ECLI:NL:RBAMS:2026:9701

Datum uitspraak
29-09-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
C/13/793190 / FT RK 26/397
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek tot faillietverklaring. Niet summierlijk gebleken van vorderingsrecht aanvrager. Tussen partijen is een hoger beroepsprocedure aanhangig. De rechtbank kan na summier onderzoek in de faillissementsprocedure niet vaststellen of aanvrager een vordering heeft.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaak-/rekestnummer: C/13/793190 / FT RK 26/397

uitspraakdatum: 29 september 2026

Afwijzing faillietverklaring

Ter griffie van deze rechtbank is op 1 september 2026 een verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen van:

Smartkas B.V.,

gevestigd te Almelo,

hierna te noemen: verzoekster,

advocaat mr. G. Ruardij.

Het verzoekschrift strekt tot faillietverklaring van:

[gerekesteerde] B.V.,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,

statutair gevestigd [vestigingsplaats],

vestigingsadres: [adres] .

hierna te noemen: gerekestreerde.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 september 2026.

Namens verzoekster is de heer [naam 1] verschenen, bijgestaan door mr. Ruardij, advocaat te Amsterdam, voornoemd. Namens gerekestreerde is de heer [naam 2] , [functie] , verschenen, bijgestaan door mr. C. Giljam, advocaat te Amsterdam. Zij hebben het woord gevoerd waarbij mr. Ruardij dit heeft gedaan aan de hand van pleitaantekeningen.

1 De standpunten van partijen

1.1.

Verzoekster heeft in het verzoekschrift en ter zitting gesteld dat zij een vordering heeft op gerekestreerde op grond van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2026. Daarin is gerekestreerde – onder meer – veroordeeld tot terugbetaling aan verzoekster van alle door of namens verzoekster betaalde bedragen ter zake van aan haar verkochte teeltsystemen voor aardbeien voor een tweetal locaties en tot vergoeding van door verzoekster geleden schade nader op te maken bij staat, waarbij gerekestreerde tevens is veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is betekend en gerekestreerde is gesommeerd tot betaling. Gerekestreerde dient aan verzoekster te betalen € 332.313,63 en $ 2.092.503,53, te vermeerderen met proceskosten. Gerekestreerde heeft niet betaald waarna verzoekster de reeds in 2023 gelegde beslagen heeft uitgewonnen, wat tot een opbrengst van ongeveer € 60.000,00 heeft geleid. Het vorderingsrecht van verzoekster blijkt summierlijk uit het vonnis van 24 juni 2026 en de daarop volgende betekening en aanzegging.

1.2.

Verzoekster wijst er verder op dat gerekestreerde op 13 juli 2026 heeft aangekondigd dat zij in financieel zwaar weer verkeert, omdat uit het onderhavige geschil een grote schuldenlast is ontstaan die de onderneming niet het hoofd kan bieden. Inmiddels is gebleken van 16 steunvorderingen.

1.3.

Gerekestreerde erkent dat verzoekster een vordering heeft uit hoofde van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2026, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Gerekestreerde heeft tegen dat vonnis echter hoger beroep ingesteld, dat grote kans van slagen heeft. Gerekestreerde betwist de steunvorderingen en stelt zich op het standpunt dat zij niet in de toestand verkeert van hebben opgehouden te betalen. De door verzoekster opgeworpen schulden zijn allemaal kort lopende schulden, waaronder advocaatkosten in verband met het ingestelde hoger beroep.

2 De beoordeling

2.1.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 6 lid 3 Faillissementswet (Fw) de faillietverklaring wordt uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser een verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Het betreft een summiere toets zodat de voornoemde toestand na een kort en eenvoudig onderzoek moet blijken. Er is daarbij geen ruimte voor feitenonderzoek en of beoordeling van gedetailleerde standpunten.

2.2.

Het feit dat de vordering van verzoekster in het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 24 juni 2026 is toegewezen, betekent niet per definitie dat de vordering summierlijk vaststaat, zoals ook verzoekster erkent. Tegen het vonnis is hoger beroep ingesteld. Op de uitkomst daarvan kan in deze procedure niet vooruit worden gelopen. Er wordt daarom niet ingegaan op de stellingen van partijen over de juistheid van het oordeel van de rechtbank, de waarde van het deskundigenonderzoek of de betekenis van het, volgens gerekestreerde nieuwe, bewijsmateriaal. Er is hoe dan ook altijd een kans dat de beoordeling in hoger beroep anders uitvalt. Die kans wordt illusoir als gerekestreerde nu als gevolg van het vonnis failliet wordt verklaard. Voor zover op dit moment kan worden overzien, exploiteert gerekestreerde een op zich levensvatbare onderneming. De betalingsveroordeling aan verzoekster bedraagt bijna 96% van alle uitstaande schulden. De overige schulden lijken de gebruikelijke schulden van een lopende onderneming. Los van de vordering van verzoekster, verkeert gerekestreerde dus niet in de toestand van hebben opgehouden te betalen. Daar komt bij dat verzoekster niet heeft toegelicht waarom zij de uitkomst van het hoger beroep niet kan afwachten.

2.3.

Het verzoek tot faillietverklaring zal daarom worden afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.M. de Vries en in raadkamer uitgesproken op

29 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »