Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-6238
Zaaknummer: C/09/652945
Datum beschikking: 2 juli 2026
Wijziging van de zorgregeling ex artikel 1:253a BW
Beschikking op het op 28 augustus 2023 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.B. Brouwer te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. van Wijk te Delft.
Procedure
Bij beschikking van 8 november 2024 van deze rechtbank is het verzoek van de vader tot gelasten van een raadsonderzoek afgewezen. Iedere beslissing ten aanzien van de zorgregeling is aangehouden in afwachting van het verloop van de hulpverlening.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
-
het F9-formulier van 26 mei 2025 van de zijde van de vader, met bijlagen;
-
het F9-formulier van 4 november 2025 van de zijde van de vader, met bijlage;
-
het F9-formulier van 2 juni 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
-
het F9-formulier van 3 juni 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen.
Op 4 juni 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: beide ouders, bijgestaan door hun advocaten en [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Wat nog voorligt
De rechtbank dient nog een beslissing te nemen op – kort weergegeven – het verzoek van de moeder tot vaststelling van een vakantieregeling en het opleggen van een dwangsom op de uitvoering van de zorgregeling en de vakantieregeling. Daarnaast is bij F9-formulier van 26 mei 2026 door de vader (opnieuw) verzocht om een onderzoek door de Raad te gelasten.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt vast dat er de afgelopen periode veel is geprobeerd en dat er ook heel veel hulpverlening in het vrijwillige kader is geprobeerd. Het is echter niet gelukt om een traject te vinden dat duurzaam ingezet kan worden. Ook is gebleken dat de communicatie tussen de ouders niet is verbeterd en dat de zorgen van vader over de opvoedvaardigheden van de moeder en de omstandigheden waaronder de kinderen bij de moeder verblijven alleen maar zijn toegenomen. Uit de stukken van Impegno is ook gebleken dat met name [minderjarige] zorgelijke uitspraken heeft gedaan en in een ernstig loyaliteitsconflict zit. De rechtbank concludeert dat sprake is van een zorgelijke situatie. Anders dan twee jaar geleden, acht de rechtbank een onderzoek door de Raad nu wel aangewezen om het nog voorliggende verzoek ten aanzien van de vakantieregeling goed te kunnen beoordelen. De rechtbank acht zicht op dit moment namelijk onvoldoende geïnformeerd om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Ook door de Raad is op de zitting erkend dat een raadsonderzoek van meerwaarde is. De rechtbank zal daarom een raadsonderzoek gelasten waarbij de Raad wordt verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
-
welke verdeling van de vakanties is in het belang van de kinderen?
-
is verdere hulpverlening voor de ouders en/of de kinderen noodzakelijk, en zo ja, welke?
De rechtbank verzoekt de Raad, indien hij dat aangewezen acht, het raadsonderzoek uit te breiden naar een beschermingsonderzoek, zoals ook op de zitting met partijen is besproken.
Tot slot overweegt de rechtbank nog dat het voorgaande ook betekent dat de rechtbank geen voorlopige beslissing zal nemen ten aanzien van de verdeling van de vakanties. Dit betekent dat de afspraken zoals gemaakt in het ouderschapsplan doorlopen. De rechtbank verwacht van beide ouders dat zij deze regeling ook zullen nakomen en ziet vooralsnog geen aanleiding om een dwangsom op te leggen. Het staat de ouders wel vrij om in onderling overleg andere afspraken te maken.
Iedere beslissing ten aanzien van de vakantieregeling en de dwangsom zal daarom worden aangehouden tot na te noemen pro formadatum in afwachting van het raadsonderzoek.
Beslissing
De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot 1 januari 2027 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de vakanties en de dwangsom aan.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2026. |