RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12057495 \ CV EXPL 26-269
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. S.J. van der Aart,
tegen
WONINGSTICHTING KENNEMER WONEN,
te Heiloo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Kennemer Wonen,
gemachtigde: mr. M.J. Dekker.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 5 januari 2026, met 7 producties;
- conclusie van antwoord van 18 maart 2026, met 4 producties;
- vonnis van 1 april 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van 28 augustus 2026 met productie 8 van [eiser];
- de mondelinge behandeling van 7 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Feiten
[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) huurde de sinds 1 juli 1996 (samen met haar toenmalige partner) de woning gelegen aan het adres [adres] te ([postcode]) [plaats 2] van Kennemer Wonen. [eiser] (momenteel 39 jaar) is de dochter van [betrokkene] en heeft vanaf het begin van de huurovereenkomst in de woning gewoond.
Op 9 januari 2025 heeft [betrokkene] een verzoek tot medehuurderschap van haar dochter gedaan aan Kennemer Wonen. Kennemer Wonen heeft het verzoek afgewezen.
[betrokkene] is in november 2023 gediagnosticeerd met kanker en op 10 juli 2025 overleden.
Op 16 juli 2025 heeft [eiser] Kennemer Wonen verzocht de huurovereenkomst te mogen voortzetten. Kennemer Wonen heeft daarop gereageerd dat [eiser] geen huisvestingsvergunning zou (kunnen) krijgen en dat zij ook niet aan de overige wettelijke vereisten voor het voortzetten van de huurovereenkomst voldoet.
Op 14 augustus 2025 heeft (de gemachtigde van) [eiser] Kennemer Wonen formeel verzocht de huurovereenkomst van de huurwoning te mogen voortzetten. Kennemer Wonen heeft het verzoek op 27 augustus 2025 afgewezen.
[eiser] woont nog steeds in de woning.
3 Het geschil
in conventie
[eiser] vordert de kantonrechter – samengevat – om te bepalen dat zij medehuurder van de woning is geworden, dan wel dat zij de huurovereenkomst en haar woongenot mag voortzetten na het overlijden van de moeder (de (hoofd)huurder). Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van Kennemer Wonen in de proceskosten.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Kennemer Wonen het verzoek tot medehuurderschap ten onrechte heeft afgewezen. Het verzoek is tijdig gedaan en de weigeringsgronden deden zich niet voor. Subsidiair stelt [eiser] dat zij (voor zover zij niet als medehuurder kan worden aangemerkt) voldoet aan de vereisten om de huur na overlijden van [betrokkene] voort te zetten.
Kennemer Wonen voert verweer. Kennemer Wonen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Kennemer Wonen voert aan dat [eiser] geen beroep (meer) kan doen op verkrijging van het medehuurderschap, omdat een vordering daartoe alleen sámen met de hoofdhuurder kan worden ingesteld. Verder betwist Kennemer Wonen dat [eiser] voldoet aan de voorwaarden voor het voortzetten van de huur: zij komt niet in aanmerking voor een huisvestigingsvergunning, het is onvoldoende gebleken dat er tussen [eiser] en haar moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft bestaan en [eiser] biedt financieel onvoldoende waarborg tot nakoming van de huur.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
Kennemer Wonen vordert dat [eiser], bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, wordt veroordeeld om binnen drie dagen na betekening van het vonnis, de woning te ontruimen en te verlaten op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [eiser] tot betaling van een gebruiksvergoeding voor iedere maand dat het gehuurde in gebruik blijft en de proceskosten.
Kennemer Wonen legt aan de vordering ten grondslag dat de huurovereenkomst met [betrokkene] van rechtswege per 30 september 2025 is geëindigd, zodat [eiser] de woning sindsdien zonder recht of titel gebruikt. Kennemer Wonen heeft belang bij een snelle ontruiming omdat sprake is van een groot woningtekort en voor woningen als de onderhavige lange wachtlijsten bestaan.
[eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Kennemer Wonen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
in conventie en in reconventie
De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
[eiser] is niet-ontvankelijk in haar verzoek tot medehuurderschap
In de wet is bepaald dat een vordering tot medehuurderschap moet worden ingesteld door de huurder én de beoogd medehuurder gezamenlijk, nadat zij de verhuurder eerst schriftelijk om instemming hebben verzocht en de verhuurder daarmee niet binnen drie maanden heeft ingestemd.1 De vordering tot vaststelling van het medehuurderschap kan dus uitsluitend samen met de huurder worden ingesteld. Aan die voorwaarde is in dit geval niet voldaan. Dit betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek.
Het betoog van [eiser] dat uit de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland2 volgt dat het niet gezamenlijk indienen van het verzoek wel mogelijk is, kan niet slagen. Zoals Kennemer Wonen terecht heeft aangevoerd volgt uit die uitspraak niet wanneer de huurder was overleden (vóór of tijdens de procedure) en was in die zaak kennelijk ook niet als verweer aangevoerd dat het verzoek uitsluitend gezamenlijk kan worden ingediend. Er is ook overigens geen reden om een uitzondering te maken op de wettelijke regeling: tussen het moment waarop het verzoek door Kennemer Wonen is afgewezen en het moment waarop [betrokkene] is overleden, zitten zes maanden en er was dus voldoende gelegenheid om nog gezamenlijk een verzoek bij de kantonrechter in te dienen.
[eiser] mag de huur niet voortzetten
In de wet is verder bepaald dat de persoon die geen medehuurder is, maar die wél zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft en die met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, de mogelijkheid heeft om de huur voort te zetten gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder3. Als zij de huur ook na deze periode wil voortzetten (en de verhuurder daarmee niet instemt) kan zij binnen die periode van zes maanden een daarop gerichte vordering instellen bij de kantonrechter.
De voorwaarden4 waaraan [eiser] moet voldoen om de huur op grond van dat wetsartikel te mogen voortzetten zijn als volgt: (a) zij moet haar hoofdverblijf in de woning hebben; (b) met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd; (c) zij moet voldoende waarborg bieden voor de betaling van de huur, en; (d) als het gaat om een woning waarvoor op grond van de gemeentelijke huisvestingsverordening een huisvestingsvergunning nodig is, moet zij in de procedure bij de kantonrechter een huisvestingsvergunning overleggen.
Niet in geschil is dat [eiser] haar vordering tijdig heeft ingesteld en dat zij haar hoofdverblijf in de woning heeft. Het gaat in deze zaak dan ook met name om de voorwaarden zoals genoemd onder b, c en d.
Voor de beantwoording van de vraag of een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaat, zijn zowel objectieve als subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen, van belang. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding, ook indien het gaat om een volwassen kind dat, na te zijn uitgevlogen, terugkeert naar de ouderlijke woning. Daarbij kan mede betekenis toekomen aan het al dan niet aanwezig zijn van wederkerigheid in de relatie tussen ouder en kind. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten verder alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd zoals het feitelijk gebruik van het gehuurde door de huurder en de medebewoner, alsmede de omstandigheid dat zij al dan niet:(i) gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, (ii) gezamenlijk (of op grond van een afgesproken verdeling) huishoudelijke taken verrichten, (iii) gezamenlijk de maaltijden bereiden en gebruiken, (iv) gezamenlijk invulling geven aan vrije tijd en (v) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer. Ten aanzien van de gemeenschappelijke huishouding geldt voor degene die voortzetting5 van de huur vordert een verzwaarde stelplicht.6
In het licht van het voorgaande heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat de samenwoning van haar en moeder gericht was op het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Onvoldoende is namelijk gebleken dat sprake was van een persoonlijke en financiële vervlechting van partijen. Een belangrijke indicator op dit punt is of de kosten van de huishouding werden gedeeld. Vast staat dat [betrokkene] de huur betaalde. [eiser] heeft weliswaar een aantal rekeningafschriften overgelegd, maar daaruit blijkt niet dat zij in (belangrijke mate) bijdroeg in de kosten van de gezamenlijke huishouding. Uit de beperkte omvang van deze bedragen lijkt juist te volgen dat [eiser] niet of nauwelijks bijdroeg in de gezamenlijke kosten, terwijl zij wel betaald werk deed en dus tot bijdragen in staat was. Verder heeft [eiser] in dit kader verwezen naar de Whatsapp-gesprekken, waaruit volgens haar, naast een bijzonder sterke moeder-dochterband, ook blijkt dat er afspraken zijn over de onderlinge taakverdeling in het huishouden. Daaruit kan wellicht worden opgemaakt dat [eiser] haar moeder hielp in het huishouden en haar mantelzorg verleende toen [betrokkene] ziek werd, maar niet dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Ook de stelling van [eiser], dat zij en haar moeder gemeenschappelijke activiteiten ondernamen is op geen enkele wijze onderbouwd of gespecificeerd.
In het kader van de vereiste duurzaamheid is van belang dat [eiser] en [betrokkene] de intentie hadden om gezamenlijk te blijven wonen. Kennemer Wonen heeft er, onder overlegging van stukken, op gewezen dat [eiser] sinds 26 april 2019 was ingeschreven bij SVNK voor een eigen huurwoning. In de jaren 2022 tot en met 2025 heeft zij maar liefst 398 keer gereageerd op een vrijgekomen woning. Dat duidt er op dat [eiser] het plan had om uit huis te gaan en op zich zelf te gaan wonen. Haar betoog dat zij dit alleen maar deed uit voorzorg, overtuigt niet gelet op het aantal keren dat zij op een woning heeft gereageerd.
Ten slotte staat vast dat [eiser] in deze procedure geen huisvestingsvergunning heeft overgelegd en dat zij daar niet over beschikt. Zij komt voor een huisvestingsvergunning ook niet in aanmerking omdat de gemeentelijke regeling (Huisvestigingsverordening van de gemeente [plaats 2]) eist dat dit type woning (een sociale huurwoning met vier kamers) bij voorrang wordt toegewezen aan een huishouden bestaande uit minimaal twee personen. [eiser] wil de woning alleen bewonen en voldoet dus niet aan die eis. De kantonrechter heeft hier geen beoordelingsruimte en kan ook de belangen van partijen niet tegen elkaar afwegen.
De conclusie is dat aan de hiervoor genoemde voorwaarden onder b) en d) niet is voldaan en alleen daarom de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. Omdat zij de huur dus niet kan voortzetten, moet zij de woning verlaten. In zoverre is de door Kennemer Wonen gevorderde ontruiming toewijsbaar. De ontruimingstermijn wordt op één maand na de uitspraak van dit vonnis gesteld.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De eveneens door Kennemer Wonen uitvoerbaarheid bij voorraad zal echter worden afgewezen. Een medebewoner heeft het recht om in de woning te verblijven, totdat onherroepelijk is beslist op haar tijdige vordering tot voortzetting van de huur7. Hieruit vloeit voort dat een ontruimingsveroordeling die in dit verband wordt uitgesproken, in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Dit kan in uitzonderlijke gevallen anders zijn, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van recht. Volgens Kennemer Wonen is dit het geval omdat een geldige huisvestigingsvergunning ontbreekt, onvoldoende is komen vast te staan dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en omdat [eiser] onvoldoende financiële waarborg biedt tot behoorlijke nakoming van de huur. Dat maakt echter niet dat sprake is van misbruik van recht: een ander oordeel over hetgeen partijen hebben betoogd, is immers niet uitgesloten. [eiser] die al dertig jaar in de woning woont moet de kans hebben om haar zaak in hoger beroep aan het hof voor te leggen zonder dat de situatie onomkeerbaar in haar nadeel is veranderd.
Dwangsom
De in verband met de ontruiming gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. Kennemer Wonen kan die ontruiming op grond van de wet8 immers zelf met behulp van de deurwaarder bewerkstelligen. Kennemer Wonen heeft onvoldoende gemotiveerd dat het toewijzen een dwangsom in dit geval noodzakelijk is om haar vordering te kunnen afdwingen.
Proceskosten
De conclusie is dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen en zij de proceskosten zal moeten betalen. De tegenvordering van Kennemer Wonen zal gedeeltelijk worden toegewezen. De proceskosten daarvan komen eveneens voor rekening van [eiser], maar worden gelet op de samenhang met de vordering van [eiser], tot en met vandaag begroot op nihil.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningstichting Kennemer Wonen worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
576,00 |
(2 punten × € 288,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
720,00 |
5 De beslissing
De kantonrechter
in conventie
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar vordering tot verkrijging van het medehuurderschap,
wijst de vordering van [eiser] tot voortzetting van de huur af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
veroordeelt [eiser] om binnen één maand na betekening van dit vonnis, de huurwoning gelegen aan [adres] te ([postcode]) [plaats 2] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin bevindende personen of zaken, voor zover deze geen eigendom zijn van Kennemer Wonen, onder afgifte van alle sleutels van de woning en de woning ter vrije en algehele beschikking te stellen aan Kennemer Wonen.
veroordeelt [eiser] daarnaast om aan Kennemer Wonen te betalen € 661,56 per maand voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [eiser] de woonruimte in gebruik houdt na 1 april 2026;
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Kennemer Wonen tot en met vandaag worden begroot op nihil.
in conventie en reconventie
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.