ECLI:NL:RBDHA:2026:21537

Datum uitspraak
02-07-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/707826 / FA RK 26-6428
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beëindiging van verplichte zorg (artikel 8:19 Wvggz). Verplichte zorg wordt beëindigd onder de voorwaarde dat betrokkene zijn depotmedicatie blijft accepteren en zich aan de afspraken met de ambulante behandelaren houdt.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaak-/rekestnr.: C/09/707826 / FA RK 26-6428

Datum beschikking: 9 juli 2026

Beëindiging van verplichte zorg (artikel 8:19 Wvggz)

Beschikking naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek inzake het tussentijds beëindigen van de verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 8:19 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene],

hierna te noemen: betrokkene,

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. H. Gailjaard te Den Haag.

ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 25 juni 2026, heeft de officier van justitie verzocht te beslissen op het verzoek ex artikel 8:19 Wvggzom tussentijdse beëindiging van de verplichte zorg, zoals die ten aanzien van betrokkene is opgelegd bij de op 22 december 2025 verleende zorgmachtiging.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- de aanvraag tot beëindiging van de verplichte zorg van de advocaat aan de geneesheer-directeur van 9 april 2026;

- de (afwijzende) beslissing van de geneesheer-directeur op deze aanvraag van 23 april 2026;

- het verzoek aan de officier van justitie van betrokkene en diens advocaat van 21 mei 2026 om een beslissing van de rechter te verzoeken over het verzoek beëindigen van verplichte zorg;

- consultbrief van 18 juni 2026 van prof. dr. [naam 1] aan de geneesheer-directeur;

- de medische verklaring t.b.v. de beslissing van de geneesheer-directeur inzake het verzoek tot beëindiging van verplichte zorg van prof. dr. [naam 1] van 19 juni 2026;

- een afschrift van de nu geldende machtiging.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Daarbij zijn gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;

- de verpleegkundige, [naam 2].

Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.

Standpunten ter zitting

Door en namens betrokkene is ter zitting naar voren gebracht dat hij de afgelopen periode stabiel is geweest. Het genoemde ernstig nadeel heeft zich een jaar geleden voorgedaan en betrokkene is inmiddels bereid om mee te werken aan de behandeling. De advocaat sluit zich aan bij het advies van de onafhankelijke psychiater en acht een beëindiging van de zorgmachtiging de meest aangewezen oplossing. In het geval dat het toestandsbeeld van betrokkene opnieuw verslechterd, kan de geneesheer-directeur de beëindiging van de zorgmachtiging intrekken. Op die manier blijft een adequaat vangnet bestaan.

De verpleegkundige heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij er geen vertrouwen in heeft dat het goed zal blijven gaan met betrokkene zonder verplicht kader. Momenteel gaat het goed met betrokkene en accepteert hij zijn depot. In augustus vorig jaar ging het echter minder goed met hem, waardoor het noodzakelijk was de depotmedicatie vaker toe te dienen. Hoewel betrokkene een belangrijke stap heeft gezet door te stopen met middelengebruik, bestaat de verbeterde samenwerking tussen betrokkene en de behandelaren relatief kort, waardoor nog niet sprake is van een duurzaam stabiele situatie.

Beoordeling

Op 22 december 2025 is door de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met 22 december 2026.

Uit de medische verklaring volgt dat de onafhankelijk psychiater van oordeel is dat de verlening van verplichte geestelijke gezondheidszorg aan betrokkene kan worden beëindigd onder de voorwaarde dat de huidige depotmedicatie wordt gecontinueerd (paliperidon, een antipsychoticum) en dat deze alleen kan worden afgebouwd bij voortduren van het huidige stabiele klinische beeld. De officier van justitie sluit zich aan bij de medische verklaring.

De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat sprake is van een psychische stoornis die, bij ontregeling van betrokkene, ernstig nadeel met zich mee kan brengen. De rechtbank is echter ook van oordeel dat sprake is van bereidheid tot vrijwillige zorg bij de betrokkene. De betrokkene accepteert immers de depotmedicatie en is in samenwerking met zijn behandelaren. Ook verdient de betrokkene een compliment voor het feit dat hij op eigen kracht en met steun van zijn geloof abstinent van middelen is geworden en tot heden is gebleven.

De rechtbank ziet hierin aanleiding om de verplichte zorg te beëindigen. Gelet op de kwetsbaarheid van betrokkene, de relatief nog prille verbeterde samenwerking tussen betrokkene en de behandelaren, de mogelijk aankomende verandering in de woonplek van de betrokkene en de bevindingen van de onafhankelijk psychiater op dit punt is de rechtbank van oordeel dat aan de beëindiging van de verplichte zorg voorwaarden moeten worden gesteld om het ernstig nadeel weg te nemen.

Gelet op het voorgaande beëindigt de rechtbank de in voormelde machtiging genoemde vormen van verplichte zorg, waarmee deze machtiging komt te vervallen.

De rechtbank is daarbij van oordeel dat aan deze beëindiging tot en met uiterlijk 22 december 2026 de volgende voorwaarden moeten worden verbonden:

- Continueren van de depotmedicatie, zolang de behandelaren dit noodzakelijk achten;

- Nakomen van afspraken met ambulante behandelaren.

De rechtbank merkt daarbij op dat, zoals ter zitting en in de medische verklaring is besproken, bij een aanhoudend stabiel toestandsbeeld en blijvende abstinentie van middelen kan worden bezien of afbouw van de medicatie mogelijk is.

De rechtbank wijst ten overvloede nog op het bepaalde in artikel 8:18 lid 12 Wvggz waaruit volgt dat bij niet naleving van een aan de beslissing tot beëindiging van het verlenen van verplichte zorg op grond van zorgmachtiging door de rechter verbonden voorwaarde de geneesheer-directeur de beslissing tot beëindiging kan intrekken.

Beslissing

De rechtbank:

beëindigt de vormen van verplichte zorg ten aanzien van:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],

zoals opgenomen in de zorgmachtiging van 22 december 2025 onder de navolgende voorwaarden, die gelden tot en met uiterlijk: 22 december 2026:

  • Continueren van de depotmedicatie, zolang de behandelaren dit noodzakelijk achten;

  • Nakomen van afspraken met ambulante behandelaren.

Deze beschikking is gegeven door mr. O.F. Bouwman, rechter, bijgestaan door mr. A. Laverman als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 juli 2026.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 juli 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »