Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/050945-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 mei 2026 (inhoudelijk).
Er heeft een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden met een conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. F. de Vries op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen namens de veroordeelde door zijn raadsman mr. H. Sytema op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2 De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 119.293,81 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3 De grondslag voor ontneming
Oordeel van de rechtbank
De veroordeelde is op 26 juni 2024 door deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld wegens het volgende strafbare feit:
- het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit bewezen verklaarde strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4 De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de vordering gewijzigd in die zin, dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 16.254,13.
De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 18 mei 2024. De conclusie van dit rapport is dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel € 119.283,81 bedraagt. Hierbij is uitgegaan van een pondspondsgewijze verdeling van het totale voordeel van € 238.587,62 tussen de veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] . In het rapport is een pleegperiode van 1 januari 2020 tot en met 21 maart 2022 als uitgangspunt genomen.
De officier van justitie komt op een ander bedrag uit dan het rapport, omdat zij bij de berekening uitgaat van een andere pleegperiode, namelijk 1 december 2021 tot en met 21 maart 2022.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom moet worden geschat op een bedrag van € 16.254,13.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft zich in zijn conclusies en op de terechtzitting op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening moet worden uitgegaan van een andere pleegperiode, namelijk van 1 december 2021 tot en met 21 maart 2022 en daarnaast dienen zeven dagen van de pleegperiode te worden afgetrokken omdat de veroordeelde toen in het buitenland verbleef en in die periode geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat een pondspondsgewijze verdeling van de opbrengsten geen recht doet aan de rolverdeling tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde [medeveroordeelde] en heeft de verdediging een verdeling van 20/80% bepleit.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op een bedrag van € 3.083,60.
Bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld –
bedoeld een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe
bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar
dossierpagina s, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met de naam Onderzoek Ignis
met het nummer DH4R022007 van de districtsrecherche Zoetermeer-
Leidschendam/Voorburg met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 3001).
1. Het in de strafzaak tegen de veroordeelde op 26 juni 2024 gewezen vonnis van deze rechtbank.
De bewezenverklaarde pleegperiode betrof 1 december 2021 tot en met 21 maart 2022. De startdatum volgt uit de verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 28 mei 2024. De einddatum volgt uit het proces-verbaal van bevindingen (uitlezen data AAPS5523NL dealertelefoon) opgemaakt op 30 maart 2022 (p. 2456-2467).
Het gemiddelde aantal afnemers/transacties per week was 349. Dit aantal volgt uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 april 2022, (p. 2521-2561) waarin het aantal afspraken in de periode van 31 januari 2022 tot en met 6 februari 2022 is vastgesteld aan de hand van de afspraken aangetroffen in de dealertelefoon. De rechtbank hanteert de gevolgtrekking dat in die periode gemiddeld is voor de gehele periode.
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 18 mei 2024 is opgemaakt.
De door de veroordeelde gehanteerde verkoopprijs bedraagt € 10,00 voor 1 gram hennep. Dit blijkt uit de geanalyseerde chatgesprekken waaruit volgt dat er een prijslijst bekend was die verstuurd werd naar mogelijke afnemers van de verdovende middelen (proces-verbaal van bevindingen DH4R022007-273, p. 198 en DH4R022007-297, p. 1513).
De rechtbank hanteert de gevolgtrekking dat op iedere afspraak ten minste 1 gram werd verkocht en dus een opbrengst van minimaal € 10,00 werd gerealiseerd.
De inkoopprijs bedraagt volgens de standaard berekening en normen van het Functioneel Parket Afpakken € 4.070,00 per kilo hennep.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de hierna te noemen berekening.
De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de hiervoor genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.
Periode
Het wederechtelijk verkregen voordeel is in het rapport berekend over de periode van 1 januari 2020 tot en met 21 maart 2022.
De rechtbank ziet overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging aanleiding om de ontneming te beperken tot de periode tussen 1 december 2021 tot en met 21 maart 2022. Dat is de periode waarin zich het in het vonnis bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden.
Het standpunt van de verdediging dat de periode vanwege verblijf van de veroordeelde in het buitenland bovendien verminderd moet worden met zeven dagen, verwerpt de rechtbank. De verdediging heeft geen concrete feitelijke aanknopingspunten gesteld waaruit volgt dat er geen handel heeft plaatsgevonden op de dagen dat de veroordeelde in het buitenland verbleef. Dat is ook in het onderzoek niet gebleken. Integendeel, het strafdossier bevat juist aanwijzingen dat de handel is voortgezet door anderen. Uit het vonnis in de strafzaak volgt daarnaast dat de veroordeelde is veroordeeld als medepleger over de gehele periode, zodat als uitgangspunt geldt dat de veroordeelde meedeelde in de gerealiseerde omzet over de gehele periode. Afwijking van dit uitgangspunt is uitsluitend aan de orde wanneer de rechtbank de taakverdeling of verdeling van de winst tussen medeplegers concreet kan vaststellen. In de regel kan dit alleen wanneer de veroordeelde hierin inzage verschaft of hier gedetailleerd over verklaard. Nu de veroordeelde dit heeft nagelaten, zal de rechtbank niet afwijken van het uitgangspunt.
Opbrengsten
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het rapport uitgegaan van 349 afspraken per week en een minimale afname van 1 gram tegen een verkoopprijs van € 10,00 per afspraak. De bruto opbrengst is in het rapport berekend op € 402.340,00 over de gehele periode 1 januari 2020 tot en met 21 maart 2022. Dit komt neer op een opbrengst per week van € 3.490,00.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het aantal van 349 afspraken per week, de afname van 1 gram per afspraak en de verkoopprijs van € 10,00 per gram. Deze uitgangspunten volgen bovendien uit de bewijsmiddelen. De rechtbank past deze uitgangspunten dan ook toe bij het vaststellen van de opbrengsten.
De door de rechtbank gehanteerde periode bedraagt 111 dagen, oftewel 15 weken en 6 dagen. Na afronding in het voordeel van de veroordeelde hebben er 5.534 afspraken plaatsgevonden. De totale opbrengst bedraagt daarom € 55.340,00.
Kosten
Om de kosten te berekenen is in het rapport als uitgangspunt de standaard berekening en normen van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM) genomen. Daarbij is uitgegaan van een inkoopprijs van € 4.070,00 per kilo hennep.
De verdediging heeft geen afwijkend standpunt aangevoerd ten aanzien van de door de veroordeelde gemaakte kosten. Nu deze kosten uit de bewijsmiddelen volgen, neemt de rechtbank deze tot uitgangspunt.
Uitgaande van de hiervoor genoemde 5.534 afspraken, is er tijdens deze afspraken is 5.534 kilo verkocht. Dit komt overeen met een totale inkoopprijs van € 22.523,38.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank berekent het totale wederrechtelijk verkregen voordeel door de kosten af te trekken van de opbrengsten (€ 55.340,00 minus € 22.523,38). Dat brengt de schatting van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel op € 32.816,62.
Pondspondsgewijze toerekening
In het rapport is uitgegaan van een pondspondsgewijze verdeling van het totale voordeel tussen de veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] .
Door de verdediging is een verdeling van 20/80% tussen de veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] bepleit.
De rechtbank heeft in het veroordelend vonnis de veroordeelde en [medeveroordeelde] als medeplegers van het bewezenverklaarde feit aangemerkt. Aan de hand van het dossier en het verhandelde ter zitting kan de rechtbank niet vaststellen wat de exacte (afgesproken) verdeling van het voordeel tussen hen is geweest. Het strafdossier kent, anders dan de advocaat heeft bepleit, geen concrete aanknopingspunten dat één van hen een ondergeschikte rol had ten opzichte van de ander. Integendeel, uit de bewijsmiddelen bij het vonnis van de rechtbank van 26 juni 2024 volgt dat beiden – de veroordeelde en [medeveroordeelde] – gebruiker waren van de dealertelefoon, zij spraakberichten inspraken voor de afnemers en gebruik maakten van de Citroën C3 waarmee de drugs bij de afnemers werden afgeleverd. Dat sprake zou zijn geweest van een andere rolverdeling waarbij de veroordeelde een significant kleinere rol had dan [medeveroordeelde] , volgt de rechtbank dan ook niet. Dat uit Whatsapp-berichten in de dealertelefoon blijkt dat de veroordeelde zich moest introduceren bij klanten of niet het vaste gezicht was voor een klant, zoals de verdediging naar voren heeft gebracht, is onvoldoende voor een ander oordeel. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat, zoals hiervoor overwogen, de veroordeelde geen inzicht heeft gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel of de onderlinge rolverdeling. De enkele verwijzing naar andere betrokkenen in de handel is daarvoor onvoldoende. Resumerend is de rechtbank van oordeel dat het strafdossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een andere toerekening dan een pondspondsgewijze toerekening van het voordeel aan veroordeelde. De rechtbank zal daarom het totale geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs aan de veroordeelde toerekenen.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 16.408,31.
5 De vaststelling van de betalingsverplichting
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het door de officier van justitie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk 5% lager, omdat rekening moet worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat rekening moet worden gehouden met de waarde van onherroepelijk verbeurdverklaarde geldbedragen en overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van de rechtbank
Redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
In deze ontnemingszaak gaat de rechtbank uit van een aanvang van de redelijke termijn op 23 april 2024, de dag waarop de ontnemingsvordering door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag aanhangig is gemaakt. De rechtbank wijst vonnis op 17 juni 2026, ruim twee jaar na aanvang van de redelijke termijn.
Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn met beperkte duur is overschreden en dat deze overschrijding matiging van het ontnemingsbedrag tot gevolg moet hebben. Gelijk aan het standpunt van de officier van justitie, zal de rechtbank op het hiervoor geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel een correctie toepassen van 5% ter hoogte van € 820,42 (na afronding in het voordeel van de veroordeelde). De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op de vast te stellen betalingsverplichting.
Verbeurdverklaring
De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank in het onherroepelijke vonnis in de hoofdzaak een totaalbedrag van € 7.070,00 verbeurd heeft verklaard en dat dit bedrag in mindering gebracht moet worden op de betalingsverplichting.
In haar vonnis van 26 juni 2024 heeft deze rechtbank twee geldbedragen van € 5.500,00 en € 1.570,00 verbeurd verklaard, omdat deze bedragen aan de veroordeelde toebehoorden en deze bedragen geheel of grotendeels verkregen zijn door middel van het strafbare feit: het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
De rechtbank stelt vast dat in totaal een bedrag van € 7.070,00 verbeurd is verklaard en dat die verbeurdverklaring gegrond is op hetzelfde feit als waarop de ontnemingsvordering ziet. Hiermee rekening houdend, zal de rechtbank de betalingsverplichting verminderen met dit bedrag van € 7.070,00.
Conclusie vaststelling betalingsverplichting
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 8.517,89. Dit bedrag betreft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel minus € 820,42 vanwege overschrijding van de redelijke termijn en minus € 7.070,00 vanwege de verbeurdverklaring van dit bedrag in de strafzaak.
De rechtbank zal toepassing geven aan artikel 36e lid 11 Sr. Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen € 100,00.
Gelet op de vastgestelde betalingsverplichting van € 8.517,89, zal de rechtbank de duur van de gijzeling vaststellen op 85 dagen.
6 Het toepasselijke wetsartikel
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7 De beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 16.408,31 (zegge: zestienduizend vierhonderdacht euro en eenendertig eurocent);
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 8.517,89 (zegge: achtduizend vijfhonderd zeventien euro en achtennegentig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 85 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.G. Bruinsma, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en V.J.J. van Mierlo, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.