ECLI:NL:RBAMS:2026:9910

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/13/784292 / HA ZA 26-207
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Zakelijke kredietovereenkomst met borgtocht. Veroordeling tot betaling van het gevorderde.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/784292 / HA ZA 26-207

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

ASSET MANAGING PARTNERS B.V.,

te Wassenaar,

eisende partij,

hierna te noemen: AMP,

advocaat: mr. G.T. Poot,

tegen

1 [gedaagde 1] B.V.,

te [vestigingsplaats],2. [gedaagde 2],

te [woonplaats],

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],

advocaat: mr. A.L. van Onna.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 30 januari 2026 met producties,

- de conclusie van antwoord,

- het tussenvonnis van 27 mei 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

- de akte overlegging producties 8 t/m 11 aan de zijde van AMP, - de akte overlegging productie 1 aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2],- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] is op 13 september 2022 een kredietovereenkomst (hierna: de overeenkomst) aangegaan met de kredietverstrekker Qred Bank AB (hierna: Qeld). Op grond van de overeenkomst heeft Qeld [gedaagde 1] een krediet verstrekt ter hoogte van € 39.882,37. [gedaagde 2] heeft zich borg gesteld voor het volledige bedrag.

2.2.

In de overeenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Kredietbedrag € 39.882,37”

“De Kredietovereenkomst loopt vanaf de datum dat het Krediet is uitbetaald tot de datum dat het krediet volledig is afgelost.

Het maandelijkse totaalbedrag bestaat uit een deel aflossing van het kredietbedrag van €2 215,69, en de betaling van het vaste maandelijkse prijs […]

De maandelijkse prijs is €1 104,74. De maandelijkse prijs voor het Krediet wordt achteraf in rekening gebracht totdat het Krediet volledig is afgelost.[…]

Bij een betalingsachterstand heeft de Kredietverstrekker het recht om vertragingsrente van 2,5% per maand in rekening te brengen.”

2.3.

Over de borgtocht is in de overeenkomst onder meer het volgende opgenomen:

“De borgtochtgever is hoofdelijk verbonden voor terugbetaling van het verschuldigde onder de Kredietovereenkomst, bestaande uit de hoofdsom, de maandelijkse tarieven en overige kosten. […]

Voor zover rechtens mogelijk, doet de borgtochtgever bij deze uitdrukkelijk afstand van alle rechten en verweermiddelen die bij of krachtens de wet aan de borgtochtgever zijn toegekend, in het bijzonder de verweermiddelen van artikel 139 boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, alsook het recht van subrogatie.”

2.4.

Over de beëindiging van de overeenkomst is in de toepasselijke algemene voorwaarden, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Qeld is gerechtigd om het Krediet vervroegd op te eisen en de Kredietovereenkomst op elk moment op te zeggen of te beëindigen, indien één of meerdere van de onderstaande omstandigheden zich voordoen:

16.1

De Klant heeft niet voldaan aan een of meer verplichtingen jegens Qeld onder deze Overeenkomst, nadat de klant schriftelijk in gebreke is gesteld en een redelijke termijn heeft gekregen tot nakoming van de verplichting(en), tenzij nakoming redelijkerwijs niet meer mogelijk is;”

2.5.

Op 26 juli 2023 heeft Qeld terugbetaling van het onder de overeenkomst verschuldigde bedrag geëist van [gedaagde 1].

2.6.

De vorderingen op grond van de overeenkomst zijn op 20 juni 2024 door Qeld gecedeerd aan AMP. AMP heeft het incassokantoor Mariënbergh Incasso Services B.V. (hierna: het incassokantoor) opdracht gegeven de vorderingen te incasseren.

2.7.

Op 7 april 2025 heeft het incassokantoor [gedaagde 2] als borg aangesproken tot betaling van het onder de overeenkomst verschuldigde bedrag.

2.8.

Op 29 oktober 2025 heeft het incassokantoor [gedaagde 1] een email gestuurd met daarin onder meer de volgende tekst:

“Door u wordt uiterlijk 14 november 2025 een bedrag ad € 35.000,00 aan ons overgeboekt. Dit zal in het dossier een betaling tegen finale kwijting over en weer zijn. […]

Ontvangen wij de betaling niet of niet tijdig dan komt de acceptatie van het voorstel te vervallen en wordt de gehele schuld wederom opeisbaar. In dat geval worden de rechtsmaatregelen tegen u ook per direct in gang gezet. […] “

2.9.

Op 2 december 2025 heeft het incassokantoor [gedaagde 2] een e-mail gestuurd met daarin onder meer de volgende tekst:

“Hierbij bevestigen wij de betaalafspraak die wij in het bovengenoemde dossier samen hebben gemaakt. U betaalt vandaag een bedrag van € 1.000,00.”

2.10.

Op 4 december 2025 heeft het incassokantoor [gedaagde 1] een email gestuurd met daarin onder meer de volgende tekst:

“In dit dossier hebben wij uw betaling van € 1.000,00 ontvangen.

Cliente heeft ons laten weten dat de acceptatie van uw aanbod per direct is ingetrokken waardoor de hele schuld weer opeisbaar is geworden.”

3 Het geschil

3.1.

AMP vordert - samengevat – de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 38.374,02 vermeerderd met rente en kosten. Volgens AMP kan dit bedrag worden opgeëist, omdat [gedaagde 1] niet heeft voldaan aan de verplichting van de overeenkomst tot terugbetaling van de gespecificeerde maandelijkse bedragen. [gedaagde 2] wordt aangesproken, omdat hij zich borg heeft gesteld en daarmee volgens AMP hoofdelijk aansprakelijk is geworden voor de terugbetaling van de hoofdsom, maandelijkse tarieven en overige kosten.

3.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van AMP, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van AMP.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

De borgtocht

4.1.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] doen een beroep op artikel 7:858 van het BW en voeren aan dat geen maximumbedrag in de leningsovereenkomst is opgenomen. Daarom is de borgtocht van [gedaagde 2] volgens hen niet geldig en kan [gedaagde 2] niet hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de nakoming van de overeenkomst. Hiernaast voeren zij aan dat van [gedaagde 2] als borg geen betaling kan worden gevorderd, omdat hij niet in gebreke is gesteld en daarmee niet in verzuim is geraakt.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op artikel 7:858 van het BW niet slaagt en de borgtocht van [gedaagde 2] geldig is. In de overeenkomst is opgenomen dat het een zakelijk krediet betreft. Bovendien heeft [gedaagde 2] op zitting toegelicht dat hij de borgtocht is aangegaan, terwijl hij handelde in de uitoefening van zijn bedrijf. Hij heeft verklaard dat hij het krediet heeft gebruikt voor zakelijke doeleinden, namelijk de aankoop van machines. Al daarom is naar het oordeel van de rechtbank artikel 7:858 niet van toepassing. Dit artikel is namelijk alleen van toepassing op borgtochten die zijn aangegaan door een natuurlijk persoon die niet handelde in de uitoefening van zijn beroep op bedrijf. Overigens is in de kredietovereenkomst die [gedaagde 2] zelf heeft ondertekend het kredietbedrag van € 39.882,37 expliciet opgenomen en slaagt dit betoog ook daarom niet. Hiernaast volgt uit de door AMP overgelegde producties dat het incassokantoor [gedaagde 2] op 7 april 2025 als borg heeft aangesproken tot betaling. Daarmee is [gedaagde 2] als borg in gebreke gesteld en is hij vervolgens in verzuim geraakt. De rechtbank concludeert daarom dat [gedaagde 2] als borg hoofdelijk kan worden aangesproken tot terugbetaling van het verschuldigde onder de overeenkomst.

De gevorderde hoofdsom

4.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten de juistheid van de hoogte van de hoofdsom. Zij voeren aan dat de berekening die AMP daaraan ten grondslag legt onduidelijk is, terwijl op haar de bewijslast van de vordering ligt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen een bedrag van € 31.947,51 al te hebben terugbetaald en dat AMP daar ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. Zij hebben een productie overgelegd met een opsomming van bedragen die volgens hen zijn terugbetaald, maar niet zijn meegenomen in de berekeningen. Hiernaast voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan dat AMP, gelet op een eerder getroffen regeling, niet de volledige hoofdsom kan opeisen. Zij verwijzen naar een e-mail van het incassokantoor van 2 december 2025 (zie onder 2.9.), waaruit volgt dat een regeling is overeengekomen. Ten slotte kan volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen wettelijke handelsrente worden toegewezen over de hoofdsom, omdat daar al contractuele vertragingsrente in is opgenomen. Ook dient de gevorderde contractuele vertragingsrente volgens hen te worden gematigd. De totale renteclaim loopt volgens hen anders buitensporig op in verhouding tot de schade voor AMP.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft AMP de volledige resterende hoofdsom van € 38.374,02 kunnen vorderen. Vaststaat dat [gedaagde 1] een bedrag van € 39.882,37 aan krediet heeft ontvangen. AMP heeft overzichten overgelegd waaruit volgt welke terugbetalingen met de gecedeerde vordering van Qeld zijn verrekend en welke rente opeisbaar is geworden. Ook heeft AMP een overzicht overgelegd van betalingen die aan eerdere incassokantoren zijn verricht en die zijn meegenomen in haar berekeningen. Omdat AMP betwist dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] meer hebben betaald dan in de overzichten van AMP is opgenomen, ligt het op de weg van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om te bewijzen dat en tot welk deel zij de overeenkomst zijn nagekomen en bevrijdend hebben betaald. Zij hebben een lijstje overgelegd met betalingen die zouden zijn verricht. Daarvan zijn echter geen betaalbewijzen overgelegd, terwijl [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verklaard wel over betaalbewijzen te beschikken. Zij zouden deze namelijk aan het incassokantoor hebben toegestuurd. Zonder de betaalbewijzen te overleggen, kan de rechtbank niet vaststellen dat (een deel van) de gevorderde hoofdsom al bevrijdend is betaald.

4.5.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren aan dat de afspraak is gemaakt dat zij een bedrag van € 35.000,00 zouden betalen waarna de vordering in januari 2026 voor het resterende gedeelte zou worden kwijtgescholden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de e-mail van 2 december 2025 inderdaad dat er een betaalafspraak is gemaakt, maar niet welke afspraak dat was. AMP voert terecht aan dat uit de e-mail van 29 oktober 2025 wel volgt dat de afspraak over betaling van € 35.000,00 toen al is gemaakt (zie onder 2.8) en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet hebben onderbouwd dat de e-mail van 2 december 2025 op een andere afspraak ziet. Omdat volgens de afspraak van 29 oktober 2025 uiterlijk op 14 november 2025 betaald had moeten worden en dat uitbleef, kon AMP daarna opnieuw de volledige resterende hoofdsom opeisen. Dat is gebeurd met de e-mail van 4 december 2025 (zie onder 2.10.).

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een onaanvaardbare cumulatie van rentes. Wettelijke rente is verschuldigd over verschenen contractuele rente, en wel vanaf het moment dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in verzuim zijn geraakt.1 De vordering van AMP komt daarmee overeen. AMP heeft toegelicht dat de contractuele vertragingsrente in rekening is gebracht tot aan de dag van de volledige opeisbaarheid van het krediet en dat voor de periode daarna de wettelijke handelsrente wordt gevorderd over de volledige hoofdsom. De rechtbank zal de contractueel overeengekomen rente ook niet matigen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet onderbouwd gesteld dat deze kosten in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leiden. Ook is niet gebleken van een wanverhouding tussen de hoogte van het gevorderde bedrag en de schade voor AMP doordat [gedaagde 1] de betalingsverplichting niet is nagekomen.

Het exoneratiebeding

4.7.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] wijzen op het beding in de overeenkomst waarin is opgenomen dat de borg afstand doet van alle rechten en verweermiddelen die hem bij wet zijn toegekend (zie onder 2.3.). Dit beding is volgens hen nietig.

4.8.

De rechtbank ziet in deze zaak niet dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] belang hebben bij de toetsing van de inhoud van het beding. AMP heeft namelijk geen beroep gedaan op het beding en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ook niet aangevoerd waarom het toch van belang is dit beding inhoudelijk te toetsen. De rechtbank zal daar daarom niet toe overgaan.

Conclusie

4.9.

Gelet op al het voorstaande zal de rechtbank [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarom hoofdelijk veroordelen tot de betaling van € 38.374,02, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 4 december 2025 tot de dag van volledige betaling.

De buitengerechtelijke incassokosten

4.10.

AMP vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren aan dat kosten ter instructie van de zaak niet als buitengerechtelijke incassokosten kunnen worden gevorderd.

4.11.

De vordering van AMP om buitengerechtelijke incassokosten vergoed te krijgen, moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). AMP heeft, anders dan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aanvoeren, alleen de kosten voor buitengerechtelijke werkzaamheden gevorderd die niet kunnen worden gezien als voorbereiding van gedingstukken of ter instructie van de procedure. Het gaat om onder meer het opvragen en verzamelen van informatie, het voeren van telefoongesprekken, het voeren van correspondentie en het schrijven van schriftelijke sommaties. De schriftelijke correspondentie en sommaties maken ook onderdeel uit van het dossier. Hiermee heeft AMP voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal daarom de gevraagde vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden toewijzen. De rechtbank zal ook de gevorderde btw toewijzen, omdat niet is weersproken dat AMP niet-btw plichtig is. Daarom zal een in totaal het bedrag van € 1.402,08 inclusief btw worden toegewezen.

De proceskosten

4.12.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten AMP worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

157,49

- griffierecht

€

3.083,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

3.429,49

4.13.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan AMP te betalen een bedrag van € 38.374,02, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 4 december 2025, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan AMP te betalen een bedrag van € 1.402,08 aan buitengerechtelijke incassokosten,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.429,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Klinkhamer en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »