ECLI:NL:RBAMS:2026:9907

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12051174 \ CV EXPL 26-507
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De kantonrechter oordeelt dat twee zolderkamers van een appartement op de [adres] in [plaats] behoren tot het gehuurde. De zolderkamers staan niet genoemd in de huurovereenkomst, maar gelet op de gedragingen van de verhuurder vlak na sluiten van de huurovereenkomst en het feit dat de huurder de zolderkamers al 35 jaar gebruikt zonder dat de verhuurder hiervan eerder een punt heeft gemaakt, maakt dat de zolderkamers onderdeel zijn van het gehuurde. De huurder hoeft de zolderkamers niet te ontruimen. De huurprijsvermindering vanwege een gebrek in de zolderkamers blijft in stand. Beëindiging van de huurovereenkomst voor zover deze ziet op de zolderkamers vanwege dringend eigen gebruik door de dochter van de verhuurder wordt afgewezen omdat de opzegging plaatsvond binnen de wachttijd van drie jaar en omdat van dringend eigen gebruik geen sprake is. De verhuurder moet de proceskosten betalen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

fno: 71140

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12051174 \ CV EXPL 26-507

Vonnis van 8 oktober 2026

in de zaak van

[eisende partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] , ook te noemen: verhuurder,

gemachtigde: mr. H. Loonstein,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 2] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , ook samen te noemen: huurders,

gemachtigde: mr. F.A. Bijlenga.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10 van 11 december 2025;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 15 van 17 maart 2026;

- het tussenvonnis van 31 maart 2026 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald;

- de aanvullende productie 11 van 26 augustus 2026 van [eisende partij] ;

1.2.

Op 8 september 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Op de mondelinge behandeling zijn verschenen [gedaagde 1] , bijgestaan door haar gemachtigde mr. F.A. Bijlenga, en [eisende partij] , bijgestaan door zijn gemachtigde mr. H. Loonstein, en vergezeld door mevrouw [naam dochter] , zijn dochter. De gemachtigde van [eisende partij] heeft pleitaantekeningen overgelegd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 10 juni 1991 heeft [gedaagde 1] een huurovereenkomst gesloten. In de huurovereenkomst staat onder meer het volgende opgenomen: “Op 10 juni 1991 verklaart ondergetekende [bedrijf] BV , vertegenwoordigd door haar directeur de heer [naam directeur] , makelaar in onroerende goederen, als lasthebber van de eigenaar gevestigd [adres 1] hierna te noemen verhuurder, te hebben verhuurd aan medeondergetekende Mejuffrouw [gedaagde 1] wonende/gevestigd [adres 2] hierna te noemen huurder, die verklaart te hebben gehuurd: De derde verdieping van het perceel [adres 3] [postcode] [plaats] en wel op de volgende condities:

(…)

Artikel 5 (1) Huurder verklaart met het gehuurde voldoende bekend te zijn en daarvan geen nadere omschrijving te verlangen.

(…)”

2.2.

Op 10 juni 1991 was de heer [naam vader] , de vader van [eisende partij] , eigenaar van het perceel aan de [adres 3] te [plaats] (hierna: het perceel) en verhuurder van [gedaagde 1] . De heer [naam vader] overleed in 2019. Het eigendom van het perceel is toen onder algemene titel overgegaan op de moeder van [eisende partij] en vervolgens op [eisende partij] . [eisende partij] is sindsdien eigenaar van het perceel en verhuurder. [naam directeur] was lasthebber van de heer [naam vader] én beheerder van het perceel. Sinds de eigendomsovergang is [naam directeur] alleen nog de beheerder van het perceel.

2.3.

Sinds 2 juni 2003 is [gedaagde 2] geregistreerd partner van [gedaagde 1] .

2.4.

Op 23 oktober 2023 stuurt [naam directeur] een brief aan [gedaagde 1] waarin zij [gedaagde 1] er op wijst dat zij de zolderberging niet als woonruimte mag gebruiken en dat [gedaagde 1] de zolderberging weer als berging in gebruik dient te nemen.

2.5.

Op 27 december 2023 vindt een gesprek plaats tussen [eisende partij] en [gedaagde 1] . Op 7 januari 2024 mailt [gedaagde 1] aan [eisende partij] onder meer het volgende: “(…)Wat we overeen zijn gekomen in ons gesprek is dat jij als nieuwe eigenaar een lijst wil van al het achterstallig onderhoud. Hierbij de lijst in de bijlage. (…) Wat betreft jouw wensen om de zolderkamers in te leveren. Dat is niet onze behoefte. Op dat voorstel komen we later deze maand terug. Misschien ook nog wel met vragen. (…)”

2.6.

Op 29 mei 2024 stuurt de gemachtigde van [eisende partij] een brief aan [gedaagde 1] waarin onder meer het volgende staat opgenomen: “(…) U gebruikt de vierde verdieping (de zolderverdieping) van de [adres 3] feitelijk. Die verdieping is door cliënt aan u niet verhuurd, zodat u daar niet gebruik van mag maken. Voorts gebruikt u de zolderruimte niet als bergruimte, maar als leef-/woonruimte. Er staat een bed en er is een airco geplaatst. Dat is niet toegestaan. Door deze wordt u verzocht, zo nodig gesommeerd, om binnen vier weken na heden, de zolderverdieping van de [adres 3] te ontruimen en ontruimd te houden en in oorspronkelijke staat te (doen laten) herstellen en zulks ook schriftelijk te bevestigen. Bij gebreke van die bevestiging heeft cliënt mij verzocht een (ontruimings)procedure te starten ten aanzien van de zolderverdieping. (…)”

2.7.

Op 14 maart 2025 dient [gedaagde 1] op grond van onderhoudsgebreken een verzoek tot huurverlaging in bij de huurcommissie.

2.8.

Op 27 februari 2025 laat de gemeente Amsterdam een inspectie uitvoeren door een bouwkundig toezichthouder Woonkwaliteit. In het rapport van bevindingen staat onder meer het volgende: “In de geïnspecteerde woningen zijn gebreken aangetroffen die in strijd zijn met artikelen uit het Besluit bouwwerken en leefomgeving. (…)” In het rapport van bevindingen staat het volgende opgenomen over de zolder: “(…) B) Zolder 3. Het plafond op de zolder lekt. De uitwendige scheidingsconstructie is niet waterdicht. De lekkage moet worden verholpen en de gevolgschade moet worden hersteld (…)”. In het rapport staan ook foto’s opgenomen.

2.9.

Op 10 juni 2025 stuurt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam een brief aan [eisende partij] waarin wordt medegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom die bij besluit van 10 december 2024 is opgelegd. Daarin staat onder meer: “(…) Verder heeft de toezichthouder geconstateerd dat (…) het plafond op de zolder nog lekt (…). Dit is vastgelegd en uitgebreid toegelicht (met foto’s) in het rapport van bevindingen d.d. 31 maart 2025. U hebt niet volledig aan de last voldaan.(…)

2.10.

Op 16 oktober 2025 doet de huurcommissie uitspraak. De kern van de beslissing is dat de huurprijs van € 973,37 per maand per 1 oktober 2024 wordt verlaagd tot € 584,02 per maand, totdat het gebrek is verholpen. De huurcommissie is van oordeel dat sprake is van een gebrek op de zolder, namelijk het kapotte plafond, waardoor de draagconstructie van het plafond zichtbaar is geworden, dat aan te merken is als gebrek in de categorie C (nummer L1) en dat een tijdelijke verlaging van de huurprijs rechtvaardigt. De huurcommissie overweegt dat zij bij een gebrek in de categorie C de huurprijs tijdelijk kan verlagen tot maximaal 40% van de geldende huurprijs. Weliswaar is alleen het kapotte plafond op de zolder aan te merken als gebrek en de overige klachten niet, maar gelet op de situatie ter plaatse en het feit dat het gebrek al lange tijd bestaat, ziet de huurcommissie aanleiding om over te gaan tot een tijdelijke verlaging tot 60% van de geldende huurprijs.

2.11.

Op 14 november 2025 stuurt [naam directeur] een brief aan [gedaagde 1] waarin zij meldt dat het in de uitspraak vermelde gebrek in de maand oktober 2025 is hersteld. [naam directeur] verzoekt [gedaagde 1] met ingang van 1 november 2025 weer de volledige huurprijs van € 975,62 te betalen. [naam directeur] en [gedaagde 1] hebben deze brief ondertekend.

2.12.

[naam directeur] schrijft in een brief van 10 december 2025 aan [gedaagde 1] dat [eisende partij] van opvatting is dat de zolderkamers niet tot het gehuurde behoren, en dat voor het geval de kamers wel bij het gehuurde horen, [eisende partij] de huurovereenkomst voor zover die ook betrekking heeft op de zolderkamers per 1 juli 2026 opzegt vanwege dringend eigen gebruik (7:274 lid 1 onder c BW). [naam directeur] verleent [gedaagde 1] een termijn van zes weken om te laten weten of [gedaagde 1] toestemt met de beëindiging van de huurovereenkomst voor zover die ook betrekking heeft op de zolderkamers.

2.13.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de zolderkamers niet ontruimd en hebben niet ingestemd met beëindiging van de huurovereenkomst voorzover die ziet op de zolderkamers.

3. Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert primair een verklaring voor recht dat de zolderkamers op de vierde verdieping van de [adres 3] te [plaats] (hierna: de zolderkamers) niet tot het gehuurde behoren, ontruiming van de zolderkamers op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, te bepalen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen aanspraak hebben op huurprijsvermindering en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over alle maanden de overeengekomen huurprijs verschuldigd zijn, hoofdelijke veroordeling tot betaling van achterstallige huurpenningen vermeerderd met de wettelijke rente, een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van de dien ten gevolge geleden schade, op te maken bij staat.

[eisende partij] vordert subsidiair te bepalen dat de huurovereenkomst voor zover die betrekking heeft op (de twee zolderkamers op) de vierde verdieping per 1 juli 2026 komt te eindigen, ontruiming van de zolderkamers per 1 juli 2026 op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, te bepalen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen aanspraak hebben op huurprijsvermindering en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over alle maanden de overeengekomen huurprijs verschuldigd zijn, hoofdelijke veroordeling tot betaling van achterstallige huurpenningen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Zowel primair als subsidiair vordert [eisende partij] veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten.

3.2.

[eisende partij] legt aan de primaire vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] maken zonder recht of titel gebruik van de zolderkamers en maken hiermee een inbreuk op het eigendomsrecht van [eisende partij] . De huurovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is aangegaan voor het adres [adres 3] [toevoeging 1] te [plaats] , te weten het appartement op de derde verdieping. De zolderkamers staan niet genoemd in de huurovereenkomst en er is geen andere wilsovereenstemming over de verhuur of de toewijzing van de zolderkamers aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . De zolderkamers waar het gebrek zich bevond, maken geen deel uit van het gehuurde, zodat de huurprijsvermindering door de huurcommissie ten onrechte is uitgesproken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten daarom de volledige huurtermijnen betalen aan [eisende partij] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onrechtmatig gehandeld jegens [eisende partij] door de zolderkamers zonder recht of titel te gebruiken. Zij zijn daarom aansprakelijk voor de schade die [eisende partij] dientengevolge heeft geleden en dienen de schade, nader op te maken bij staat, te vergoeden.

3.3.

[eisende partij] legt aan de subsidiaire vordering het volgende ten grondslag. Voor zover de kantonrechter van oordeel is dat de zolderkamers onderdeel uitmaken van het gehuurde, heeft [eisende partij] de huurovereenkomst met betrekking tot de zolderkamers per 1 juli 2026 opgezegd vanwege dringend eigen gebruik van de zolderkamers. [eisende partij] heeft op 10 december 2025 een aangetekende opzegbrief verstuurd aan [gedaagde 1] . Aan de subsidiaire vordering betreffende de huurprijsvermindering legt [eisende partij] ten grondslag dat de huurcommissie ten onrechte heeft beslist dat de woonruimte een CL1-gebrek heeft, omdat het gebrek niet tot de woonruimte behoort, maar tot de berging die buiten de woonruimte is gelegen.

3.4.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten de vorderingen en voeren het volgende aan. De zolderruimte hoort bij het gehuurde. [gedaagde 1] heeft na het sluiten van de huurovereenkomst van de beheerder de sleutels gekregen van zowel het appartement op de derde verdieping als van de zolderkamers. Zij is met de beheerder eerst door het appartement gelopen en vervolgens naar de zolderkamers. De zolderkamers behoorden ook tot het gehuurde van de vorige huurster, waarmee [gedaagde 1] een woningruil is aangegaan. De elektra van de zolderkamers staat in verbinding met de moederhaard op de derde verdieping. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben contact gehad met [naam directeur] over het onderhoud in de zolderkamers als onderdeel van het gehuurde en hierover zelfs een procedure gevoerd bij de huurcommissie. [naam directeur] heeft verzocht de zolderkamers als berging te gebruiken. In de periode voordat [eisende partij] zijn renovatieplannen voor de zolder heeft gekregen, heeft [eisende partij] , [naam directeur] of een vorige verhuurder nooit eerder gemeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen recht hadden op het gebruik van de zolderkamers. Sterker nog, de heer [naam] van [naam directeur] heeft tijdens de zitting van de huurcommissie verteld dat het aannemelijk was dat de zolder bij het gehuurde hoorde. Gezien deze omstandigheden is er geen grond voor ontruiming en ook geen sprake van onrechtmatig handelen. Bovendien heeft [eisende partij] de schade onvoldoende concreet gemaakt.

3.5.

Ten aanzien van de subsidiaire vorderingen betwisten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij de opzeggingsbrief van 10 december 2025 hebben ontvangen. Deze is niet aangetekend verzonden, en is pas als productie bij de dagvaarding voor het eerst gezien. Bovendien is geen sprake van dringend eigen gebruik van het gehuurde, althans [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zien in de wens tot het renoveren van de zolder om de dochter van [eisende partij] daar te huisvesten geen concrete reden waarom dit appartement dringend gebruikt moet worden, te meer omdat het appartement op de [adres 3] op de eerste verdieping recentelijk te huur heeft gestaan. Bovendien moet een belangenafweging op grond van billijkheid in het voordeel van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitvallen. De huurcommissie heeft de huurprijsvermindering terecht uitgesproken. Het gebrek is wel een C-gebrek, en dat het gebrek zich niet voordeed in de woonruimte doet hier niet aan af. [eisende partij] heeft het gebrek verder niet ontkracht.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De zolderkamers maken onderdeel uit van het gehuurde

4.1.

Voor het vaststellen van de omvang van het gehuurde moet worden onderzocht wat partijen voor ogen hebben gehad ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde. De wijze waarop dit gebruik is omschreven in de huurovereenkomst is niet zonder meer beslissend; het komt aan op de zin die verhuurder en huurder in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2009 ECLI:NL:HR:2009:BH7356). Ook kan voor de uitleg van een overeenkomst de gedragingen van partijen na het sluiten van die overeenkomst van belang zijn (zie arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572). De kantonrechter betrekt bij haar oordeel de volgende relevante omstandigheden.

4.2.

Aan [eisende partij] kan worden toegegeven dat in de omschrijving van het gehuurde in de huurovereenkomst niets staat over de verhuur van zolderkamers of de vierde verdieping. [eisende partij] heeft als aanvullende productie een huurovereenkomst van de buurvrouw van [adres 3] [toevoeging 2] overgelegd waarin de zolderkamers wel expliciet als onderdeel van het gehuurde omschreven staan. Die huurovereenkomst is echter met een andere huurder en bovendien in 1997 tot stand gekomen en dus jaren na de huurovereenkomst die in deze zaak voorligt. De betekenis van hoe het gehuurde is omschreven in de huurovereenkomst is bovendien niet doorslaggevend.

4.3.

De kantonrechter betrekt ook de gedragingen van verhuurder en huurder (direct) na het sluiten van de huurovereenkomst. Ter zitting vertelde [gedaagde 1] uitvoerig en concreet hoe de sleuteloverdracht plaatsgevonden heeft, en dat direct na het sluiten van de huurovereenkomst toegang tot zowel het appartement op de derde verdieping, als de zolderkamers op de vierde verdieping werd verleend door de overdracht van de sleutels daarvan. [eisende partij] heeft hierop gereageerd met de stelling dat er geen proces-verbaal is opgemaakt van de sleuteloverdracht. De kantonrechter is van oordeel dat [eisende partij] daarmee onvoldoende betwist heeft dat de overdracht feitelijk zo gegaan is als door [gedaagde 1] ter zitting is verteld. [gedaagde 1] heeft na het sluiten van de overeenkomst de sleutels van de zolderkamers overhandigd gekregen en heeft vanaf dat moment de exclusieve beschikking gehad over de zolderkamers, inmiddels dus al ruim 35 jaar.

4.4.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat al bij aanvang van de huur, en nog steeds, de verwarming en de elektra van de zolderkamers verbonden is met het appartement op de derde verdieping. [eisende partij] betwist dit, zonder dit nader te onderbouwen. Deze betwisting is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd.

4.5.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen ook dat in de huurovereenkomst met de vorige huurster de zolderkamers onderdeel van het gehuurde waren. [eisende partij] voert aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hier geen rechten aan kunnen ontlenen, maar laat onbetwist dat dit feitelijk zo was.

4.6.

Voor de bepaling van de omvang van het gehuurde gaat het om hetgeen partijen indertijd hebben afgesproken en van elkaar mochten begrijpen. Nergens blijkt uit dat de huidige wens van de verhuurder toentertijd ook daadwerkelijk gedeeld is met [gedaagde 1] , of dat de zolderkamers uitgesloten zijn van het gehuurde. [gedaagde 1] , en later ook [gedaagde 2] , hebben de zolderkamers 35 jaar onafgebroken gebruikt, zonder dat de verhuurder te kennen heeft gegeven dat dit niet de bedoeling was of dat de verhuurder op ieder moment het gebruik van de zolder door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kon beëindigen. Er is pas de laatste jaren veel correspondentie geweest over de zolderkamers, in het kader van de lekkage en de procedure bij de huurcommissie. De verhuurder heeft niet eerder laten weten dat het gebruik van de zolderkamers door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in overeenstemming met de huurovereenkomst zou zijn. Bovendien heeft [naam directeur] in haar brief van 23 oktober 2023 aan [gedaagde 1] verzocht de zolderkamers als berging te gebruiken, in plaats van als woonruimte en heeft verhuurder bij de huurcommissie niet betwist dat de zolderkamers bij het gehuurde hoorden.

4.7.

Alles overwegende komt de kantonrechter tot de conclusie dat, gezien voornoemde omstandigheden en hetgeen partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, partijen voor ogen hebben gehad de zolderkamers onderdeel te laten uitmaken van het gehuurde. De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook geldt ten aanzien van de zolderkamers.

De verklaring voor recht, ontruiming en schadevergoeding worden daarom afgewezen

4.8.

De verklaring voor recht dat de zolderkamers niet tot het gehuurde behoren wordt afgewezen. De daarop gebaseerde vordering tot ontruiming van de zolderkamers wordt afgewezen. De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Zij maken immers met een geldige titel, namelijk de huurovereenkomst, gebruik maken van de zolderkamers.

De huurprijsvermindering blijft in stand

4.9.

De primaire vorderingen van [eisende partij] om te bepalen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen recht hebben op huurprijsvermindering en hen te veroordelen tot betaling van een huurachterstand, wordt afgewezen, nu de stelling die [eisende partij] daaraan ten grondslag legt, dat de zolderkamers waar het gebrek zich voordeed geen onderdeel van het gehuurde zou zijn, zoals hiervoor overwogen, geen stand houdt. Van een huurachterstand op deze grond is dus geen sprake.

4.10.

[eisende partij] vordert ook subsidiair te bepalen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen recht hebben op huurprijsvermindering en hen te veroordelen tot betaling van een huurachterstand, maar ook deze vordering wordt afgewezen. [eisende partij] legt aan de subsidiaire vordering ten grondslag dat het gebrek geen C gebrek zou zijn, omdat het een gebrek in de berging betreft en niet in de woonruimte. De kantonrechter oordeelt als volgt.

4.11.

Vast staat dat in de zolderkamers een gebrek is geweest. De inspectie van de gemeente Amsterdam en de huurcommissie hebben dit geconstateerd. In het rapport van bevindingen van de gemeente staan foto’s van een ernstige lekkage op de zolder. Te zien is dat door de lekkage de afwerking van het plafond is gaan scheuren en naar beneden is gevallen. [eisende partij] heeft het bestaan van een gebrek niet betwist. De kantonrechter volgt de gebrekenregeling van de huurcommissie en stelt vast dat het een gebrek is in de categorie CI1: “De schuur, berging of garage is niet meer bruikbaar voor het doel waarvoor hij bestemd is door de technische staat waarin deze zich bevindt.” Dit gebrek is een gebrek in de categorie C waarvoor een huurprijsverlaging tot maximaal 40% van de geldende huurprijs gerechtvaardigd is (ofwel de huurprijs mag met maximaal 60% verlaagd worden).

4.12.

De kantonrechter komt tot hetzelfde oordeel als de huurcommissie en acht, gelet op de ernst van het gebrek en de omstandigheid dat de verhuurder langere tijd niet is overgegaan tot het verhelpen van dit gebrek, een tijdelijke verlaging tot 60% van de geldende huurprijs gerechtvaardigd. De subsidiaire vorderingen van [eisende partij] met betrekking tot de huurprijsvermindering en de huurachterstand worden daarom afgewezen.

Beëindiging huurovereenkomst: de opzegbrief is ontvangen

4.13.

[eisende partij] verzoekt de kantonrechter om vast te stellen dat de huurovereenkomst met betrekking tot de zolderkamers eindigt per 1 juli 2026 op grond van artikel 7:272 BW jo. 7:274 lid 3 sub c BW vanwege dringend eigen gebruik van de zolderkamers door [eisende partij] .

4.14.

[eisende partij] stelt dat hij de opzegbrief op 10 december 2025 aangetekend heeft verstuurd aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten de opzeggingsbrief te hebben ontvangen. Zij hebben ter zitting verteld dat zij de opzeggingsbrief pas als productie bij de dagvaarding hebben ontvangen.

4.15.

Hoewel [eisende partij] niet heeft kunnen aantonen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de opzeggingsbrief na verzending ervan hebben ontvangen, staat vast dat zij de opzeggingsbrief bij de dagvaarding, die betekend is op 11 december 2025, hebben ontvangen.

Beëindiging huurovereenkomst: Opzegging binnen de wachttijd

4.16.

Op grond van artikel 7:274 lid 1 sub c BW kan de rechter deze vordering slechts toewijzen indien [eisende partij] aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, vervreemding van de gehuurde woonruimte niet daaronder begrepen, dat van hem, de belangen van beide partijen en van onderhuurders naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en tevens blijkt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] andere passende woonruimte kunnen verkrijgen. Een vordering, gegrond op eigen gebruik in de zin van lid 1 onder c is niet toewijsbaar indien de verhuurder de rechtsopvolger van de vorige verhuurder is en de opzegging is geschied binnen drie jaar nadat de rechtsopvolging schriftelijk ter kennis van de huurders is gebracht artikel 7:274 lid 5 BW). Dit geldt ook voor rechtsopvolgers onder algemene titel.

4.17.

[eisende partij] is onder algemene titel de rechtsopvolger van de vorige verhuurder, en daarom kan hij pas een beroep doen op dringend eigen gebruik als de opzegging niet eerder is gedaan dan drie jaar nadat de rechtsopvolging (schriftelijk) ter kennis van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is gebracht. Hoewel uit de wettekst van artikel 7:274 lid 5 BW volgt dat het ‘ter kennis brengen’ schriftelijk moet gebeuren, is de eis van schriftelijke kennisgeving in de rechtspraak gerelativeerd. Het gaat erom dat de huurders niet voor ‘onaangename verrassingen’ worden geplaatst en daarvoor is ook kennisgeving langs een andere weg voldoende.

4.18.

Ter zitting kon [eisende partij] niet vertellen wanneer hij rechtsopvolger is geworden. Ook uit de stukken blijkt niet wanneer hij dit (schriftelijk) aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft medegedeeld. In het verslag van het gesprek van 27 december 2023 schrijft [gedaagde 1] dat zij toen met [eisende partij] heeft gesproken als nieuwe eigenaar. De kantonrechter stelt daarom vast dat zij toen, op 27 december 2023, kennelijk (voor het eerst) op de hoogte was gebracht van de rechtsopvolging door [eisende partij] . Een eerdere kennisgeving is niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat [eisende partij] de huurovereenkomst, voor een beroep op dringend eigen gebruik, niet eerder dan op 27 december 2026 kan opzeggen. [eisende partij] heeft de huurovereenkomst op 11 december 2025 opgezegd. Gelet op het voorgaande heeft [eisende partij] de huur opgezegd binnen drie jaar nadat hij de rechtsopvolging ter kennis van de [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft gebracht zodat een beroep op dringend eigen gebruik (nog) niet mogelijk is. De vordering tot beëindiging van de huur van de zolderkamers moet reeds daarom worden afgewezen. Maar de kantonrechter ziet ook geen grond voor dringend eigen gebruik en licht dat als volgt toe.

Beëindiging huurovereenkomst: geen dringend eigen gebruik

4.19.

[eisende partij] heeft aangevoerd dat hij de zolderkamers nodig heeft voor dringend eigen gebruik omdat hij de zolderkamers wil gaan verbouwen om zo een woonruimte voor zijn dochter te realiseren. Zij heeft besloten op zichtzelf in [plaats] te willen gaan wonen omdat zij nu bij haar moeder en stiefvader woont. Het is lastig om een passende woonruimte te vinden in de stad. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat het gebruik door de dochter als een eigen gebruik in de zin van artikel 7:274 lid 1 onder c BW door [eisende partij] kan worden beschouwd. Bovendien heeft [eisende partij] volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet concreet onderbouwd waarom de dochter dringend op specifiek dit adres moet wonen.

4.20.

De kantonrechter is van oordeel dat gebruik door een ander dan de verhuurder alleen als eigen gebruik in de zin van artikel 7:274 lid 1 sub c BW kan worden beschouwd als de verhuurder door de woonruimte aan die ander in gebruik te geven zijn eigen belang dient (HR 9 december 1983, NJ 1984, 307). Het is daarom niet voldoende dat de verhuurder de woonbelangen van de derde naar zich toe trekt of zich verplicht voelt daarvoor te zorgen. Nu onder meer niet gesteld of gebleken is dat het in het belang van [eisende partij] is om zijn dochter te huisvesten in de zolderkamers, kan het gebruik door de dochter niet worden beschouwd als een eigen belang in de zin van artikel 7:242 lid 1 sub c BW.

4.21.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de door [eisende partij] aangevoerde gronden naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende zijn voor het vereiste dringend eigen gebruik. Dit betekent dat een afweging van de belangen naar billijkheid achterwege kan blijven en dat de vraag of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] andere passende woonruimte kan krijgen geen beantwoording behoeft. De vordering van [eisende partij] wordt dan ook afgewezen.

Proceskosten

4.22.

[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

434,00

(2 punten × € 217,00)

- nakosten

€

108,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

542,50

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eisende partij] af;

5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »