RECHTBANK Den Haag
Team Toezicht
Rekestnummer: NL:TZ:2612688:R-RK
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] , [land] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [verzoekster] ,
tegen
Zorg en Zekerheid, vertegenwoordigd door LAVG,
gevestigd en kantoorhoudende te Leiden,
hierna: Zorg en Zekerheid,
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Zij heeft een voorstel gedaan aan haar schuldeisers, waarbij een deel van de vordering wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft [verzoekster] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1 De feiten waar de rechtbank van uit gaat
[verzoekster] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van
€ 9.548,80 aan tien schuldeisers. Het is [verzoekster] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de gemeente Alphen aan den Rijn heeft zij voor het laatst op 7 januari 2026 een schuldregeling aangeboden (schuldregeling zonder afloscapaciteit maar met uitdeling van vermogen). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering ineens wordt aangeboden van 15,361% en aan de gewone schuldeisers een uitkering ineens van 7,68%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen.
Zorg en Zekerheid is niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoekster] heeft een schuld aan Zorg en Zekerheid van € 467,82, dat is 4,90% van de totale schuldenlast.
Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil zij dat de rechtbank Zorg en Zekerheid dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil zij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
De rechtbank heeft bepaald (uiterlijk) 1 juli 2026 uitspraak te doen.
2 De procedure
De verzoeken van [verzoekster] zijn behandeld op de zitting van 24 juni 2026. Op deze zitting verschenen:
- [verzoekster] vergezeld door haar dochter,
- mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2] , schuldhulpverleners van de [gemeente] ,
- de heer [naam 3] , beschermingsbewindvoerder met collega mevrouw [naam 4] ,
- de heer [naam 5] namens Zorg en Zekerheid met gemachtigde de heer mr. Roodenburg,
- de heer K. Barak, tolk
3 Standpunten van partijen
[verzoekster] stelt dat het onredelijk is dat Zorg en Zekerheid het aanbod niet aanvaardt. Volgens haar heeft zij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden en kan zij niet meer aanbieden dan zij heeft gedaan.
Zorg en Zekerheid stemt niet in met de aangeboden schuldregeling om de volgende redenen. Zij is van mening dat het afboeken van de vordering te ingrijpend is, mede gezien het eerdere schuldhulpverleningstraject. Een minimale looptijd van achttien maanden acht Zorg en Zekerheid wenselijk. De huidige schuld is ontstaan tijdens het schuldhulpverleningstraject. Dit impliceert dat deze onvoldoende was om [verzoekster] te bewegen om nieuwe schulden te voorkomen. [verzoekster] is de Nederlandse taal niet machtig en het is Zorg en Zekerheid niet gebleken dat zij hulp heeft bij vertaling van correspondentie. Dit staat toelating tot de schuldsanering in de weg. Daarnaast is Zorg en Zekerheid van mening dat de gezondheidsklachten van [verzoekster] onvoldoende bewezen zijn. Verder is de meerderjarige zoon van [verzoekster] inwonend, maar draagt niet bij in de kosten.
.
4 De beoordeling van de verzoeken
De rechtbank zal het verzoek van [verzoekster] om een dwangakkoord op te leggen afwijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat Zorg en Zekerheid weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door gemeente Alphen aan den Rijn. Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarde(n), namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van [verzoekster] zelf, van de weigerende schuldeiser(s) en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier niet op zijn plaats is.
Het is niet onredelijk dat Zorg en Zekerheid heeft geweigerd met de schuldregeling in te stemmen
De meerderheid van de schuldeisers, die samen ruim 95,10% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, heeft weliswaar ingestemd met de aangeboden schuldregeling, maar het eerder positief afgeronde schuldhulpverleningstraject van [verzoekster] en het ontstaan van nieuwe schulden relatief kort daarna brengt met zich mee dat niet snel kan worden geoordeeld dat het onredelijk is dat Zorg en Zekerheid heeft geweigerd met de schuldregeling in te stemmen. Zij heeft in het eerdere traject al een schuld moeten afboeken en zou dat nu weer moeten doen.
Op het WSNP-verzoek wordt in een apart vonnis beslist
[verzoekster] heeft op de zitting laten weten het verzoek om te worden toegelaten tot WSNP te handhaven als het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt afgewezen. De rechtbank zal op dat verzoek in een apart vonnis beslissen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord af.
Dit is de beslissing van mr. D. de Loor, rechter, in samenwerking met R.D.A. Babulall-Oemrawsingh, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan [verzoekster] gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag. Dit kan alleen indien het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ook door de rechtbank is afgewezen en [verzoekster] tegelijk hoger beroep instelt tegen die afwijzing (art. 292 lid 3 Fw).