ECLI:NL:RBDHA:2026:17773

Datum uitspraak
30-06-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
09/382471-24
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De verdachte wordt veroordeeld voor belaging van een ex-partner en verduistering in dienstbetrekking van een politiebaken. De verdachte was in de ten laste gelegde periode werkzaam bij de politie. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 90 dagen op waarvan 72 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf voor de duur van 200 uren op.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/382471-24

Datum uitspraak: 30 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige kamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1969 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] te [woonplaats 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 16 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.M. Kampen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op één of meerdere moment(en) in of omstreeks de periode van 1 maart 2024 tot en met 28 november 2024 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, en/of Hoofddorp en/of Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door

- het (meermaals) plaatsen van een politiebaken en/of een airtag onder de auto van die [aangeefster] ,

- het opvragen van (ringdeurbel-)beelden waarop die [aangeefster] te zien is,

- het volgen van chatgesprekken die [aangeefster] voert met anderen via Whatsapp en (Facebook) Messenger,

- het inloggen, althans proberen in te loggen op het e-mail en/of google account van die [aangeefster] en/of

- tegen die [aangeefster] te zeggen dat, wanneer hij - verdachte - de afgrond in wordt getrokken, hij - verdachte - die [aangeefster] mee de afgrond in zal nemen en dat dat een belofte is, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2024 tot en met 28 november 2024 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer en/of Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem en/of te Amsterdam, althans in Nederland opzettelijk één of meerdere politiebaken(s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan de nationale politie, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als politieagent, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging in de zin van artikel 285b, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bevat. Evenwel kan het Openbaar Ministerie in de vervolging worden ontvangen. Blijkens vaste jurisprudentie kan bij het ontbreken van een formele klacht vervolging mogelijk blijven indien de wens tot vervolging van een klachtgerechtigde op andere feiten en omstandigheden kan worden gebaseerd. Van die wens moet gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit zijn gebleken. Doorslaggevend is daarbij of op grond van het strafdossier en/of het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam komt vast te staan dat het destijds de uitdrukkelijke wens van het slachtoffer was dat het Openbaar Ministerie vervolging zou instellen tegen de verdachte. De aangeefster heeft op 29 november 2024 aangifte gedaan van belaging. Hierbij heeft zij kenbaar gemaakt dat zij wenst te worden geïnformeerd over het verloop van de afdoening van de strafzaak en zij door schadebemiddeling of voeging de schade wenst te verhalen in het strafproces. Vervolgens is zij op 9 december 2024 aanvullend gehoord. Tijdens dit verhoor heeft zij een geschreven verklaring en documenten overhandigd aan de politie. Daarna heeft zij op 22 januari 2026 een verzoek tot schadevergoeding ingediend. Uit het hiervoor weergegeven samenstel van feiten blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de aangeefster de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.

4 De bewijsbeslissing

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair namens de verdachte vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw subsidiair partiële vrijspraak van de ten laste gelegde periode bepleit.

De rechtbank zal hierna, voor zover relevant, nader ingaan op specifieke standpunten van de raadsvrouw.

4.3

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van:

  • het proces-verbaal (hierna: PV 1) met het nummer PL1500-2024386474, onderzoek DOLOMIET/ DHSDA24-007, van de politie eenheid Amsterdam en Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 219);

  • het proces-verbaal persoonsdossier (hierna: PV 2) Onderzoek DHSDA 24007/Dolomiet, van de politie eenheid Amsterdam en Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1-60);

De bewijsmiddelen – en ook de onderdelen daarvan – worden telkens slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop zij blijkens de inhoud ervan betrekking hebben.

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 juni 2026, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik een baken onder de auto van [aangeefster] heb gedaan. Ik heb dit baken ook een keer verwisseld. Op 5 november 2024 had ik door het baken gezien dat [aangeefster] in Hoofddorp was. Ik wist waar haar auto stond en ben daar naartoe gegaan. Ik heb de ringdeurbelbeelden opgevraagd om haar te confronteren. De woorden ‘als je mij de afgrond in trekt, dan trek ik jou mee’, heb ik gezegd. Onder de Kia Niro van mijn vrouw zat een politiebaken. Het klopt dat de derde vingerafdruk op de telefoon van [aangeefster] van mij is. Ik wist haar code ook. De opnames die zijn aangetroffen op mijn telefoon van de belgeschiedenis, het openen van de app met de naam “mijn kluis” met wachtwoorden, agenda en inloggegevens, heb ik gemaakt.

2. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [aangeefster] , opgemaakt op 29 november 2024, voor zover inhoudende (PV 1, p. 11, 12, 14, 15, 16, 18, 21, bijlage p. 23):

Aangeefster:

Naam: [aangeefster]

Adres: [adres 2]

Plaats: [woonplaats 2]

Je vertelde dat [verdachte] controlerend en onzeker gedrag vertoonde, kan je dat uitleggen?

Nou dat zat hem in dat ik toen al het idee had dat [verdachte] mij kon volgen. Als ik mijn dochter naar school bracht dan haalde ik mijn maaltijd bij [naam 1] . En elke keer als ik in de winkel bij [naam 1] stond ging mijn telefoon en belde [verdachte] . Dat vond ik echt te goed getimed.

Maar [verdachte] controleerde wel eens mijn telefoon en hij zocht daar dan wat achter.

V: Wanneer in de relatie was dit?A: Nou, dat was eigenlijk al vanaf het begin. In november 2023 is het meer een relatie geworden.

Pakte hij dan jouw telefoon?

Nou als ik met [naam 2] berichten stuurden dan vroeg hij heel vaak; "Laat het zien, laat het zien". En dan moest ik het laten zien en ik voelde me dan echt onder druk gezet om het te doen. Dat maakte mij ook heel angstig en ik voelde me heel erg gecontroleerd.

Waar stond de dreiging die jij voelde uit?

Hij heeft telefonisch ook een aantal keer gezegd; "Als je mij de afgrond in trekt, dan trek ik jou mee en dat is een belofte".

Wat denk je dat hij daar mee bedoelde?

Voor mijn gevoel bedoelde hij daar de dood mee.

Kan je vertellen over het incident op 5 november?

Ik ben weggegaan en heb mijn telefoon op vliegtuigmode gezet omdat ik niet wilde dat [verdachte] mij zou volgen. Ik wist namelijk dat [verdachte] het niet goed zou vinden als ik naar [naam 3] zou gaan. En het gevoel dat hij mij volgde had ik wel heel vaak de afgelopen tijd. [verdachte] heeft mij toen gecontroleerd. Hij is naar mijn huis gegaan, heeft gezien dat ik daar niet was en heeft mijn reservesleutel van mijn auto gepakt. [verdachte] is toen naar Hoofddorp gegaan.

Hoe kwam je erachter dat hij in Hoofddorp was geweest?

Toen stuurde hij mij een berichtje; 'ik ben ergens achter gekomen, zorg dat je thuis bent ik ben met een half uur bij je'. [verdachte] had een Ipad bij zich en hij liet die camerabeelden zien van die deurbel. Ik zag op de beelden mijzelf langslopen, het was 's nachts en ik hoorde op de achtergrond [verdachte] praten met de bewoner.

En hij had allemaal berichten van mij op zijn Ipad die ik had verstuurd met mijn nieuwe telefoon terwijl ik zeker wist dat hij daar de code niet van had. Ik heb geen idee hoe hij bij die berichten kan. En steeds vaker heb ik het idee dat hij in mijn telefoon zit. Foto's staan op andere plekken en ik kan opeens niet meer in bestanden.

Je hebt eerder aan mij verteld dat jouw surrogaat vader [verdachte] wel eens onder jouw auto heeft gezien?

Ja klopt. Ik heb hem zelf ook een keer onder mijn auto zien liggen. Toen ik uit het raam keek zag ik dat hij onder mijn auto lag. Ik zag dat hij aan de achterzijde bij mijn bumper en dan zag ik dat hij op zijn zij lag met zijn hand eronder.

Wat zijn gedrag maakt jou daarvoor bang?

De bedreigingen. Dus wat hij zei over de afgrond en die blik die hij daarbij had neem ik dat heel serieus.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 december 2024, voor zover inhoudende (PV 1, p. 145, 146, bijlage p. 153):

Op 9 december 2024 verhoorden wij de aangever:

Naam: [aangeefster]

Voornamen: [aangeefster]

Er staan 3 vingerafdrukken geregistreerd om mijn telefoon te openen. Twee van mij en een onbekende. Ik denk nu dus dat [verdachte] al die tijd in mijn telefoon kon. Dat de derde vingerafdruk van hem was.

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 december 2024, voor zover inhoudende (PV 1, p. 131, 133):

Op maandag 2 december 2024 heb ik telefonisch contact opgenomen met de door aangeefster [aangeefster] opgegeven getuige, " [getuige 1] ". Ik heb de volgende gegevens van [getuige 1] mogen noteren: [getuige 1] .

Hoe verliep de relatie tussen [aangeefster] en [verdachte] ?

Hij lag toen ineens onder haar auto. Ik zag [verdachte] ineens onder deze auto duiken. Ik zag dat hij aan de linkerkant van de auto, aan de kant van de bestuurder, op de grond ging liggen. Dat was ongeveer tussen het voor, - en het achterportier. Ik zag dat hij met zijn arm, tot aan zij schouder, onder de auto ging. Hij lag op zijn rug op de straat.

Wanneer vond dit plaats?

Ik denk dat dit gebeurd is in maart of april 2024.

5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 30 november 2024, voor zover inhoudende (PV 2, p. 12):

V: Op je telefoon troffen we de app SmartTag aan. De app staat open. Wat kun je daar over verklaren?

A: Ik heb haar gevolgd met een baken. Ik heb gebruik gemaakt van baken van de politie. Die was afgeschreven. Ik heb een baken geplaatst onder haar auto. Die heb ik weggegooid. Die was kapot. Ik heb toen het baken vervangen door een airtag. Die zit er nog.

6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 2 december 2024, voor zover inhoudende (PV 2, p. 19, 20, 21, 24, 26):

V: Onder welke auto zat het baken?

A: Onder haar auto, een Kia.

V: Hoe heb je dat aangepakt?

A: Het was een baken die was afgeschreven. Een 2G baken. Ze werden niet meer gebruikt. En daar heb ik er dus 1 van gepakt, vanaf mijn werk dus.

V: Kan je nog wat meer vertellen hoe je dat hebt aangepakt?

A: Ik heb dat baken gepakt en onder haar auto geplakt.

V: Wanneer heb je dat gedaan? Was [aangeefster] thuis of was ze niet op vakantie?

A: Ze was op vakantie. Ze was 4 of 5 dagen weg. Ze was naar Spanje.

V: Wanneer is [aangeefster] op vakantie geweest?

A: Het is in elk geval na de zomer geweest.

V: Hoe las je het baken dan uit?

A: Via een app op mijn telefoon. Op mijn eigen telefoon.

V: Hoe lang heeft dat baken eronder gezeten?

A: Een aantal maanden, ik weet niet precies hoe lang.

V: Hoe vaak heb je een baken geplaatst in totaal?

A: Een aantal keer. Ik plaats dan steeds elke keer hetzelfde baken. Dus ik plaats het baken en dan haal ik het ook weer weg. Ik haal het dan weg omdat de batterij dan leeg is.

7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 december 2024, voor zover inhoudende (PV 1, p. 168, 169):

Bij zijn aanhouding gaf de verdachte aan dat zijn privetelefoon op de werkplek lag.

De data van dit toestel werd veiliggesteld en door mij onderzocht.

Tijdens het onderzoek zag ik verschillende filmpjes waarop te zien was dat met een ander toestel de inhoud van een ander toestel werd gefilmd.

In dit filmpje zag ik dat een app werd geopend genaamd "Mijn kluis". Vervolgens zag ik in dit filmpje dat de wachtwoorden en inloggegevens van verschillend applicaties werden geopend en dat deze gegevens werden gefilmd. Zo zag ik dat de DigiD van " [aangeefster] " werd gefilmd alsmede de inloggegevens van Hotmail, Messenger en de versleuteling van Whatsapp.

Ik zag dat in dit filmpje een chat wordt gefilmd tussen [getuige 2] (opmerking verb: vermoedelijk de getuige [getuige 2] , vriendin van [aangeefster] ) en vermoedelijk [aangeefster] zelf.

8. Het proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt op 5 december 2024, voor zover inhoudende (PV 1, p. 141, 142):

Ik ben [naam 4] , en werk bij politie Eenheid Amsterdam. Ik werk daar als [functienaam] . Een van mijn medewerkers is [verdachte] .

Er is aan mij nooit toestemming gevraagd om bakens op privé voertuigen van collega's uit te proberen. De bakens werken gewoon. Wij testen alleen nieuwe bakens uit op functionaliteit. Echter de bakens die wij nu gebruiken hebben hun functie al bewezen. Die hoeven niet getest worden. Een baken privé gebruiken voor privédoeleinden is uit den boze. Een baken die is afgeschreven of die niet functioneert gaat terug naar de leverancier of wordt weggegooid in een speciale bak ter vernietiging.

9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 november 2024, voor zover inhoudende (p. 101):

Ik, verbalisant, verklaar het volgende:

Op zaterdag 30 november 2024 werd ik benaderd door Teamchef C (SO) met een verzoek of ik kon zien of er een GPS middel te zien was op de onderzoekslocatie alwaar de auto ( [kenteken] ) van aangeefster/slachtoffer was geplaatst in afwachting van het technisch onderzoek. Door middel van alle bakens te bekijken die onder het account van Heterdaad zitten zag ik 1 baken op een niet logische plek staan, bij uitvraag bleek het de straat te zijn van verdachte in [woonplaats 1] . Ik ben toen in de historische gegevens gaan kijken met de reden dat als het GPS middel steeds naar de [straatnaam] zou gaan, het middel waarschijnlijk in de auto van de verdachte zou zitten. Inmiddels wist ik ook het adres van het slachtoffer, en toen ik door de gegevens scrolde kwam het adres [adres 2] [woonplaats 2] ook naar voren. Vanaf dat adres loopt er een route naar de [straatnaam] in Amsterdam.

4.4

Bewijsoverwegingen

Feit 1: belaging

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging zoals bedoeld in artikel 285b, eerste lid Sr van belang is de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De rechtbank stelt op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast.

Plaatsen politiebaken

De verdachte heeft tijdens de verhoren bij de politie op 30 november 2024 en 2 december 2024 verklaard dat hij een politiebaken onder de auto van de aangeefster heeft geplaatst. Hij heeft hier toen gedetailleerd over verklaard. De verdachte heeft het baken specifiek omschreven en verteld dat het ging om een 2Gbaken dat was afgeschreven. Ook in latere verklaringen, op 3 december 2024 bij de rechter-commissaris en op 4 maart 2025 bij de politie is de verdachte hier niet op teruggekomen. Hij heeft tijdens het verhoor op 2 december 2024 verklaard dat hij het baken heeft geplaatst toen de aangeefster op vakantie was en dat hij hetzelfde baken een aantal keer heeft geplaatst in verband met een lege batterij. Toen het baken kapot ging, heeft hij het vervangen door een airtag. Daarnaast heeft hij ook details gegeven over hoe het baken kon worden uitgelezen.

Ter terechtzitting heeft de verdachte voor het eerst verklaard dat het baken onder de auto van aangeefster geen politiebaken was, maar een baken dat hij zelf had aangeschaft. De rechtbank acht deze lezing door de verdachte onvoldoende concreet en schuift deze als ongeloofwaardig terzijde. De verdachte zou zich gerealiseerd hebben dat het om een eigen baken ging, omdat de gegevens bij gebruik van een politiebaken in de beveiligde politieomgeving terecht zouden zijn gekomen. Uit de verklaring van de verdachte die hij op 30 november 2024 heeft afgelegd, blijkt echter dat het baken op enig moment defect was en dat hij het baken toen heeft vervangen door een airtag. Daar komt bij dat de verdachte ter terechtzitting geen nadere informatie kon verstrekken over het eigen baken dat hij zou hebben geplaatst, zoals het merk en de aankoopdatum. Het dossier bevat ook geen aanknopingspunten die deze verklaring van de verdachte ondersteunen. De rechtbank zal daarom uitgaan van de juistheid van de eenduidige, uitgebreide verklaringen zoals door de verdachte kort na de verweten gedragingen afgelegd bij de politieverhoren.

Volgen chatgesprekken

De verdachte heeft verklaard dat hij wel chatgesprekken van de aangeefster heeft gevolgd, maar dat hij dit met toestemming van haar deed. De aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat de verdachte in feite tegen haar zin in haar telefoon keek en haar controleerde. Ook heeft ze verklaard dat de verdachte allemaal berichten op zijn IPad had staan die zij had verstuurd met haar nieuwe telefoon, terwijl ze zeker wist dat de verdachte daar de code niet van had. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op de telefoon van de verdachte een filmpje is aangetroffen waarin wachtwoorden en inloggegevens van Hotmail, Messenger en de versleuteling van Whatsapp van “ [aangeefster] ” worden gefilmd. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij zijn vingerafdruk in haar telefoon heeft gezet en dat hij de code van haar telefoon wist. Deze omstandigheden ondersteunen naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar controleerde en te allen tijde haar berichten wilde kunnen inzien en maakt dat de rechtbank de verklaring van de verdachte dat aangeefster volledig vrijwillig hem mee liet lezen in haar telefoon terzijde schuift.

Uitspraak: de afgrond intrekken

De verdachte heeft verklaard dat hij deze uitspraak heeft gedaan en dit blijkt ook uit de bewijsmiddelen. De verdachte heeft wisselend verklaard over de intentie van de uitspraak. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitspraak niet van dreigende aard is geweest en door de aangeefster zijn uitgelokt. De rechtbank, is gelet op de aard en de strekking van de woorden, mede gelet op de context en situatie waarin de verdachte zich op dat moment bevond, van oordeel dat de aangeefster met deze uitlatingen vrees kan worden aangejaagd.

Wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke

levenssfeer van de aangeefster

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het plaatsen van het baken en het opvragen van de ringdeurbelbeelden niet zonder meer als een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster kan worden gezien. De rechtbank stelt dat de ten laste gelegde gedragingen in samenhang en onderling verband moeten worden bezien. De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de ten laste gelegde gedragingen, zoals hierboven tot uitdrukking gebracht, en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangeefster zodanig zijn geweest dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.

Periode

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring voor belaging hoogstens voor de periode van 5 november 2024 tot en met 28 november 2024 bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank overweegt als volgt. De verdachte heeft tijdens het verhoor van 2 december 2024 verklaard dat hij het baken na de zomer onder de auto van de aangeefster heeft geplaatst en dat het baken daar een aantal maanden heeft gezeten. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat hij de verdachte in maart 2024 of april 2024 onder de auto van de aangeefster heeft zien liggen. Ook aangeefster verklaart dat zij de verdachte een keer onder haar auto heeft zien liggen. Zij verklaart bovendien dat zij op 5 november 2024 haar telefoon op de vliegtuigmodus had gezet, omdat zij al langer het gevoel had dat zij door verdachte werd gevolgd. Daarnaast blijkt uit de verklaring van de verdachte dat hij het baken een aantal keren opnieuw heeft geplaatst in verband met een lege batterij en het baken in verband met een defect heeft vervangen door een airtag. Uit dit samenstel van feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat het peilbaken rond het begin van de tenlastegelegde periode van maart 2024 tot en met 28 november 2024 onder de auto van de aangeefster is geplaatst, zodat de rechtbank tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde periode komt.

Partiële vrijspraak inloggen op het e-mail/google account

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er meerdere pogingen zijn gedaan om in te loggen op het e-mailaccount van de aangeefster. Deze pogingen hebben ertoe geleid dat het account van de aangeefster werd geblokkeerd. Uit het dossier blijkt niet dat deze inlogpogingen door de verdachte zijn gedaan. Om die reden zal de rechtbank de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel vrijspreken.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat kan worden bewezen dat de verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster in de periode van 1 maart 2024 tot en met 28 november 2024.

Feit 2: verduistering in dienstbetrekking

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich twee politiebakens wederrechtelijk heeft toegeëigend, te weten de bakens die hij onder de auto van zijn partner en onder de auto van aangeefster heeft geplaatst. Ten aanzien van beide bakens heeft de verdachte, zoals hiervoor toegelicht, verklaard dat het politiebakens betrof. Ten aanzien van de politiebaken onder de auto van de partner van de verdachte vindt zijn verklaring steun in de bevindingen van de politie ten aanzien van de registraties van dit baken. Deze registraties ontbreken weliswaar voor het baken dat onder de auto van de aangeefster is geplaatst, maar nader steunbewijs is hier – anders dan door de verdediging bepleit – niet voor vereist. De verdachte heeft immers verklaard dat het een politiebaken betrof en uit de bevindingen van de politie volgt dat de verdachte kon beschikken over politiebakens voor privé voertuigen. De wederrechtelijkheid van het plaatsen van de politiebakens onder privé voertuigen leidt de rechtbank af uit de verklaring van de werkgever van de verdachte. De leidinggevende van de verdachte heeft verklaard dat het gebruiken van politiebakens voor privédoeleinden uit den boze is en het testen van de bakens niet aan de orde was, omdat deze bakens hun functie al hebben bewezen. Daarnaast heeft de leidinggevende verklaard dat nooit toestemming aan hem is gevraagd om bakens onder privévoertuigen te gebruiken. Dat een andere verbalisant in een proces-verbaal ook verwijst naar het testen van de middelen, maakt dit, gelet op de verklaring van de leidinggevende van de verdachte, niet anders.

Conclusie

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking meerdere politiebakens wederrechtelijk heeft toegeëigend in de periode van 1 juni 2024 tot en met 28 november 2024.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op meerdere momenten in de periode van 1 maart 2024 tot en met 28 november 2024 te Rijnsaterwoude en Hoofddorp, althans in Nederland, wederrechtelijk

stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door

- het (meermaals) plaatsen van een politiebaken en een airtag onder de auto van die [aangeefster] ,

- het opvragen van ringdeurbelbeelden waarop die [aangeefster] te zien is,

- het volgen van chatgesprekken die [aangeefster] voert met anderen via Whatsapp en (Facebook) Messenger,

- tegen die [aangeefster] te zeggen dat, wanneer hij - verdachte - de afgrond in wordt getrokken, hij - verdachte - die [aangeefster] mee de afgrond in zal nemen en dat dat een belofte is, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2

hij in de periode van 1 juni 2024 tot en met 28 november 2024 te Amsterdam, althans in Nederland opzettelijk meerdere politiebakens, die toebehoorden aan de nationale politie, en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als politieagent, onder zich had wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 72 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het volgen van een ambulante behandeling en een contactverbod met aangeefster, alsmede een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, primair aan de rechtbank verzocht een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om daarbij een voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering, maar zonder een contactverbod. Daarbij is verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat de verdachte gedurende tien maanden een enkelband heeft gedragen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten. De verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan belaging van de aangeefster, waarmee hij destijds een affaire had. Gedurende een periode van meerdere maanden heeft hij de aangeefster met zijn handelingen gevolgd en gecontroleerd. Zo heeft hij onder andere meerdere keren een politiebaken en/of een airtag onder haar auto geplaatst. Deze periode heeft een grote impact op de aangeefster gehad, zo blijkt ook uit haar slachtofferverklaring. Zij voelde zich veilig bij hem en vertrouwde hem, omdat hij een politieagent was. Door het handelen van de verdachte heeft hij haar dit gevoel van veiligheid ontnomen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

De verdachte heeft zich ten tweede schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking, door politiebakens van zijn werk mee te nemen en deze onder de auto van zijn vrouw en de aangeefster te plaatsen. De verdachte was werkzaam bij de politie. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen het vertrouwen van zijn werkgever geschonden en misbruik gemaakt van de aan hem verleende bevoegdheden, maar heeft hij ook het aanzien van de politieorganisatie in het algemeen aangetast. De maatschappij moet immers kunnen rekenen op correct en integer handelen van mensen die voor de politie werkzaam zijn. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 januari 2026, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 12 februari 2026, waaruit volgt de psychische toestand van de verdachte een grote rol heeft gespeeld bij de verdachte ten tijde van het plegen van de delicten. De verdachte heeft inmiddels meer dan een jaar gemotiveerd meegewerkt aan de behandeling van de Waag, waardoor de Waag en de reclassering de kans op recidive als laag inschatten. Uit het advies blijkt verder dat de verdachte spijt heeft betuigd en zijn baan bij de politie is kwijtgeraakt. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, (voortzetting van de) ambulante behandeling en een contactverbod met de aangeefster.

De rechtbank weegt in straf verminderende zin bij de strafoplegging mee dat de verdachte gedurende circa tien maanden onder elektronisch toezicht heeft gestaan in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis, dat dat een voor de verdachte beperkende maatregel is geweest en dat hij gedurende het schorsingstoezicht goed heeft meegewerkt aan de interventies van de reclassering.

Straf

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de feiten, niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf zoals door de officier van justitie is geëist passend en geboden. De rechtbank zal de verdachte veroordelen tot 90 dagen gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 72 dagen voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijk deel van de straf is daarmee gelijk aan het reeds ondergane voorarrest. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijke deel een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, te weten een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met de aangeefster.

Om recht te doen aan de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten zal de rechtbank, naast de voormelde deels voorwaardelijke gevangenisstraf, tevens een taakstraf aan de verdachte opleggen voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis, indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht.

8 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.442,78, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 942,78 aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot

schadevergoeding moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair stelt de verdediging zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt dat de kosten voor het plaatsen van de camera’s bij de woning van de aangeefster niet als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van de kosten voor de vervangende sloten stelt de verdediging zich op het standpunt dat de sloten niet vervangen hadden hoeven worden, omdat de verdachte de sleutel van de woning had teruggeven. Ten aanzien van de kosten van de medicatie stelt de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat deze kosten het gevolg zijn geweest van het ten laste gelegde, omdat de aangeefster deze medicatie ook al gebruikte voor het ten laste gelegde. De gevorderde immateriële schade dient aanzienlijk te worden gematigd en kan worden toegewezen tot een bedrag van ten hoogste € 2.000,-. De verdediging verzoekt aansluiting te zoeken bij categorie C van hoofdstuk 17 (tamelijk ernstige belaging) van de Rotterdamse schaal.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘beveiligingscamera’ en ‘vervangen sloten’, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De camera’s zijn door de aangeefster vrijwel direct na het einde van de ten laste gelegde periode geplaatst. Uit het dossier blijkt dat de verdachte in het bezit was van de huissleutel van de woning van de aangeefster. De verdachte heeft weliswaar een huissleutel aan de aangeefster teruggeven, maar uit het onder 1 bewezenverklaarde feit blijkt dat hij de privacy van de aangeefster en haar gevoel van veiligheid ernstig heeft geschonden, waardoor invoelbaar is dat zij de sloten heeft vervangen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Wat betreft de schadepost ‘medicatie’ overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de aangeefster voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit ook al medicatie gebruikte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de medicatie een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

De grondslag voor toekenning van een immateriële schadevergoeding is aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De verdachte heeft de aangeefster belaagd. Uit haar verklaring blijkt dat zij zich angstig en onveilig heeft gevoeld. Een verergerende factor is dat de aangeefster door het handelen van de verdachte het gevoel van veiligheid van de politie is ontnomen. Onder deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW.

Voor de begroting van de schade die hieruit voortvloeit heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte van categorie 17c, “belaging tamelijk ernstig”. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en context van het bewezenverklaarde feit in vergelijking tot soortgelijke zaken in deze categorie een bedrag van € 2.000,- billijk is. De wettelijke rente over het bedrag van € 2.000,- wordt toegewezen met ingang van 28 november 2024.

Totaal toegewezen

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 2.650,-, bestaande uit € 650,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.

Proceskosten

Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.650, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 285b en 322 Sr.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

belaging;

ten aanzien van feit 2:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 90 (NEGENTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 72 (TWEEENZEVENTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, op het adres Marconistraat 3029 AK te Rotterdam, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd (verder) laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1986, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 200 (TWEEHONDERD) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 100 (HONDERD) DAGEN;

voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

de vordering van de benadeelde partij

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.650,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.650,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 26 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M. Guljé, voorzitter,

mr. N.F.R. de Rooij, rechter,

mr. G.P. Verbeek, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. van Ginkel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »