RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/779552 / HA ZA 25-1767
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M. Heikens,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] ,
beiden wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partijen in conventie, eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. S.R. Kieffer.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 11 februari 2026,
- het tussenvonnis van 22 april 2026, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026,
- het verzoek om vonnis te wijzen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagden] zijn sinds 2001 eigenaar van de woning aan de [adres 1] in [plaats] (hierna: woning [nummer 1]). Op het moment dat [gedaagden] woning [nummer 1] kochten had deze al een uitbouw, die enkele centimeters vanaf de erfgrens op het eigen erf staat. De uitbouw heeft aan de zijde waar woning [nummer 1] grenst aan het perceel van [adres 2] (hierna: woning [nummer 2]) een lichtopening in de vorm van een ondoorzichtig raam.
[eiser] is sinds 2 januari 2025 eigenaar van de woning [nummer 2]. [eiser] verhuurt de kamers van woning [nummer 2] aan derden. [eiser] wil een uitbouw plaatsen aan de achtergevel van woning [nummer 2].
Op 4 juni 2025 is [eiser] gestart met het bouwrijp maken van de grond achter zijn woning en heeft hij aan de zijde van [gedaagden] drie coniferen en de schutting verwijderd. [gedaagden] hebben zich hiertegen verzet.
Op 5 juni 2025 heeft [eiser] [gedaagden] een brief gestuurd waarin hij stelt dat hij schade lijdt als de aanbouw niet in juni/juli 2025 kan worden gerealiseerd. [eiser] heeft [gedaagden] verzocht uiterlijk 10 juni 2025 te laten weten of zij instemmen met de uitbouw.
Op 5 juni 2025 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [gedaagden] [eiser] gesommeerd te bevestigen dat hij de uitbouw niet zal plaatsen, althans niet binnen een afstand van twee meter van het raam in de uitbouw van [gedaagden]
3 Het geschil
In conventie
[eiser] vordert - samengevat - na wijziging van eis dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I voor recht verklaart dat [eiser] ten opzichte van [gedaagden] gerechtigd is om een uitbouw te plaatsen achter zijn woning aan de [adres 2] in [plaats], althans dat het hem niet verboden is een uitbouw te plaatsen achter zijn woning;
II [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat vanwege het onrechtmatig handelen van [gedaagden] met betrekking tot de door [eiser] gewenste uitbouw achter zijn woning;
III [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de
wettelijke rente.
[eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [eiser] wenst, net als zijn buren van woning [nummer 1], een uitbouw achter zijn woning. Deze uitbouw zal niet langer zijn dan 4 meter en mag daarom zonder vergunning worden gebouwd. Dat de uitbouw van woning [nummer 1] naastgelegen is, vormt geen beletsel. Deze woning heeft weliswaar een uitbouw met (een beperkte) lichtopening aan de zijde van woning [nummer 2], maar het gaat - in lijn met het bepaalde in artikel 5:50 Burgerlijk Wetboek (BW) – om een vaststaand en ondoorzichtig raam. Als het raam niet geoorloofd is, kon [eiser] zich daartegen niet verzetten, omdat er een schutting voor staat. Voor zover [gedaagden] aan de lichtopening al enig recht kunnen ontlenen, maken zij misbruik van recht door op grond daarvan de bouw van [eiser] tegen te houden. Ook handelen zij daarmee onrechtmatig tegenover [eiser]. Zolang [eiser] door de houding van [gedaagden], die dreigt rechtsmaatregelen te zullen treffen, niet kan beginnen met bouwen, althans niet zonder het risico dat hij een en ander zal moeten afbreken, lijdt [eiser] schade. Hij heeft afspraken gemaakt met de aannemer, waaronder over de periode waarin moet worden gebouwd, die hij van zijn kant niet heeft kunnen nakomen, en kan nu enkele kamers - met het oog op de verbouwing die uitblijft - niet verhuren. [eiser] vordert de verklaring voor recht, zodat hij kan beginnen met bouwen.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
In reconventie
[gedaagden] vorderen, samengevat na wijziging van eis dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I voor recht verklaart dat de lichtopening van [gedaagden], zoals omschreven in
de conclusie van antwoord:
a. primair: valt onder de werking en bescherming van een erfdienstbaarheid
van licht, welke geldt voor de eigenaar van het erf [locatie 1]
(wie de lichtopening met ruimte voor lichtinval dient te dulden als
dienend erf) ten gunste van de eigenaar [locatie 2]
(heersend erf),
b. subsidiair: valt onder de werking en bescherming van een overeenkomst
voor onbepaalde tijd — welke geldt voor de eigenaar van het erf [locatie 1]
(wie de lichtopening met ruimte voor lichtinval
dient te dulden als dienend erf) ten gunste van de eigenaar [locatie 2] (heersend erf),
c. meer subsidiair: valt onder de werking en bescherming van een
erfdienstbaarheid van licht, welke geldt voor de eigenaar van het erf [locatie 1]
(wie de lichtopening met ruimte voor lichtinval
dient te dulden als dienend erf) ten gunste van de eigenaar [locatie 2]
(heersend erf), welke door verjaring is ontstaan ex artikel
d. uiterst subsidiair: valt onder de werking en bescherming van een
erfdienstbaarheid van licht, welke geldt voor de eigenaar van het erf [locatie 1]
(wie de lichtopening met ruimte voor lichtinval
dient te dulden als dienend erf) ten gunste van de eigenaar [locatie 2]
(heersend erf), welke door verjaring is ontstaan ex artikel
II voor recht verklaart dat een vonnis waarin de vorderingen, zoals omschreven in
I onder c. of d., worden toegewezen, in de openbare registers kan worden
ingeschreven dan wel [eiser] gebiedt mee te werken aan registratie van een
akte van verjaring,
III voor recht verklaart dat een erfdienstbaarheid voor leidingen geldt voor de
eigenaar van het erf [locatie 1] (dienend erf) ten gunste van
de eigenaar [locatie 2] (heerstrend erf),
IV [eiser] verbiedt om binnen een straal van twee meter - gemeten vanuit de lichtopening van [gedaagden], zoals omschreven in de conclusie van antwoord - werken of zaken te plaatsen die de lichtinval van [gedaagden] belemmeren,
V voorwaardelijk, in zoverre de eisen in conventie worden toegewezen, [eiser] verbiedt om binnen zes maanden na het in dezen te wijzen vonnis, de beoogde werken te plaatsen of te bouwen en [gedaagden] tot hun erf toe te laten om de vereiste werkzaamheden aan de zijgevel te realiseren, althans een in goede justitie te bepalen termijn;
VI voorwaardelijk, in zoverre de eisen in conventie worden toegewezen, [eiser] veroordeelt aan [gedaagden] een vergoeding te betalen van € 3.473 (incl. btw) en/of € 3.473 (+P.M.) en/of € 12.796,- en/of € 12.796 (+ P.M.) althans een in goede justitie te bepalen hoogte van een vergoeding;
VII [eiser] gebiedt de schutting van [gedaagden] tegen de erfgrens, voor zijn rekening en risico, te herstellen binnen 15 werkdagen na dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn,
VIII [eiser] veroordeelt tot betaling van een dwangsom als hij dit vonnis niet
nakomt,
IX [eiser] veroordeelt in de proces- en nakosten.
[gedaagden] leggen het volgende aan hun vorderingen ten grondslag. Het is [eiser], gezien een geldend gebruiksrecht en een erfdienstbaarheid van licht, al dan niet ontstaan door verjaring, niet toegestaan de uitbouw te realiseren. Voor wat betreft het gebruiksrecht geldt dat omstreeks 1992/1993 de toenmalige eigenaren van de woningen nrs. [nummer 1] en [nummer 2] woning [nummer 1] hebben verbouwd met de huidige uitbouw, inclusief de lichtopening. Deze lichtopening bevindt zich binnen twee meter van de erfgrens. De toenmalige eigenaren van woningen nrs. [nummer 1] en [nummer 2] zijn destijds overeengekomen dat woning [nummer 2] het raam naast de erfgrens zou dulden (en de lichtinval hiervoor niet zou belemmeren) en dat woning [nummer 1] de lichtopening geblindeerd zou houden. Deze afspraak gaat over op de rechtsopvolgers van die eigenaren. Het gebruiksrecht uit deze afspraak is in de jaren erna ook door de rechtsopvolgers geaccepteerd en nageleefd. Dit blijkt uit schriftelijke stukken en de gedragingen van de betrokkenen. Deze rechten en verplichtingen zijn in 2001 op [gedaagden] en in 2025 op [eiser] overgegaan. In de koopakte zijn [gedaagden] er ook op gewezen dat het raam van de uitbouw geblindeerd moet blijven. Los van die overeenkomst/dat gebruiksrecht geldt een erfdienstbaarheid van licht - al dan niet door verjaring, nu de lichtopening er langer dan 10/20 jaar heeft gezeten - en een erfdienstbaarheid van leidingen. De door [eiser] beoogde uitbouw is met deze erfdienstbaarheden in strijd.
Aan de voorwaardelijke vorderingen onder V en VI leggen [gedaagden] ten grondslag dat, als de uitbouw is toegestaan, zij de zijgevel brandveilig moeten maken en warmte- en geluidsisolatie moeten aanbrengen. Daarnaast moeten zij in dat geval kosten maken om de zijgevel dicht te metselen en om een alternatief voor de lichtinval te realiseren.
[eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.
In conventie en in reconventie
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
In conventie en in reconventie
Het verweer van [gedaagden] tegen de vorderingen in conventie vormt tegelijkertijd de onderbouwing van hun vorderingen in reconventie. Gelet op deze samenhang zullen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie gezamenlijk worden behandeld.
Wijziging van eis in conventie [eiser] toegestaan
[eiser] heeft zijn eis in conventie gewijzigd in die zin dat hij de gevraagde verklaring voor recht, dat hij gerechtigd is een uitbouw aan zijn woning te plaatsen heeft aangevuld met de zinsnede ‘althans dat het hem niet verboden is’ een uitbouw te plaatsen. [gedaagden] heeft bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging omdat deze in strijd is met de eisen van goede procesorde.
De rechtbank wijst dit bezwaar af. De gewijzigde eis houdt geen uitbreiding van de vordering in, maar is alleen een herformulering daarvan. [gedaagden] hebben ter zitting bovendien bevestigd dat zij tegen de gewijzigde verklaring voor recht dezelfde verweren kunnen aanvoeren als tegen de oorspronkelijke gevorderde verklaring voor recht. De rechtbank staat de eiswijziging daarom toe. Het verzoek van [gedaagden] om bij akte op de eiswijziging te reageren wijst de rechtbank af omdat [gedaagden] tijdens hun eerste en tweede spreektermijn op de mondelinge behandeling op de gewijzigde eis hebben kunnen reageren en tegen de gewijzigde eis dezelfde verweren aanvoerden.
Uitbouw niet verboden
De rechtbank zal de verklaring voor recht onder I in conventie toewijzen in die zin dat voor recht wordt verklaard dat het [eiser] ten opzichte van [gedaagden] niet verboden is om een uitbouw achter zijn woning te plaatsen, omdat de verweren die [gedaagden] daartegen heeft aangevoerd niet opgaan. De rechtbank licht dit hierna toe.
Geen kwalitatieve verplichting of kwalitatief recht
[gedaagden] voeren aan dat in 1992/1993 de toenmalige eigenaren van de woningen nrs. [nummer 1] en [nummer 2] zijn overeengekomen dat woning [nummer 2] het raam naast de erfgrens zal dulden, de lichtinval hiervoor niet zal belemmeren en dat woning [nummer 1] de lichtopening geblindeerd zal houden (hierna: de overeenkomst). De verbintenissen uit die overeenkomst zijn op de opvolgende eigenaren van de twee woningen overgegaan. [eiser] heeft het bestaan van deze overeenkomst gemotiveerd betwist.
In navolging van het vonnis in het incident van 11 februari 2026 overweegt de rechtbank dat het betoog van [gedaagden] dat zij de overeenkomst uit 1992/1993 aan [eiser] kan tegenwerpen, kan worden opgevat als een beroep op het bestaan van een kwalitatieve verplichting van [eiser] om de lichtopening te dulden en de lichtinval niet te belemmeren. Aan een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 BW komt pas werking tegenover derden-verkrijgers van (in dit geval) woning [nummer 2] toe nadat een notariële akte met de kwalitatieve verplichting is ingeschreven in de openbare registers. Dat er een notariële akte zou zijn opgemaakt is ook na het vonnis in incident gesteld noch gebleken. Van een kwalitatieve verplichting kan alleen al om die reden geen sprake zijn.
De rechtbank overweegt – opnieuw in navolging van het vonnis in het incident – dat het betoog van [gedaagden] ook kan worden opgevat als een beroep op een kwalitatief recht dat door [eiser] moet worden gerespecteerd, namelijk het recht op onbelemmerde lichtinval in het geblindeerde raam in de uitbouw van woning [nummer 2]. Het antwoord op de vraag of uit de overeenkomst, indien die er zou zijn, rechten zijn voortgevloeid die als kwalitatieve rechten op grond van artikel 6:251 lid 1 BW van rechtswege zijn overgegaan op [gedaagden] (als verkrijger onder bijzondere titel van woning [nummer 1]) hangt daarvan af of die rechten voor overgang vatbaar waren en in een zodanig verband stonden met de aan [gedaagden] toebehorende woning [nummer 1] dat deze alleen belang bij die rechten zou houden zolang zij de woning zouden behouden.
[gedaagden] hebben – ook na het vonnis in het incident – geen nadere feiten gesteld om het bestaan van de overeenkomst te onderbouwen. Gegeven de betwisting van [eiser] hadden zij dit wel moeten doen. Dat in de koopakte van woning [nummer 1] staat dat het raam in de uitbouw “geblindeerd moet zijn en blijven” is in dit kader onvoldoende. Deze bepaling hoeft geen verwijzing naar een overeenkomst te zijn, maar is zoals [eiser] heeft betoogd waarschijnlijk opgenomen, omdat een niet-geblindeerd raam in de zijgevel van de uitbouw (en daardoor met uitzicht op het perceel van woning [nummer 2]) gezien de locatie ervan, in strijd zou zijn met het burenrecht (artikel 5:50 BW). Omdat het bestaan van een overeenkomst, zoals [gedaagden] bedoelen, niet is vast komen te staan, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of uit een beding in die overeenkomst een kwalitatief recht voortvloeit.
Geen erfdienstbaarheid van licht op grond van leveringsakte of door verjaring
[gedaagden] voeren verder aan dat uit de leveringsakte van 11 juli 2001, waarmee woning [nummer 1] aan [gedaagden] is geleverd, blijkt dat er met betrekking tot het bouwblok waartoe de woningen nrs. [nummer 1] en [nummer 2] behoren, een erfdienstbaarheid van licht is gevestigd.
Niet in geschil is dat ten tijde van de uitgifte van de erfpacht een erfdienstbaarheid van licht is gevestigd (omstreeks 1987, toen het bouwblok werd gebouwd). Uit genoemde leveringsakte blijkt dat deze erfdienstbaarheid van licht inhoudt “de verplichting van de eigenaar van een lijdend erf om te gedogen, dat in de opstallen van de heersende erven ramen worden aangebracht en gehouden op kortere afstand dan krachtens het geldend burenrecht is toegelaten”. Daarnaast vermeldt de leveringsakte “en voorts al die erfdienstbaarheden, waardoor de toestand wordt gehandhaafd waarin de opstallen zich ten opzichte van elkaar zullen bevinden na afbouw namens de erfpachters van het thans in uitvoering zijnde bouwplan, voor zover die toestand strijdig mocht zijn met de wettelijke bepalingen omtrent de rechten en verplichtingen van eigenaars casu qua zakelijk gerechtigden van naburige erven, daaronder begrepen die van riolering, inbalking, inankering, over en onderbouw, afvoer, enzovoort”.
Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat duidelijk is dat de genoemde erfdienstbaarheid van licht betrekking had op de opstallen en uitbouwen, zoals die er waren bij het gereedkomen van het bouwplan omstreeks 1987, om ervoor te zorgen dat ‘de toestand na afbouw van het bouwplan’ gehandhaafd zou kunnen worden. Deze tekst bevat geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat ook bedoeld was een erfdienstbaarheid van licht voor toekomstige aan- of uitbouwen te vestigen. Aangezien de uitbouw van woning [nummer 1] met bijbehorende (geblindeerde) lichtopening, pas in 1992/1993 is vergund en gebouwd, kan de erfdienstbaarheid van licht geen betrekking op die uitbouw hebben.
Ook het verweer dat er een dergelijke erfdienstbaarheid van licht is gevestigd door verjaring (artikel 5:72 BW) gaat niet op. Van bezit van een erfdienstbaarheid is pas sprake als er feitelijke omstandigheden – gedragingen, een bestendige toestand van een erf en dergelijke – aanwezig zijn, waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om een bevoegdheid als gerechtigde tot een erfdienstbaarheid uit te oefenen (zie artikel 3:108 BW). Een wilsuiting van woning [nummer 1] is niet vast komen te staan. Uit het enkele feit dat er tot op heden geen uitbouw achter woning [nummer 2] is geplaatst, kan die wilsuiting niet worden afgeleid. Daarnaast heeft er direct naast het zijraam in de uitbouw van [gedaagden] een schutting gestaan, waardoor de lichtinval (gedeeltelijk) werd belemmerd en de gestelde erfdienstbaarheid voor de eigenaar van [nummer 2] bovendien niet zichtbaar was. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat de (opvolgend) eigenaren van woning [nummer 2] sinds 1992/1993 bewust iets hebben geduld of niet hebben gedaan om de lichtinval in de lichtopening van de uitbouw van woning [nummer 1] te behouden.
Omdat er voor de lichtopening in de uitbouw van woning [nummer 1] geen erfdienstbaarheid van licht is door vestiging of verjaring doet niet ter zake dat in de leveringsakte van 2 januari 2025, waarbij woning [nummer 2] is geleverd aan [eiser], staat dat [eiser] alle lijdende erfdienstbaarheden aanvaardt.
Beroep op artikel 5:50 lid 4 BW slaagt niet
Artikel 5:50 lid 1 BW bepaalt dat het, behoudens toestemming van de eigenaar van het naburige erf, niet geoorloofd is binnen twee meter van de grenslijn van een naburig erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dat erf uitzicht geven. Dit artikel heeft tot doel de nabuur te beschermen tegen de mogelijkheid dat er onopvallend en voor de ander onwillekeurig inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke privacy. Lid 2 bevat drie situaties waarin de nabuur zich niet kan verzetten tegen de aanwezigheid van muuropeningen of werken, waaronder voor zover in deze procedure relevant het geval waarin het uitzicht niet verder reikt dan tot een binnen twee meter van de opening of het werk zich bevindende muur. Lid 4 bepaalt dat, wanneer een nabuur als gevolg van verjaring geen wegneming van een opening of werk meer kan vorderen, hij zelf verplicht is binnen een afstand van twee meter daarvan geen gebouwen of werken aan te brengen die de eigenaar van het andere erf onredelijk zouden hinderen.
Lichtopeningen in muren die binnen de afstand van twee meter staan, zoals bedoeld in artikel 5:50 lid 1 BW, zijn op grond van artikel 5:51 BW altijd toegestaan als zij zijn voorzien van vaststaande en ondoorzichtige vensters.
[gedaagden] stellen dat het linker gedeelte van het geblindeerde zijraam in de uitbouw van hun woning niet vaststaand is, maar helemaal open kan, waardoor stelselmatig zicht op het erf van [eiser] wordt verkregen. Dit is volgens [gedaagden] niet toegestaan op grond van artikel 5:51 BW, maar omdat deze situatie al meer dan 20 jaar bestaat, kan [eiser] vanwege verjaring geen wegneming meer vorderen. Op grond van artikel 5:50 lid 4 BW zou [eiser] daarom niet binnen twee meter van dit raam een uitbouw mogen plaatsen.
[eiser] heeft betwist dat de situatie van artikel 5:50 lid 4 BW zich voordoet. Het zijraam is altijd geoorloofd geweest omdat het niet (noemenswaardig) open kon en ondoorzichtig is. Voor het geval het raam wel open kon, kon [eiser] zich daar niet tegen verzetten op grond van artikel 5:50 lid 2 BW, omdat het uitzicht niet verder reikt dan tot de schutting die zich binnen twee meter van het raam bevindt. De schutting is volgens [eiser] een muur in de zin van artikel 5:43 BW. [eiser] betwist verder dat de uitbouw onredelijke hinder oplevert.
[gedaagden] heeft met de overlegging van foto’s voldoende onderbouwd dat het linker gedeelte van het geblindeerde raam in de zijgevel een stukje open kon. [eiser] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Hoe ver het raam precies open kon doet in dit kader niet ter zake. Omdat het raam niet vaststaand is, is de situatie in strijd met artikel 5:51 BW. [eiser] heeft – onweersproken - aangevoerd dat het gehele zijraam afkomstig is uit de oorspronkelijke achtergevel en is hergebruikt bij de uitbouw van woning [nummer 1] in de jaren negentig. Gesteld noch gebleken is dat het raam toen is vastgezet. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat het linker gedeelte van het raam al meer dan twintig jaar open kan. [eiser] kan zich dus niet meer tegen de uitbouw van woning [nummer 1] verzetten.
De schutting is niet aan te merken als een op het eigen erf geplaatste muur in de zin van artikel 5:43 BW, waarmee [gedaagden] hun erf aan de kant van het erf van [eiser] hebben afgesloten. Op de foto’s van beide partijen is namelijk te zien dat de schutting het raam maar voor een gedeelte aan het zicht onttrekt. Van een afsluiting van het erf als bedoeld in artikel 5:43 BW is daardoor geen sprake. De situatie in artikel 5:50 lid 2 BW doet zich dus niet voor.
De rechtbank is echter van oordeel dat [gedaagden] niet onredelijk zullen worden gehinderd als de uitbouw achter woning [nummer 2] wordt geplaatst. Daarbij weegt de rechtbank het volgende mee.
Het gaat hier om een erfdienstbaarheid tot het hebben van een uitzicht dat in strijd is met artikel 5:50 BW, niet om een erfdienstbaarheid om vrijelijk licht te mogen ontvangen of een weids uitzicht te hebben.
Voor zover [gedaagden] menen dat zij een recht op lichtinval hebben verkregen doordat het linker gedeelte van het zijraam een klein stukje open kan, gaat die redenering niet op. De met artikel 5:50 lid 1 BW strijdige situatie ziet alleen op het feit dat het raam een klein stukje open kan, niet op de vrije lichtinval. Vaststaat immers dat het raam in de zijgevel van begin af aan ondoorzichtig was en in dat opzicht niet in strijd is met het burenrecht en dat daardoor de vrije lichtinval werd verkregen.
Als de uitbouw bij [nummer 2] wordt geplaatst, zal er minder licht binnenkomen door het ondoorzichtige zijraam van de serre van [nummer 1]. Maar via de achtergevel van de serre van [nummer 1] die van glas is en daar vlak achter zit zal wel nog licht in de woonkamer van [nummer 1] komen. Verder is er nu alleen uit het zijraam van de serre van [nummer 1] uitzicht op de lucht als het linker raam een klein stukje wordt opengezet, terwijl uit de ramen in de achtergevel zicht op de lucht zal blijven bestaan.
Aan [gedaagden] kan worden toegegeven dat het raam mogelijk lastiger kan worden schoongemaakt, maar de uitbouw zal niet tegen het raam worden geplaatst. [gedaagden] hebben verder onvoldoende toegelicht dat het door hen gestelde onderhoud aan de uitbouw niet van binnenuit kan plaatsvinden. Via het ventilatierooster in de muur van de uitbouw van [gedaagden] kan ook na het plaatsen van de uitbouw lucht binnenkomen, omdat de uitbouw niet direct tegen de muur wordt aangebouwd.
Dat [gedaagden] de woning met het raam in de uitbouw zo hebben gekocht en dat zij de situatie graag willen houden zoals deze is, legt onvoldoende gewicht in de schaal. De rechtbank weegt mee dat andere huizen in het rijtje van [gedaagden] en [eiser] al een uitbouw hebben, zodat [gedaagden] er rekening mee moesten houden dat ook de eigenaar van de naastgelegen woning een uitbouw zou willen plaatsen.
Alles afwegende levert het belang van [eiser] om, net als zijn buren van [nummer 1], een uitbouw te plaatsen aan zijn woning en daarmee zijn woongenot, althans dat van zijn huurders, te vergroten zwaarder dan de belangen van [gedaagden] en is van onredelijke hinder geen sprake.
Geen erfdienstbaarheid van leidingen
[gedaagden] voeren aan dat uit de akte van levering, genoemd in 4.9, blijkt dat er in 1987 een erfdienstbaarheid van leidingen is gevestigd, te weten “de erfdienstbaarheid tot het in of op de lijdende erven aanbrengen, instandhouden, onderhouden, repareren en vervangen van de leidingen en kabels voor gas, water, elektriciteit, afvoer en dergelijke geen uitgezonder, zulks ten behoeve van de noodzakelijke huisaansluitingen”. Volgens [gedaagden] lopen er verschillende leidingen en kabels ten behoeve van hun woning achter woning [nummer 2]. De uitbouw van woning [nummer 2] zou boven deze leidingen en kabels gebouwd worden, waardoor deze niet meer bereikbaar zouden zijn waardoor deze uitbouw in strijd zou zijn met deze erfdienstbaarheid van leidingen.
De rechtbank volgt [gedaagden] hierin niet. [gedaagden] hebben namelijk onvoldoende onderbouwd dat er leidingen van hun woning onder het erf van woning [nummer 2] lopen. De foto die [gedaagden] in dit kader hebben overgelegd overtuigt niet, omdat daarop alleen een buis is te zien die op het erf van [gedaagden] recht naar beneden de grond in gaat, direct naast de uitbouw van woning [nummer 1] en voor de erfgrens met woning [nummer 2].
Tussenconclusie
Aangezien de juridische bezwaren daartegen niet opgaan is het [eiser] ten opzichte van [gedaagden] niet verboden een uitbouw te plaatsen. De verklaring voor recht in conventie onder I zal daarom worden toegewezen in die zin dat het [eiser] ten opzichte van [gedaagden] niet verboden is om een uitbouw te plaatsen achter zijn woning aan de [adres 2] te [plaats]. Een verklaring voor recht is naar haar aard niet vatbaar voor tenuitvoerlegging.1 De verklaring voor recht zal daarom niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Al het voorgaande heeft in reconventie tot gevolg dat de door [gedaagden] verzochte verklaringen voor recht onder I sub a tot en met d zullen worden afgewezen. Dat betekent dat de vordering onder II evenmin toewijsbaar is. De verklaring voor recht onder III zal ook worden afgewezen. Dit geldt ook voor het gevorderde verbod onder IV. Zoals hiervoor overwogen, levert de uitbouw immers geen onredelijke hinder op, zodat het niet verboden is binnen twee meter van het raam van [gedaagden] te bouwen.
[gedaagden] hebben niet onrechtmatig gehandeld
[eiser] stelt dat [gedaagden] jegens hem onrechtmatig handelen door hem te verbieden een uitbouw te plaatsen. De rechtbank oordeelt dat van onrechtmatig handelen geen sprake is en zal daarom de vordering in conventie onder II afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
[eiser] legt aan zijn standpunt onder meer ten grondslag dat [gedaagden] in april 2025 geen bezwaar hadden tegen de uitbouw en pas in juni 2025, toen [eiser] begon met het bouwrijp maken van zijn erf alsnog protesteerden tegen de uitbouw. Dat [gedaagden] aanvankelijk hebben ingestemd, maar daarop zijn teruggekomen is niet vast komen te staan. [gedaagden] hebben namelijk betwist dat zij aanvankelijk wel toestemming hebben verleend en daarbij verwezen naar de aanmelding van de kwestie bij hun rechtsbijstandsverzekeraar in april 2025. [eiser] heeft hiertegenover niet nader onderbouwd op grond waarvan hij mocht aannemen dat [gedaagden] wel hadden ingestemd. Dat hij uit een gesprek met mevrouw [gedaagden] had begrepen dat zij geen bezwaar had is daarvoor niet genoeg.
Van een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] is ook geen sprake. [eiser] heeft er namelijk zelf voor gekozen om een rechterlijk oordeel te verkrijgen (en af te wachten) voordat hij verder gaat met de werkzaamheden op zijn eigen erf. Het stond [gedaagden] verder vrij het standpunt in te nemen dat [eiser] geen uitbouw mag plaatsen en dat in deze procedure te herhalen. Dat de verweren van [gedaagden] in rechte niet opgaan, maakt nog niet dat [gedaagden] tegenover [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld.
[gedaagden] maken ook geen misbruik van bevoegdheid. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of als in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen (zie artikel 3:13 lid 2 BW). De drempel ligt dus hoog en om daaraan te voldoen is meer nodig dan wat [eiser] heeft gesteld (te weten dat het belang bij een lichtopening waardoor weinig licht binnenkomt niet opweegt tegen het belang van [eiser] bij uitbreiding van zijn woning).
Voorwaardelijke vorderingen in reconventie onder V en VI
Omdat het [eiser] ten opzichte van [gedaagden] niet verboden is een uitbouw te plaatsen en de vordering in conventie in zoverre wordt toegewezen, is aan de voorwaarde voor beoordeling van de reconventionele vorderingen onder V en VI voldaan. De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen en licht dit toe.
Geen termijn voor werkzaamheden aan uitbouw woning [nummer 1]
[gedaagden] stellen onder verwijzing naar een rapport van Kwaliteitszaak Bouwadvies dat zij vanwege de uitbouw van woning [nummer 2] hun uitbouw brandveilig moeten maken en moeten isoleren. [eiser] dient daartoe voor een periode van zes maanden werklieden toegang te geven tot zijn erf en zijn bouwproject zo in te richten dat [gedaagden] de noodzakelijke werkzaamheden kan uitvoeren. [eiser] heeft betwist dat er vanwege zijn uitbouw werkzaamheden aan de uitbouw van [gedaagden] nodig zijn, omdat zijn uitbouw niet direct tegen de uitbouw van [gedaagden] zal worden geplaatst.
Nog daargelaten of er een rechtsgrond voor deze vordering bestaat, biedt het rapport van Kwaliteitszaak Bouwadvies onvoldoende feitelijke onderbouwing van de noodzaak van de werkzaamheden. In het rapport wordt uitgegaan van de situatie waarin een uitbouw wordt geplaatst tegen de zijgevel van [gedaagden], terwijl [eiser] heeft bevestigd dat de uitbouw van woning [nummer 2] niet tegen de zijgevel aan zal worden gebouwd. [gedaagden] hebben hun uitbouw enkele centimeters uit de erfgrens gebouwd, terwijl [eiser] heeft aangevoerd dat zijn uitbouw op de erfgrens zal komen.
Zonder nadere onderbouwing ziet de rechtbank ook niet in waarom [gedaagden] niet vanaf hun eigen erf werkzaamheden aan hun uitbouw kunnen laten uitvoeren en waarom daarvoor een termijn van zes maanden nodig is.
Geen schadevergoeding
De rechtbank oordeelt dat er geen rechtsgrond bestaat voor de door [gedaagden] gevorderde schadevergoeding. De redelijkheid en billijkheid of goed nabuurschap, roepen geen verbintenis tot het vergoeden van schade in het leven. Van een onrechtmatige daad die tot schadeplichtigheid leidt is ook geen sprake. Hiervoor heeft de rechtbank immers geoordeeld dat het [eiser] ten opzichte van [gedaagden] niet verboden is een uitbouw te plaatsen op zijn eigen erf en dat hij [gedaagden] niet onredelijk hindert door de uitbouw binnen twee meter van het zijraam van [gedaagden] te plaatsen. Vergoeding van de kosten voor werkzaamheden aan de zijgevel van de uitbouw van [nummer 1] zijn niet toewijsbaar omdat [eiser] heeft bevestigd dat de uitbouw van woning [nummer 2] niet tegen de uitbouw van [nummer 1] aan zal worden gebouwd.
Vordering in reconventie onder VII - herstel schutting
Niet in geschil is dat [eiser] hangende de procedure de schutting tussen zijn erf en dat van [gedaagden] heeft teruggeplaatst. [gedaagden] stelt dat dit niet deugdelijk is gebeurd, maar [eiser] betwist dit. In het licht van het feit dat het [eiser] ten opzichte van [gedaagden] niet verboden is een uitbouw te plaatsen, is de teruggeplaatste schutting van tijdelijke aard. De rechtbank oordeelt dat [gedaagden] alleen daarom al geen belang hebben bij hun vordering tot herstel van de schutting. De rechtbank gaat ervanuit dat mocht er na het plaatsen van de uitbouw achter deze uitbouw nog een opening in de erfgrens zijn deze door - en voor rekening van - [eiser] zal worden opgevuld.
Vordering in reconventie onder VIII – dwangsom
Omdat de vorderingen van [gedaagden] worden afgewezen, is het opleggen van een dwangsom niet aan de orde.
In conventie
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
144,47 |
|
|
- griffierecht |
€ |
241,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.632,50 |
(2,5 punten × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.206,97 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
In reconventie
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom in beginsel de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op nihil vanwege de grote overlap tussen de procedure in reconventie en in conventie.
5 De beslissing
De rechtbank
in conventie
verklaart voor recht dat het [eiser] ten opzichte van [gedaagden] niet verboden is om een uitbouw te plaatsen achter zijn woning aan de [adres 2] te [plaats],
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.206,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagden] af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Versteeg, rechter, bijgestaan door mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. |
||