vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/150366-26, 13/008547-25 (TUL) en 13/287558-25 (TUL)
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
nu gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna: verdachte.
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Eck Rasmussen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.M.G. Wolffs, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Voorts zijn de deskundigen [reclasseringsmedewerker 1] en [reclasseringsmedewerker 2] , reclasseringswerkers, als deskundigen gehoord.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 24 mei 2026 te [plaats] , in elk geval in Nederland,
een fles wijn, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan winkelbedrijf [winkel]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Aangezien verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door de raadsvrouw geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met een opsomming van de bewijsmiddelen.
De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en
omstandigheden vervat in de inhoud van:
-
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 28 augustus 2026;
-
een geschrift, inhoudende een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte inclusief fotobijlagen met nummer PL1300-2026131340-10 van 24 mei 2026, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s 5 t/m 10 (dig);
-
een proces-verbaal van bevindingen met nummer 260524-1382-731 van 24 mei 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pag. 13 en 14 (dig.).
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 24 mei 2026 te Amsterdam, een fles wijn, die aan winkelbedrijf [winkel]
toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
5 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.
6. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen het opleggen van de ISD-maatregel. Verdachte is gemotiveerd om aan de tenuitvoerlegging van de maatregel mee te werken. Verdachte is zich ervan bewust dat hij hulp nodig heeft. Het gaat dan ook om onmacht en niet om een gebrek aan motivatie. Hij is al eerder in behandeling geweest en zal derhalve hopelijk snel stappen zetten.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een
hinderlijk en veelvoorkomend strafbaar feit dat schade en overlast bij de gedupeerde
bedrijven veroorzaakt.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 26 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden vaker
is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Fivoor van 14 augustus 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 1] , reclasseringswerker. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Verdachte voldoet aan de harde criteria voor de ISD-maatregel. De reclassering is van mening dat verdachte inmiddels ook aan de zachte criteria voldoet en adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. De eerdere trajecten bij de reclassering
zijn allen voortijdig negatief beëindigd, daar verdachte zich niet aan de bijzondere voorwaarden hield. Het laatste reclasseringstoezicht, in het kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel, is tevens gestagneerd en op 25 februari 2026 is een advies voortijdig negatieve beëindiging uitgebracht. De mogelijkheden binnen het reguliere kader zijn uitgeput. De onvoorwaardelijke ISD-maatregel is de enige mogelijkheid om te werken aan gedragsverandering en het recidiverisico te beïnvloeden.
Er is sprake van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Verdachte beschikt niet over huisvesting en structurele dagbesteding, heeft schulden en kampt met verslavingsproblematiek. In algemene zin kan gesteld worden dat het middelengebruik en de financiën van verdachte in verband staan met het delictgedrag, daar hij aangeeft in het verleden vermogensdelicten te hebben gepleegd terwijl hij onder invloed was en/of vanwege financiële redenen. Ten grondslag aan het middelengebruik liggen vermoedelijk de beperkte
copingsvaardigheden van verdachte. Verdachte geeft namelijk aan dat hij middelen gebruikt
om onder andere met gevoelens van teleurstelling om te gaan. Het strenge kader van de ISD-maatregel heeft de grootste kans van slagen om het recidiverisico terug te dringen. De reclassering verwacht dat de ISD-maatregel verdachte kan helpen om stabiliteit op de verschillende leefgebieden te bereiken, zoals langdurige abstinentie van middelen en het verkrijgen van stabiele huisvesting door bijvoorbeeld uitstroom naar een passende begeleide woonplek.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Het opstellen van een adequaat begeleidingsplan binnen het kader van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel, waarin aandacht besteed dient te worden aan alle criminogene factoren, lijkt momenteel de meeste kans van slagen te hebben. Gelet op de verslavingsproblematiek en beperkte vaardigheden ten aanzien van de emotie-regulatie, acht de reclassering het van belang dat voor verdachte een passend (klinisch) hulpverleningstraject kan worden ingezet. Dit kan bijdragen aan de stabilisatie van zijn leefsituatie alsmede aan voorkoming van delictgedrag, mits verdachte zich meewerkend opstelt. Indien verdachte niet meewerkt aan behandeling dan wel begeleiding binnen de ISD-maatregel, dan heeft de ISD-maatregel de functie van het tijdelijk beveiligen van de samenleving.
Verdachte heeft in 2025 de voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd gekregen. Binnen dit kader heeft verdachte zich niet aan de bijzondere voorwaarden gehouden. De reclassering heeft op 25 februari 2026 een advies voortijdige negatieve beëindiging uitgebracht. Derhalve verwacht de reclassering dat opnieuw een voorwaardelijke ISD-maatregel niet zal werken als ‘stok achter de deur’.
De deskundigen, [reclasseringsmedewerker 1] en [reclasseringsmedewerker 2] , hebben voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd en toegelicht.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2026 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. Verdachte heeft in de afgelopen vijf jaar verschillende reclasseringstoezichten opgelegd gekregen, heeft een klinische behandeling gevolgd en liep ten tijde van het onderhavige feit in een voorwaardelijke ISD-maatregel. Voorgaande interventies hebben niet geleid tot structurele gedragsverandering. De rechtbank heeft er daarom onvoldoende vertrouwen in dat een ambulant kader kans van slagen heeft.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist. De rechtbank vindt oplegging van de ISDmaatregel daarnaast wenselijk en noodzakelijk om de door de wetgever beoogde doelen van de ISD-maatregel te realiseren, namelijk het doorbreken van het overlast veroorzakende delictgedrag van verdachte en het beveiligen van de maatschappij. Zij zal daarom aan verdachte de ISDmaatregel opleggen.
De rechtbank merkt in dit kader graag nog op dat zij ziet dat verdachte inzicht toont in zijn eigen problematiek, kan aangeven waar hij hulp bij nodig heeft en gemotiveerd is te werken aan zichzelf en aan zijn toekomst. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat verdachte in staat is dit voor elkaar te krijgen en dat hij reeds stappen in de goede richting zet. De rechtbank acht van belang om aan verdachte mee te geven dat de weg ernaartoe niet altijd eenvoudig zal zijn, mogelijk minder snel verloopt dan door hem gewenst, maar dat het van belang is ook op de zwaardere momenten door te zetten.
Maximale termijn van twee jaren
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
7 De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13-008547-25
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13-008547-25 afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Toewijzing van de vordering vindt de rechtbank daarom niet opportuun.
8 De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13-287558-25
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling met parketnummer
13-287558-25 betreft het vonnis van 12 maart 2026 van de rechtbank Amsterdam. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Uit het strafblad van verdachte is gebleken dat het vonnis van 12 maart 2026 niet onherroepelijk is. De officier van justitie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
De vorderingen tot tenuitvoerlegging
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 28 juli 2026 tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13-008547-25.
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering van 28 juli 2026 tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13-287558-25.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. Bode, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 augustus 2026.