RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/787503 / FA RK 26-3654
Datum uitspraak: 25 september 2026
Beschikking echtscheiding
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. A.J. van Ommeren uit Amsterdam,
en
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.E. Groot uit Heerhugowaard.
1 Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de man, ontvangen op 4 mei 2026;
- het verweerschrift van de vrouw met bijlage(n), met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken) tevens houdende een verzoek in incident, ontvangen op 13 juli 2026;
- het bericht van 28 juli 2026 van de zijde van de man.
Vervolgens is beschikking in het incident bepaald.
2 Wat vaststaat
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 19 juli 2004 in [plaats 1] , Marokko.
De man heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ;
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] .
3 De beoordeling
Incident
De vrouw verzoekt dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. Zij voert daartoe aan dat de kinderen bij haar in [woonplaats 2] verblijven en dat om die reden deze rechtbank niet bevoegd is.
De man heeft niet gereageerd in het incident.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 262 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) volgt dat, tenzij de wet anders bepaalt, bevoegd is de rechter van de woonplaats van hetzij de verzoeker of één van de verzoekers, hetzij één van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden dan wel, als zodanige woonplaats in Nederland niet bekend is, de rechter van het werkelijk verblijf van één van hen. De man woont in [plaats 2] zodat deze rechtbank op grond van de hoofdregel bevoegd is kennis te nemen van het echtscheidingsverzoek.
De rechtbank is van oordeel dat zij als gevolg daarvan tevens bevoegd is om van de nevenverzoeken betreffende de kinderen kennis te nemen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 265 Rv bepaalt dat in zaken betreffende minderjarigen bevoegd is de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige. De wet geeft geen definitie wat onder “zaken betreffende minderjarigen” moet worden verstaan. Ook in de Parlementaire Geschiedenis is hier niets over terug te vinden. Aangenomen moet worden dat er sprake moet zijn van een procedure waarin de rechtspositie van de minderjarige in het geding is. Uit de toelichting bij artikel 265 Rv blijkt echter dat daarvan (onder meer) uitgezonderd moeten worden verzoeken om nevenvoorzieningen als bedoeld in 827 Rv die betrekking hebben op een minderjarig kind. De reden daarvoor is dat dergelijke verzoeken zo nauw verbonden zijn met de scheidingszaak dat daarvoor reeds om praktische redenen — het ‘bijeenhouden’ van de procedure — als relatief bevoegde rechter moet gelden de op grond van art. 262 Rv aangewezen scheidingsrechter.
Hoofdzaak
Nu de rechtbank zich relatief bevoegd acht en er in de hoofdzaak geen geschilpunten (meer) lijken voor te liggen, houdt de rechtbank de behandeling in de bodemzaak aan tot de hierna vermelde pro forma datum. Partijen wordt verzocht zich voor die datum uit te laten over de vraag of de zaak op de stukken kan worden afgedaan.
4 De beslissing
De rechtbank:
In het incident
wijst af het verzoek;
In de hoofdzaak
houdt de behandeling pro forma aan tot 19 oktober 2026 en verzoekt partijen zich voor die tijd uit te laten over de gewenste voortgang van de procedure.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.J. van der Veen, griffier op 25 september 2026. |
||
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.