RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3118
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2025 in de zaak tussen
Huurdersbelang Haastrecht, Stolwijk, Vlist, uit Stolwijk, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder
(gemachtigden: mr. J. van den Dool, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Inleiding
1. Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft verweerder besloten tot een naamswijziging van een straatnaam van ‘Begijnhofstraat’ naar ‘Badhuisstraat’ te Stolwijk. Met het bestreden besluit van 2 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder met een aanvullende motivering bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] en de gemachtigden van verweerder. [naam 3] was hierbij aanwezig namens Groen Wonen Vlist.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Voor een nieuw aan te leggen straat in verband met de bouw van een nieuw appartementengebouw in Stolwijk was een straatnaam nodig die de Bovenkerkseweg verbindt met het einde van de Hoflaan in Stolwijk. Bij besluit van 15 maart 2024 heeft verweerder de naam ‘Begijnhofstraat’ toegekend aan deze nieuw aan te leggen straat. Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft verweerder de naam gewijzigd naar ‘Badhuisstraat’.1
Eiser is vertegenwoordiger van de huurders van de 29 sociale huurwoningen in het nieuwe appartementengebouw grenzend aan deze straat. Eiser is het niet eens met de naamswijziging en vindt dat de straatnaam ‘Hoflaan’ moet zijn.
Verweerder heeft advies gevraagd aan de Commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Krimpenerwaard (hierna: de Commissie) ten aanzien van eisers bezwaar. De Commissie heeft geconcludeerd dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en heeft geadviseerd het eerdere besluit te herroepen en de naam ‘Hoflaan’ toe te kennen aan de nieuwe straat. Verweerder heeft dit advies niet gevolgd en is met een aanvullende motivering bij het eerdere besluit gebleven.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De reden dat eiser beroep instelt is gelegen in het feit dat verweerder het negatieve advies van de Commissie niet heeft opgevolgd. Ten aanzien van de realisatie van het nieuwe appartementengebouw is altijd gesproken over project Hoflaan. Met verweerder is afgesproken dat de straatnaam ‘Hoflaan’ gehandhaafd zou worden voor het gehele gebied rondom het nieuwe appartementsgebouw, met uitzondering van de vijf koopwoningen aan de Bovenkerkseweg. Verweerder stelt ten onrechte dat aan het nieuwe weggedeelte de naam Begijnhofstraat is gegeven. Met het huisnummerbesluit van 27 februari 2024 en de omgevingsvergunning van 28 februari heeft verweerder eerst besloten om de naam ‘Hoflaan’ toe te gaan passen inclusief huisnummering. De omgevingsvergunning is nooit ingetrokken. Verweerder stelt dat de naam ‘Hoflaan’ met bijbehorende nummeraanduidingen is ingetrokken bij besluit van 22 maart 2024, maar eiser heeft geen publicatie hiervan kunnen vinden in het Gemeenteblad waardoor eiser de mogelijkheid is ontnomen om bezwaar in te dienen. Verweerder beroept zich in het bestreden besluit op haar discretionaire bevoegdheid maar dit rechtvaardigt niet dat geen overleg is gevoerd met eiser en woningcorporatie Groen Wonen Vlist over de straatnaam. ‘Hoflaan’ is een betere naam voor de nieuwe straat omdat deze naam historische betekenis heeft vanwege de eerste sociale huurwoningen die in de jaren ’20 van de vorige eeuw werden gebouwd in dit gebied terwijl maar voor een periode van achttien jaar een badhuis heeft gestaan op de Bovenkerkseweg. Ook sluit de naam ‘Hoflaan’ goed aan bij de Algemene Begraafplaats die gelegen is op enkele tientallen meters afstand van het nieuwe appartementengebouw. In het verweerschrift stelt verweerder ten onrechte dat sprake is van een doodlopende fietsstraat nu deze straat alleen doodlopend is voor auto’s met uitzondering van begrafenisverkeer op weg naar het rouwcentrum en de auto’s van de hoekwoningen. Indien eiser in het gelijk wordt gesteld, wordt de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van minimaal € 10.000,- aan hen die als gevolg van het bestreden besluit schade lijden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Het beroep is gegrond. Hieronder zal de rechtbank dit oordeel uitleggen.
De Wet basisregistratie adressen en gebouwen (Wet Bag) heeft betrekking op de basisregistratie van gegevens over adressen en gebouwen. In de Wet Bag wordt onder meer gesproken over het begrip openbare ruimte. Deze ruimte wordt door een bevoegd gemeentelijk orgaan aangewezen en vervolgens van een naam voorzien.2 Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het toekennen van namen aan delen van de openbare ruimte een discretionaire bevoegdheid betreft.3 Dit betekent dat het aan de bestuursrechter is om te toetsen of de burgemeester alle feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling heeft betrokken en of hij na afweging van de betrokken belangen heeft mogen besluiten om zijn bevoegdheid tot toekenning van een straatnaam toe te passen.
In het dit geval is echter geen sprake van een toekenning van een naam aan een deel van de openbare ruimte maar van een wijziging van een bestaande naam. In artikel 16, onder c, van de Uitvoeringsvoorschriften4 is opgenomen dat een bestaande naam alleen in uiterste noodzaak wordt veranderd. Door wijziging van de verkeerssituatie kan het beloop van een straat zodanig wijzigen, dat in het algemeen en voor de hulpdiensten in het bijzonder de vindbaarheid van objecten in het geding komt.
Verweerder heeft toegelicht dat de naam ‘Begijnhofstraat’ is gewijzigd naar ‘Badhuisstraat’ naar aanleiding van een discussie over het ontbreken van een historische betekenis van deze naam. Deze discussie heeft onder meer plaatsgevonden tijdens een vergadering van de gemeenteraad. De Badhuisstraat is wel een naam met historische betekenis vanwege de aanwezigheid van een badhuis in Stolwijk van omstreeks 1950 tot 1968 op het adres [adres]. De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd dat er sprake was van uiterste noodzaak om de naam te wijzigen.
Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien5 en daarbij, zoals eiser wenst, te bepalen dat de naam ‘Hoflaan’ moet worden toegekend aan de nieuwe straat. Voor gebruikmaking van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien is volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter6 namelijk vereist dat de rechter de overtuiging moet hebben dat de uitkomst van het geschil in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn en de toets aan het recht kan doorstaan. Daarvan is in dit geval geen sprake nu verweerder ook de mogelijkheid heeft om in een nieuwe beslissing op bezwaar nader te motiveren waarom er sprake is van uiterste noodzaak om de naam ‘Begijnhofstraat’ te wijzigen naar ‘Badhuisstraat’ dan wel of wellicht sprake is van uiterste noodzaak om, overeenkomstig het advies van de Commissie, de naam te wijzigen naar ‘Hoflaan’. Verweerder kan ook besluiten het besluit van 8 oktober 2024 in te trekken wat als gevolg heeft dat de nieuwe straat weer de naam ‘Begijnhofstraat’ zal krijgen. Het besluit van 15 maart 2024 dat op 20 maart 2024 is gepubliceerd in het Gemeenteblad van Krimpenerwaard7, waarbij de naam ‘Begijnhofstraat’ is toegekend, is namelijk niet voorgelegd aan de rechtbank.
Verder ziet de rechtbank op dit moment nog geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan eiser.8 Los van de vraag of eiser zijn schadeverzoek voldoende heeft gespecificeerd9, is daarbij van belang dat niet zeker is of eiser schade zal lijden als gevolg van het onrechtmatige besluit. Eiser heeft aangevoerd dat in het geval de straatnaam opnieuw gewijzigd wordt, de sociale huurders die eiser vertegenwoordigt schade zullen lijden omdat de adreswijziging aan verschillende instanties zal moeten worden doorgegeven en omdat de huurovereenkomsten gewijzigd zullen moeten worden. De vernietiging van het bestreden besluit heeft echter niet direct als gevolg dat de straatnaam gewijzigd wordt. Zoals hiervoor overwogen is verweerder in de gelegenheid om in een nieuw besluit op bezwaar nader te motiveren waarom er wel sprake was van uiterste noodzaak om de straatnaam te wijzigen en de naam ‘Badhuisstraat’ dus kan worden gehandhaafd. Indien, als gevolg van het nieuwe besluit op bezwaar, de straatnaam gewijzigd wordt, staat het eiser vrij om opnieuw om een schadevergoeding te verzoeken.10
Omdat het beroep gegrond is, behoeven de overige gronden van beroep geen verdere bespreking.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen
7. De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding af.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 april 2025;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 385,- vergoedt;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2025.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.