schadepost vaststellen en tot vaststelling van een totaal schadebedrag komen?;
-
Kunt u aangeven of, gezien de huidige toestand van de woning aan de [adres], dan wel nadat het door u geadviseerde herstel is uitgevoerd, er een risico bestaat op schade aan de woning door de ondergrondse voorkeurstromen? Zo ja, welke voorzorgsmaatregelen/voorzieningen moeten worden getroffen om verdere schade aan de woning aan de [adres] te voorkomen? Zou u in dat kader een vooropnamerapport adviseren?
De Provincie heeft aangevoerd geen bezwaar te hebben tegen deze vraagstelling, maar zij wenst de volgende vraag aan de vraagstelling van [verzoekster] toe te voegen:
- Als er al fouten zijn gemaakt bij de uitvoering van het werk in 2017 waardoor er schade zou zijn veroorzaakt aan het perceel van verzoekster, vloeien deze dan voort uit de opdracht of uit de feitelijke uitvoering van de opdracht?
[verzoekster] stelt dat de formulering van de vraag van de Provincie te kort door de bocht is en te gemakkelijk zou leiden tot het antwoord dat de schade is voortgekomen uit de feitelijke uitvoering van de opdracht. Om die reden stelt [verzoekster] onderstaande formulering voor:
- Als er al fouten zijn gemaakt bij de uitvoering van het werk in 2017 waardoor er schade zou zijn veroorzaakt aan het perceel van verzoekster, vloeien deze dan voort uit de opdrachtverstrekking en de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheid? Of vloeit dit uitsluitend voort uit de feitelijke uitvoering van de opdracht? Zijn er naar uw oordeel ook (minder ingrijpende) alternatieven met betrekking tot de realisering van het aanpassen van de waterloop en in hoeverre heeft de overheid in uw ogen hier een juiste belangenafweging gemaakt? Kunt u deze vraag op basis van de door de Provincie verstrekte informatie ook adequaat beantwoorden?
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Provincie terecht aangevoerd dat de vraagstelling vooral gericht moet zijn op een feitelijke opdracht en moet de deskundige niet worden gevraagd een belangenafweging te beoordelen. Gelet op het voornoemde heeft de rechtbank de vraag van de Provincie anders geformuleerd en als vraag 6. in onderstaande vraagstellig toegevoegd aan de vragen van [verzoekster]. De volgende vraagstelling bestaande uit de vragen van [verzoekster] en de Provincie zal dan ook aan de deskundige worden voorgelegd:
-
Kunt u een overzicht geven van de zichtbare schade(componenten) aan het achtererf (de bestrating), de binnen- en buitenzijde van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning), alsmede de tuin?
-
Kunt u bevestigen dat deze schade gelet op de aard en omvang ervan, dateert of logischerwijs kan dateren van het moment waarop in 2017 graafwerkzaamheden achter het perceel van [verzoekster] zijn uitgevoerd in opdracht van de Provincie Zuid-Holland?
-
Kunt u, aan de hand van de aan u aangeleverde stukken, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststellen of er sprake is van causaliteit tussen de diverse uitgevoerde werkzaamheden aan de watergang en de ontstane schade aan de fundering, de binnen- en buitenzijde van de woning, alsmede de tuin? Wilt u bij uw beoordeling in ieder geval de met de werkzaamheden gepaard gegane trillingen, de onttrekking van grondwater en de uitspoeling van grond meenemen?
-
Als het antwoord op vraag 3. niet of ten dele bevestigend is, kunt u alsdan uitsluiten dat de werkzaamheden aan de watergang geen of slechts in beperkte mate nadelige gevolgen (kunnen) hebben gehad voor de woning? Zo ja, kunt u dan aangeven waardoor – volgens uzelf – de schade aan de woning is/kan zijn ontstaan?
-
Indien en voor zover vraag 4. niet aan de orde is, kunt u dan puntsgewijs de door u vastgestelde schade als gevolg van de werkzaamheden aan de watergang omschrijven en daarbij aangeven of herstel noodzakelijk is en zo ja, op welke wijze herstel dient plaats te vinden? Kunt u de kosten van herstel per schadepost vaststellen en tot vaststelling van een totaal schadebedrag komen?
-
Als u concludeert dat er fouten zijn gemaakt bij de uitvoering van het werk in 2017 waardoor er schade zou zijn veroorzaakt aan het perceel van verzoekster, vloeien deze fouten dan voort uit de opdrachtverstrekking en de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheid? Of vloeit dit voort uit de feitelijke uitvoering van de opdracht? Zijn er naar uw oordeel ook (minder ingrijpende) alternatieven voorhanden geweest met betrekking tot de realisering van het aanpassen van de waterloop?
-
Kunt u aangeven of, gezien de huidige toestand van de woning, dan wel nadat het door u geadviseerde herstel is uitgevoerd, er een risico bestaat op schade aan de woning door de ondergrondse voorkeurstromen? Zo ja, welke voorzorgsmaatregelen/voorzieningen moeten worden getroffen om verdere schade aan de woning te voorkomen? Zou u in dat kader een vooropnamerapport adviseren?
De kosten van het deskundigenonderzoek
Het uitgangspunt van de wet is dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd. [verzoekster] verzoekt echter primair dat de Provincie het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek moet deponeren, omdat het aannemelijk is dat de schade voortkomt uit de werkzaamheden die in opdracht van de Provincie zijn uitgevoerd. Subsidiair verzoekt [verzoekster] het voorschot op de kosten van de deskundige bij helfte tussen partijen te verdelen. De Provincie stelt daarentegen naar het oordeel van de rechtbank terecht dat er geen aanleiding is af te wijken van het uitgangspunt. [verzoekster] heeft onvoldoende omstandigheden aangevoerd die tot afwijking van het wettelijke uitgangspunt nopen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat [verzoekster] het voorschot op de kosten van de deskundige moet deponeren.
De persoon van de deskundige
[verzoekster] heeft voorgesteld de heer [naam 2] van TOP Expertise te benoemen tot deskundige. De Provincie heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, maar voert aan dat het benoemen van een deskundige die werkzaam is bij Arcadis N.V. (hierna: Arcadis) meer voordelen kent. Volgens de Provincie heeft een deskundige van Arcadis een nuttige mate van voorkennis, omdat Arcadis al eerder onderzoek heeft gedaan naar het causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade bij omliggende woningen. Daarnaast heeft Arcadis volgens de Provincie een hoge mate van deskundigheid op dit gebied. Hoewel [verzoekster] geen bezwaar heeft tegen de benoeming van een deskundige van Arcadis, denkt zij dat de inschakeling van TOP Expertise goedkoper is en daarbij stelt zij dat die deskundige ook kennis kan nemen van het eerdere onderzoek van Arcadis, zoals de Provincie voorstelt.
Nu partijen over en weer geen bezwaren hebben geuit tegen de voorgedragen deskundigen ziet de rechtbank, mede gelet op het belang van een onpartijdige en onafhankelijke deskundige, aanleiding [verzoekster] te volgen in haar verzoek. De rechtbank heeft dan ook de heer Kooiman van TOP Expertise benaderd. TOP Expertise heeft te kennen gegeven dat de heer Kooiman dergelijke onderzoeken niet uitvoert en daarom heeft TOP Expertise een andere deskundige voorgesteld, namelijk de heer ing. [naam 3]. De heer [naam 3] heeft de rechtbank kenbaar gemaakt vrij te staan ten opzichte van partijen en het onderzoek op objectieve en onafhankelijke wijze uit te kunnen voeren conform de Leidraad deskundigen in civiele zaken. Gelet op het voornoemde is de rechtbank voornemens de heer ing. [naam 3] van TOP Expertise te benoemen tot deskundige. Desgevraagd heeft de heer [naam 3] de kosten van het onderzoek begroot op € 8.784,60, inclusief btw. Een afschrift van de begroting wordt aan deze beschikking gehecht. Partijen krijgen de gelegenheid zich binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking uit te laten over de persoon van de deskundige en de begroting. Op het moment dat niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de rechtbank de heer [naam 3] benoemen tot deskundige en zijn voorschot vaststellen op € 8.784,60, inclusief btw.
Het vervolg van de procedure
Gelet op het feit dat partijen de gelegenheid krijgen te reageren op het voorschot van de deskundige, zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden tot 7 juli 2026.
5 De beslissing
De rechtbank
geeft partijen de mogelijkheid om binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking schriftelijk te reageren op de persoon van de deskundige en de begroting van het voorschot van de heer [naam 3] van TOP Expertise;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
type: 3384