ECLI:NL:RBAMS:2026:9837

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
12147324 \ CV EXPL 26-4106
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Huur van woonruimte met parkeerplaats. Oneerlijke bedingen. Eindvonnis. Zuivering van verstek. Minderjarig kind in de woning. Hoogte van de ontstane huurachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst. Ruimere ontruimingstermijn.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12147324 \ CV EXPL 26-4106

Vonnis van 6 oktober 2026 (bij vervroeging)

in de zaak van:

ALTERA RESIDENTIAL CUSTODIAN B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.C. Blok,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

niet verschenen,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

procederende in persoon,

gedaagden.

Partijen worden hierna individueel aangeduid als Custodian, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . De gedaagden worden hierna tezamen aangeduid als [gedaagden]

1 De procedure

1.1.

Het gehele verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met bijlagen van 13 maart 2026 van Custodian;

- het tussenvonnis van 21 april 2026, waarin tegen [gedaagden] verstek is verleend, de kantonrechter de huurovereenkomst en algemene voorwaarden heeft getoetst op oneerlijke bedingen en Custodian in de gelegenheid is gesteld om zich bij akte uit te laten over het oneerlijke karakter van het opslagbeding voor de gehuurde parkeerplaats;

- de akte met bijlagen van 4 mei 2026 van Custodian;

- de rolmededeling van 9 juni 2026, waarin Custodian in staat is gesteld om kopieën van het tussenvonnis van 21 april 2026 en de akte van 4 mei 2026 alsnog aan [gedaagden] toe te sturen;

- de begeleidende brief met bijlagen van 11 juni 2026 van Custodian;

- de begeleidende e-mail met bijlagen van 16 juni 2026 van [gedaagde 2] ;

- het proces-verbaal van de mondeling genomen conclusie van antwoord van [gedaagde 2] ;

- het tussenvonnis van 21 juli 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

- de specificatie van de actuele huurachterstand van 23 september 2026 van Custodian.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 september 2026. Aan de zijde van Custodian is mr. M.C. Blok als nieuwe gemachtigde verschenen. Aan de zijde van gedaagden is [gedaagde 2] in persoon verschenen. [gedaagde 2] heeft verklaard in deze procedure enkel voor zichzelf op te komen en niet voor [gedaagde 1] . [gedaagde 2] heeft documenten overgelegd van [buurtteam] en van door de gemeente Amsterdam toegekende (bijstands)uitkeringen. Mr. Blok heeft de vorderingen van Custodian tot betaling van de huurachterstand en wettelijke rente over de huurachterstand verminderd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is verklaard en gebeurd. [gedaagde 2] heeft daarbij uitsluitend in het Engels gesproken en waar nodig is hetgeen door Custodian naar voren is gebracht door de kantonrechter in het Engels aan [gedaagde 2] nader uitgelegd.

1.3.

[gedaagde 1] is niet verschenen in de procedure. [gedaagde 2] is wél in de procedure verschenen en heeft daarmee haar verstek gezuiverd. Nu [gedaagde 2] wel in de procedure is verschenen, geldt dit vonnis als een vonnis op tegenspraak in de zin van artikel 140 lid 1 jo. lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Custodian verhuurt met ingang van 14 februari 2024 aan [gedaagden] de woning aan [adres] , samen met de bijbehorende parkeerplaats met het nummer [nummer 1] (hierna tezamen ook wel: de gehuurde objecten). Partijen zijn voor de gehuurde objecten twee afzonderlijke huurovereenkomsten overeengekomen. De aanvangshuurprijs voor de woonruimte bedroeg € 2.030,00 per maand en voor de parkeerplaats € 176,95 per maand. De actuele huurprijzen voor de woonruimte en parkeerplaats bedragen € 2.326,65, respectievelijk € 198,94. De huurprijzen zijn steeds bij vooruitbetaling verschuldigd. Op zowel de huurovereenkomst voor de woonruimte als die voor de parkeerplaats zijn algemene voorwaarden van toepassing.

2.2.

[gedaagden] hadden onderling een affectieve relatie. [gedaagde 1] heeft [gedaagde 2] en de woonruimte op enig moment na het aangaan van de huurovereenkomsten verlaten. [gedaagde 2] verblijft met haar minderjarige dochter in de woning.

2.3.

[gedaagden] zijn er vanaf mei 2024 niet in geslaagd om hun huurbetalingsverplichting uit beide huurovereenkomsten (structureel) na te komen. Custodian heeft [gedaagden] voor het eerst op 1 mei 2024 aangemaand om aan hun betalingsverplichting ten aanzien van de parkeerplaats te voldoen. Custodian heeft [gedaagden] met betrekking tot de huurachterstand van de woning voor het eerst op 10 mei 2024 een aanmaning gestuurd. Dit heeft er niet toe geleid dat [gedaagden] de huurachterstand hebben ingelopen.

2.4.

Custodian heeft [gedaagden] voor het eerst op 10 mei 2024 en daarna weer op 29 mei 2024 schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagden] hebben daarop (telefonisch) afwijzend gereageerd.

2.5.

Tussen partijen zijn vanaf 2025 meerdere betalingsregelingen tot stand gekomen met betrekking tot de ontstane huurachterstand. [gedaagden] zijn er niet in geslaagd de betalingsafspraken (structureel) na te komen, waarna deze regelingen zijn komen te vervallen.

3. Het geschil

3.1.

Custodian vordert – zakelijk en verkort weergegeven – ontbinding van de huurovereenkomsten voor de gehuurde objecten, ontruiming van de woonruimte en betaling door [gedaagden] van de totale huurachterstand, met nevenvorderingen.

3.2.

Custodian legt aan haar vorderingen, kortgezegd, het volgende ten grondslag. [gedaagden] zijn in hun verplichtingen als huurders tekortgeschoten door niet tijdig en niet (volledig) aan hun betalingsverplichtingen te voldoen. De hoogte van de huurachterstand voor de gehuurde objecten rechtvaardigt volgens Custodian de ontbinding van de huurovereenkomsten en de ontruiming van de woning.

3.3.

[gedaagde 2] erkent de huurachterstand, maar verzoekt de kantonrechter om de huurovereenkomsten niet te ontbinden, gelet op haar persoonlijke omstandigheden. Zij is met haar tweejarige dochter aangewezen op verblijf in de woning. Zij komt door haar verblijfsstatus niet voor urgentie in aanmerking en haar ouders wonen in de Verenigde Staten. [gedaagde 2] voert hierbij aan dat haar ex-partner [gedaagde 1] zonder haar medeweten de huur voor de gehuurde objecten niet heeft betaald en heeft verhinderd dat [gedaagde 2] toegang had tot hun brievenbus, waardoor [gedaagde 2] tot de ontvangst van de brief van Custodian van 11 juni 2026 niet op de hoogte was van de dagvaarding en oplopende huurachterstand. [gedaagde 1] heeft de woning en [gedaagde 2] inmiddels verlaten. [gedaagde 2] is op dit moment werkzoekende.

3.4.

[gedaagde 2] heeft contact gezocht met [buurtteam] om haar schuldenproblematiek in kaart te brengen en haar te helpen deze op te lossen. [gedaagde 2] ontvangt op dit moment twee uitkeringen van de gemeente Amsterdam. [gedaagde 2] ontvangt € 1.348,49 op basis van de Participatiewet en € 1.393,72 aan bijzondere bijstand. Daarnaast krijgt [gedaagde 2] (financiële) hulp van haar ouders. [gedaagde 2] kan derhalve momenteel de lopende huur voor de gehuurde objecten betalen. In juli, augustus en september 2026 is door haar de huur betaald. [gedaagde 2] heeft begrepen dat zij de bijzondere bijstand in ieder geval tot en met 10 januari 2027 zal ontvangen, mits zij zich tussentijds inspant om goedkopere vervangende huisvesting te vinden. Daaraan voldoet zij. Zij heeft een vonnis nodig waaruit haar schuld aan Custodian blijkt om deze mee te kunnen nemen in een schuldaflossingsplan.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vroegsignalering

4.1.

In het tussenvonnis van 21 april 2026 heeft de kantonrechter reeds overwogen dat Custodian voldoende had toegelicht waarom zij [gedaagden] destijds niet heeft aangemeld bij de gemeentelijke schuldhulpverlening in het kader van vroegsignalering.

Ambtshalve toetsing

4.2.

De kantonrechter verwijst voorts naar hetzelfde tussenvonnis voor de beoordeling van de oneerlijke bedingen in de huurovereenkomsten voor de gehuurde objecten en de daarop toepasselijke algemene voorwaarden.

4.3.

Samengevat heeft de kantonrechter in dit tussenvonnis geconcludeerd dat Custodian geen aanspraak kan maken op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten voor de aanmaningen tot betaling van de huurachterstanden van de gehuurde objecten. Daarnaast kan Custodian geen aanspraak maken op betaling door [gedaagden] van de wettelijke rente over de betalingsachterstand voor de parkeerplaats. De vorderingen tot betaling daarvan worden afgewezen. Ten slotte is overwogen door de kantonrechter dat beide overeenkomsten voor de gehuurde objecten oneerlijke proceskostenbedingen bevatten, maar dat proceskosten volgens het gebruikelijke liquidatietarief vooralsnog toewijsbaar zijn.

Opslagbeding

4.4.

In het tussenvonnis van 21 april 2026 is overwogen dat de kantonrechter voornemens was de in dat tussenvonnis genoemde artikel 11 van de huurovereenkomst voor de parkeerplaats opgenomen opslagbeding (een opslag van maximaal 5% bovenop de indexatie volgens de consumentenprijsindex (CPI-index)) te vernietigen vanwege zijn oneerlijke karakter.

4.5.

Custodian heeft bij akte het standpunt ingenomen dat zij het opslagbeding niet heeft toegepast en de huurprijs voor de parkeerplaats steeds heeft verhoogd met een percentage dat lager is dan het daarvoor maximaal toegelaten percentage van de CPI-index. Custodian heeft dit standpunt cijfermatig onderbouwd.

4.6.

Uit deze onderbouwing maakt de kantonrecht op dat de door Custodian voor de parkeerplaats doorgevoerde huurverhogingen inderdaad vallen binnen de ruimte die het indexatiebeding – wat niet oneerlijk is bevonden – geeft en geen gebruik heeft gemaakt van het opslagbeding van artikel 11 van de huurovereenkomst voor de parkeerplaats. Om deze reden hoeft in deze procedure geen verder oordeel te worden gegeven over de (on)eerlijkheid en vernietiging van dit opslagbeding.

Tekortkoming

4.7.

Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomsten en ontruiming van de woonruimte overweegt de kantonrechter het volgende. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.1 De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomsten alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomsten te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.2

4.8.

In een procedure tot ontruiming van een woning behoort voorts tot de relevante omstandigheden van het geval of er minderjarige kinderen in de woning wonen. Als dat zo is, dan moeten de belangen van deze kinderen in kaart worden gebracht.3 Bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst voor de woning rechtvaardigt moeten deze belangen als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen.4 Dat betekent niet dat een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in de woning kunnen blijven wonen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.

Huurachterstand

4.9.

[gedaagde 2] heeft ter zitting erkend dat er een huurachterstand is die tot en met maart 2026 berekend is op een totaalbedrag van € 12.516,85 voor de gehuurde objecten. Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand vijf maandbedragen. Daarna is de huurachterstand blijkens de door Custodian overgelegde huurspecificatie opgelopen tot een totaalbedrag van € 22.581,49. Ter zitting heeft mr. Blok namens Custodian verklaard dat een recente betaling door [gedaagde 2] van € 2.326,62 hiervan nog moet worden afgetrokken. Daarmee staat thans een totaalbedrag aan huurachterstand open van € 20.254,87, exclusief de gestelde wettelijke rente daarover.

4.10.

De kantonrechter zal de gevorderde betaling van de totale huurachterstand dan ook toewijzen, en daarbij uitgaan van de ter zitting overgelegde en niet weersproken specificatie per einde september 2026.

Wettelijke rente over de huurachterstand

4.11.

[gedaagden] zijn te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen, doch enkel voor zover de wettelijke rente ziet op de huurachterstand voor de woning. De kantontrechter licht dit toe.

4.11.1.

Ter zitting heeft mr. Blok namens Custodian verklaard dat in de overgelegde huurspecificatie geen rekening is gehouden met het oneerlijke rentebeding in relatie tot de huurovereenkomst voor de parkeerplaats. De door Custodian in de huurspecificatie opgevoerde wettelijke rente is daarom te hoog, nu Custodian geen aanspraak kan maken op de wettelijke rente over de huurachterstanden van de parkeerplaats. Ter zitting heeft mr. Blok, ter besparing van tijdrovende herberekeningen, [gedaagde 2] een aanbod gedaan om de reeds verschuldigde wettelijke rente te verminderen tot een bedrag van € 500,00. [gedaagde 2] heeft hiermee ingestemd. De kantonrechter wijst de vordering van Custodian tot betaling van de wettelijke rente daarom tot dit bedrag toe.

Ontbinding en ontruiming

4.12.

De totale huurachterstand bedraagt daarmee inmiddels acht maandbedragen. De persoonlijke omstandigheden, als weergegeven in rechtsoverweging 3.3 en 3.4., die [gedaagde 2] als verklaring voor het ontstaan van de totale huurachterstand heeft aangevoerd, leggen onvoldoende gewicht in de schaal om niet tot ontbinding van de huurovereenkomsten en ontruiming van de woonruimte over te gaan. Deze huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomsten voor de gehuurde objecten te ontbinden. Daarbij komt dat de huurder ( [gedaagde 1] ) die feitelijk de gehele huur betaalde inmiddels de woning heeft verlaten en de huur voor de achtergebleven huurder ( [gedaagde 2] ) te hoog is, tenzij op korte termijn een baan zou weten te vinden die haar in staat stelt om de huur te betalen. [gedaagde 2] heeft voorts een grotere schuldenlast dan de huurschuld alleen, en het is voor haar niet mogelijk om de huurschuld binnen een maand in een keer af te lossen. De belangen van het kind zijn niet gediend door in een woning te blijven wonen die haar moeder niet kan betalen, wel met een periode voor de moeder om andere woonruimte te vinden.

4.13.

De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomsten zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagden] zullen ertoe worden veroordeeld de woonruimte uiterlijk te hebben ontruimd op 1 februari 2027. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen, gezien de belangen van de minderjarige dochter van [gedaagde 2] die in de woning verblijft en mede gelet op de door [gedaagde 2] gestelde periode waarover zij bijzondere bijstand van de gemeente Amsterdam ontvangt om de lopende huur te kunnen betalen en voorlopig in de woning te kunnen blijven wonen terwijl [gedaagde 2] zoekt naar betaalbare woonruimte. Door een ruimere termijn voor de ontruiming toe te kennen, wordt [gedaagde 2] voldoende tijd gegund om vervangende huisvesting te zoeken voor haar dochter en komt zij met haar dochter niet direct op straat te staan.

4.14.

De kantonrechter merkt voorts het volgende op. [gedaagde 2] heeft ter zitting getoond dat zij zich bewust is van de ernst van haar situatie, aangetoond dat zij voortvarend actie heeft ondernomen om haar schulden in kaart te brengen en naar een oplossing daarvoor te zoeken. Ook heeft zij verklaard dat zij haar volle medewerking zal verlenen aan Custodian en [buurtteam] om haar situatie niet verder te laten ontsporen. Custodian heeft op haar beurt verklaard niet erop uit te zijn om een vertrek van [gedaagde 2] uit de woonruimte te forceren en de veroordelingen in dit vonnis niet (direct) ten uitvoer te zullen leggen op het moment dat [gedaagde 2] de huur blijft betalen en zich blijft inspannen om vervangende woonruimte te vinden. Het staat partijen in dit verband vrij om, buiten de veroordelingen in dit vonnis, aanvullende afspraken met elkaar te maken over de wijze waarop zij aan hun hier genoemde intenties uitvoering zullen geven.

Gebruiksvergoeding

4.15.

Custodian vordert ook dat [gedaagden] worden veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag voor de gehuurde objecten van € 2.422,20, te rekenen vanaf de maand april 2026 tot het moment dat [gedaagden] de woonruimte hebben ontruimd. Vanaf de maand juli 2026 bedraagt dit bedrag, na een huurverhoging, € 2.525,59. Dit bedrag zal vanaf de datum van de ontbinding van de huurovereenkomsten verschuldigd zijn als een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagden] nog het huurgenot van de gehuurde objecten genieten tot aan de dag van de ontruiming. Deze vordering zal worden toegewezen.

Proceskosten

4.16.

[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Onder verwijzing naar wat de kantonrechter in het tussenvonnis van 21 april 2026 over de oneerlijke proceskostenbedingen in de huurovereenkomsten voor de gehuurde objecten heeft geoordeeld, wordt Custodian toch een proceskostenvergoeding toegekend.

4.16.1.

Omdat de vorderingen van Custodian worden toegewezen tot een bedrag dat de € 20.000,00 overstijgt, maakt zij op grond van het gebruikelijke liquidatietarief’ aanspraak op een hoger tarief dan waarvan zij in het ter zitting overgelegde overzicht is uitgegaan met betrekking tot de vergoeding van het salaris van haar gemachtigde.

4.16.2.

De proceskosten van Custodian worden tot op heden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

155,59

- griffierecht

€

1.504,00

- salaris gemachtigde

€

1.442,50

(2,5 punten × € 577,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

3.246,09

Hoofdelijkheid

4.17.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat contractuele medehuurders voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst hoofdelijk aansprakelijk zijn. De veroordeling wordt dan ook, zoals gevorderd, hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen aan Custodian. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan Custodian. Een en ander laat de onderlinge verschuldigdheid tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onverlet.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomsten met betrekking tot de woonruimte aan [adres] en de bijbehorende parkeerplaats met nummer [nummer 1];

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om de woning uiterlijk op 1 februari 2027 te hebben ontruimd met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Custodian zijn, en de sleutels te hebben afgegeven aan Custodian. Deze ontruiming kan zo nodig worden bewerkstelligd door de deurwaarder op de wijze als in artikel 556 lid 1 jo. artikel 557 Rv bepaald;

5.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan Custodian:

- € 20.254,87 aan achterstallige huur tot en met september 2026;

- € 2.525,59 per maand vanaf oktober 2026 tot de ontruiming;

5.4.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Custodian te betalen:

- € 500,00 aan wettelijke rente tot en met september 2026;

- de wettelijke rente over de openstaande maandbedragen met betrekking tot de woning vanaf oktober 2026 tot aan de dag dat de gehele vordering zal zijn voldaan;

5.5.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Custodian tot op heden begroot op € 3.246,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. J.E.F. Chel.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »