RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12335475 \ KK EXPL 26-490
Vonnis in kort geding van 24 september 2026
in de zaak van
LPFS B.V.,
gevestigd te Stadskanaal,
eisende partij,
hierna te noemen: LPFS,
gemachtigde: mr. Y. Li,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
voorheen bijgestaan door mr. A. Schram, thans procederend in persoon.
1 De procedure
Bij dagvaarding met producties van 22 mei 2026 heeft LPFS een voorziening gevorderd. Vervolgens heeft [gedaagde] producties ingediend. Op 1 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen. Namens LPFS was [naam 1] aanwezig, samen met de gemachtigde. Namens [gedaagde] was haar voormalig gemachtigde mr. A. Schram aanwezig. Beide gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd. Bij vonnis van 15 juli 2026 heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard en de zaak in de stand waarin zij zich bevond verwezen naar de rechtbank Amsterdam.
Op 31 juli 2026 heeft LPFS onder meer afschriften van de dagvaarding, inclusief producties, en het vonnis van 15 juli 2026 aan [gedaagde] betekend en [gedaagde] opgeroepen voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank Amsterdam. Deze heeft op 15 september 2026 plaatsgevonden. Voorafgaand aan deze mondelinge behandeling heeft LPFS aanvullende producties ingediend. Namens LPFS was [naam 1] aanwezig met de gemachtigde. Namens [gedaagde] is niemand verschenen, hoewel zij daartoe deugdelijk was opgeroepen. LPFS heeft haar standpunt nader toegelicht en de gemachtigde heeft nieuwe spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd. Ten slotte is een vonnis gevraagd en is een datum voor het vonnis bepaald.
2 De feiten
Op 3 september 2024 heeft LPFS een Mantelovereenkomst Operationele Lease gesloten en op 4 september 2024 een individueel leasecontract voor een voertuig van het merk en type BMW 3-serie met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Op beide contracten staat dat zij zijn ondertekend door [gedaagde] . Op het contract zijn algemene bepalingen van toepassing. Daarin is in artikel 17 onder meer het volgende bepaald:
“17. TUSSENTIJDSE BEËINDIGING EN ONTBINDING
In het geval:
a. Cliënt in gebreke blijft tijdig te betalen of een andere verplichting uit de Mantelovereenkomst (…), een Individueel Leasecontract (…) niet volledig of tijdig nakomt (…) heeft Lessor het recht om, zonder dat ingebrekestelling of sommatie is vereist (…) op te zeggen of te ontbinden en, indien van toepassing, het Voertuig terstond weer onder zich te nemen ongeacht waar het Voertuig zich bevindt en Cliënt zal te allen tijde al zijn medewerking daaraan verlenen;
(…)
In geval van een tussentijdse beëindiging (…) is Cliënt verplicht aan Lessor te betalen c.q. te vergoeden:
a. a) alle tot aan dat moment reeds verschuldigde bedragen;
b) de kosten om het Voertuig in goede staat te brengen;
c) de kosten van noodzakelijke reparaties; (…)
Daarnaast is Cliënt verplicht om aan Lessor te vergoeden een bedrag gelijk aan alle resterende maandelijkse leasetermijnen (…) onverminderd het recht van Lessor om alle als gevolg van de beëindiging opkomende kosten, geleden schade en interesten, waaronder de vergoeding van juridische en andere bijstand, te vorderen. Lessor kan er ook voor kiezen om in voorkomend geval slechts 25% van alle nog niet verschenen leasetermijnen te vorderen (…)”
Op 24 september 2024 heeft LPFS naar [gedaagde] gemaild:
“Helaas is gebleken uit de laatste controle dat de handtekeningen op het leasecontract en op de mantelovereenkomst matig tot slecht overeenkomen met de handtekening op het rijbewijs.
Normaal gesproken zouden de contracten nu opnieuw getekend moeten worden, echter als je mij per mail kan bevestigen dat jij op 04-09-2024 in [plaats] het leasecontract getekend hebt, en op 03-09-2024 in [plaats] de mantelovereenkomst hebt getekend is dat ook afdoende. (…)”
Vanaf het e-mailadres [email 1] is op deze mail gereageerd:
“Hierbij bevestig ik, [gedaagde] , dat ik op 4 september 2024 de leaseovereenkomst in [plaats] heb getekend en op 3 september 2024 de mantelovereenkomst heb getekend.
Met vriendelijke groet,
[gedaagde] ”
Uit het contract volgt dat maandelijks een bedrag van € 1.399,00 inclusief btw moet worden voldaan. Dit is meerdere keren niet gebeurd. Om die reden heeft LPFS het leasecontract op 27 januari 2026 tussentijds beëindigd. Als gevolg van de beëindiging moest de auto worden ingeleverd. Dit is niet gebeurd.
Op 20 april 2026 heeft LPFS tegen [gedaagde] aangifte van verduistering gedaan bij de politie.
LPFS heeft Fidron ingeschakeld om onderzoek te doen en te interveniëren in de communicatie met [gedaagde] . In dat kader heeft Fidron op 22 april 2026, voor zover hier belang, het volgende gerapporteerd:
“Na ontvangst van het dossier werd meerdere malen geprobeerd om contact te leggen met mevrouw [gedaagde] via telefoon, Whatsappp en e-mail. Daarbij werd gewezen op de betalingsachterstand en het vervallen van de getroffen betalingsregeling. Ondanks toezeggingen bleef verdere betaling uit en werd inhoudelijk contact steeds lastiger. (…) Tijdens het onderzoek werd contact gelegd met de broer van mevrouw [gedaagde] . Hij gaf aan dat zijn zus tijdelijk afwezig was en verklaarde dat zij had gezegd dat het voertuig was gestolen. Verdere concrete informatie over de locatie van het voertuig werd niet verkregen. (…)
Debiteurgegevens
Naam Mevr. [gedaagde] ( [gedaagde] ) [gedaagde]
(…)
E-mail [email 2] ”
Op 11 juni 2026 heeft [naam 2] namens Tracer verklaard dat hij in het kader van het onderzoek naar de diefstal van de auto op 11 juni 2026 de sleutel met afstandsbediening en card van de auto heeft ontvangen van [gedaagde] . Onder het bewijs van ontvangst zijn twee handtekeningen zichtbaar, één namens Tracer en één bij de naam van [gedaagde] .
Op 30 juni 2026 heeft de broer van [gedaagde] schriftelijk verklaard:
“(…) Ik heb de auto destijds bij Shift Up opgehaald en deze op naam van mijn zus laten registreren. Tevens heb ik het contract zonder haar medeweten ondertekend en aan Shift Up geretourneerd.
Op een later moment heb ik de auto voor een reparatiebeurt achtergelaten bij [locatie]. Gedurende de periode dat de auto daar stond, is deze gestolen. (…)”
3 Het geschil
LPFS vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
-
dat de kantonrechter [gedaagde] gebiedt om de auto binnen 48 uren af te geven bij LPFS, dan wel om er volledig aan mee te werken dat LPFS het voertuig bij [gedaagde] ophaalt op kosten van [gedaagde] ;
-
veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan haar van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij zich niet houdt aan de hoofdveroordeling, met een maximum van € 30.000,00;
-
veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan haar van € 22.101,56, te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand, althans de wettelijke handelsrente, met ingang van de dag van dagvaarding;
-
veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis.
LPFS legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Omdat het leasecontract is beëindigd, moet [gedaagde] de auto inleveren. Dat heeft zij niet gedaan. Daarnaast moet zij de openstaande facturen en de contractuele beëindigingskosten van 25% van de nog resterende maanden (44) op het leasecontract betalen. Dit volgt uit de algemene bepalingen. Verder moet [gedaagde] de kosten van de incasso-organisatie die LPFS heeft ingeschakeld om de auto in te nemen, Fidron, betalen.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van LPFS, met veroordeling van LPFS in de kosten van deze procedure. Zij voert aan dat niet zij, maar haar broer zijn handtekening heeft gezet onder de leaseovereenkomst met LPFS. In 2024 is zij er door een telefoontje van LPFS achter gekomen dat haar broer de overeenkomst op haar naam was aangegaan. Daarna is zij nooit meer gealarmeerd geraakt, omdat LPFS de correspondentie later naar een ander e-mailadres heeft gestuurd, dat toebehoort aan haar schoonzus. Pas begin 2026 ontving [gedaagde] voor het eerst aanmaningen per post. [gedaagde] heeft de auto niet en kan die dus ook niet afgeven. Voor wat betreft de gevorderde bedragen voert [gedaagde] aan dat zij, als zij de overeenkomst zelf zou zijn aangegaan, een beroep zou kunnen doen op de reflexwerking van het consumentenrecht.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat LPFS daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De spoedeisendheid is erin gelegen dat de auto, waarvan LPFS het eigendomsrecht heeft, niet is ingeleverd en de schade voor LPFS oploopt zo lang zij de auto niet in haar bezit heeft.
De kantonrechter oordeelt dat LPFS voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de overeenkomsten gesloten zijn door [gedaagde] . Daarbij weegt de kantonrechter de volgende dingen mee.
Uit de door LPFS overgelegde stukken blijkt dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst zowel een bankpas en een rijbewijs op naam van [gedaagde] als ook een aangifte inkomstenbelasting zijn ontvangen op naam van [gedaagde] . Nu als uitgangspunt uitsluitend [gedaagde] over die passen en de aangifte beschikt en zij deze in beginsel dus als enige aan LPFS kan verstrekken, terwijl de termijnbetalingen ook bij voortduring zijn verricht vanaf de bankrekening die is gekoppeld aan de bankpas en de daarbij behorende rekening op naam van [gedaagde] , is dat een sterke aanwijzing dat de overeenkomsten wel degelijk door [gedaagde] zijn aangegaan.
[gedaagde] heeft echter aangevoerd dat haar broer toegang had tot haar e-mailadres en dat hij via haar e-mailadres aan LPFS heeft bevestigd dat zij de contracten op 3 en 4 september 2024 heeft getekend. Ook zou hij toegang hebben tot haar rijbewijs. Verder wijst [gedaagde] op het e-mailadres in het systeem van LPFS, dat op enig moment is gewijzigd van het e-mailadres van [gedaagde] naar het e-mailadres van haar schoonzus ( [email 2] ). De kantonrechter acht het zonder nadere toelichting, die ontbreekt, echter niet aannemelijk dat de broer van [gedaagde] toegang had tot zowel haar e-mailadres, haar rijbewijs, haar bankpas en haar aangifte inkomstenbelasting 2023. Bovendien zou dat ook vereisen dat de broer van [gedaagde] de mailbox van [gedaagde] actief in de gaten hield, aangezien de door LPFS verstuurde e-mail over de handtekening al binnen enkele uren werd beantwoord. Voor wat betreft het e-mailadres van de schoonzus van [gedaagde] geldt dat [gedaagde] dit zelf heeft opgegeven bij Fidron, zoals door LPFS is toegelicht ter zitting aan de hand van de rapportage in het dossier en niet is betwist door [gedaagde] .
Ten tweede vindt de kantonrechter voldoende aannemelijk dat [gedaagde] zelf degene is geweest die bij Tracer één van de twee autosleutels heeft ingeleverd. Dit omdat de handtekening bij haar naam onder het bewijs van ontvangst lijkt overeen te komen met de handtekening op haar rijbewijs. Dat dit toch anders zou zijn heeft [gedaagde] , die niet is verschenen bij de mondelinge behandeling op 15 september 2026, niet weersproken. Voor zover zij zich op het standpunt wenste te stellen dat zij niet degene is geweest die de autosleutel heeft ingeleverd, had het op haar weg gelegen om bij de mondelinge behandeling te verschijnen en daar te reageren op de stellingen en aanvullende stukken van LPFS en om vragen van de kantonrechter te beantwoorden. Nu zij dat niet heeft gedaan, gaat de kantonrechter vooralsnog ervan uit dat de sleutel door [gedaagde] zelf is ingeleverd. Hieruit blijkt dat [gedaagde] ten minste één van de twee sleutels zelf in haar bezit had.
Een nadere aanwijzing dat de overeenkomsten door [gedaagde] zelf zijn aangegaan ziet de kantonrechter in de omstandigheid dat [gedaagde] zelf heeft verklaard dat zij al sinds eind 2024 van op de hoogte was dat er een leasecontract was aangegaan op haar naam. Deze verklaring acht de kantonrechter niet aannemelijk, omdat in die situatie niet valt te verklaren waarom zij daarover geen opmerkingen heeft gemaakt naar LPFS. [gedaagde] heeft in dat kader aangevoerd dat zij in een gewetensconflict is geraakt omdat het haar broer betreft. Dat betoog kan de kantonrechter, gelet op het aanzienlijke bedrag dat maandelijks vanaf haar rekening werd betaald alsmede de grote financiële risico’s die zij liep in het geval dat niet zou worden betaald, niet volgen zonder een nadere toelichting van de kant van [gedaagde] . Daarbij weegt de kantonrechter ook mee dat bij zij ook naar Fidron daarover niets heeft verklaard terwijl zij wel met Fidron heeft gesproken. Dat zij met Fidron heeft gesproken blijkt uit de rapportage van Fidron en is door [gedaagde] ook niet betwist. Dit had in het geval van een dergelijk onderzoek wel voor de hand had gelegen en dat geldt al helemaal omdat het voertuig volgens [gedaagde] op enig moment ook nog zou zijn gestolen.
[gedaagde] beroept zich op de reflexwerking van het consumentenrecht. Zij voert in dat kader aan dat zij actief was als ZZP’er in de zorg en dat in feite sprake was van schijnzelfstandigheid. Tegenwoordig werkt zij weer in loondienst. LPFS heeft in dit kader aangevoerd dat [gedaagde] als kleine zelfstandige niet automatisch gelijk kan worden gesteld aan een consument. [gedaagde] heeft de overeenkomst gesloten in de uitoefening van haar bedrijf en het betrof een zakelijke, netto operationele lease, een leasevorm die niet wordt afgesloten door consumenten. De afspraken zijn ook niet in onbegrijpelijke taal opgesteld. Gelet op deze omstandigheden ziet de kantonrechter voorlopig geen grondslag voor het toepassen van reflexwerking. Dit betekent dat de bedingen uit de leaseovereenkomst en de algemene bepalingen niet zullen worden getoetst aan het consumentenrecht.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van LPFS, met uitzondering van het hierna genoemde, zullen worden toegewezen. [gedaagde] zal worden geboden de auto in te leveren en een bedrag van € 22.101,56 zal worden toegewezen, aangezien de daaraan ten grondslag gelegde berekening niet is weersproken. Dit bedrag bestaat uit € 4.197,00 aan 75% van de leasetermijnen van februari tot en met mei 2026, € 15.389,02 aan 25% van de resterende 44 maanden dat het contract zonder beëindiging had voortgeduurd en € 1.116,54 aan kosten van Fidron. LPFS heeft hieraan de algemene bepalingen ten grondslag gelegd. Nu LPFS het contract op 27 januari 2026 heeft beëindigd, kan zij de algemene bepalingen echter niet ten grondslag leggen aan de vordering tot betaling van termijnen die na de beëindigingsdatum liggen. De kantonrechter zal deze vordering daarom toewijzen als schadevergoeding.
LPFS heeft over dat bedrag contractuele rente van 1,5% gevorderd. [gedaagde] is weliswaar in verzuim, maar nu het contract is beëindigd, kan LPFS de contractuele rente niet meer vorderen. Ook de wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar, omdat het toegewezen bedrag ziet op schadevergoeding. Daarom zal in plaats daarvan de wettelijke rente worden toegewezen.
De vordering om [gedaagde] te gebieden er volledig aan mee te werken dat LPFS het voertuig bij haar op kosten van [gedaagde] ophaalt zal worden afgewezen, omdat deze kosten nog niet vaststaan.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LPFS worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
127,08 |
|
|
- griffierecht |
€ |
139,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
577,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
987,08 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter
gebiedt [gedaagde] om het voertuig van het merk en type BMW 3-serie met kenteken [kenteken] in originele staat, met alle toebehoren zoals sleutels en papieren, binnen een termijn van 48 uren na betekening van dit vonnis af te geven op het adres [adres] ,
veroordeelt [gedaagde] om aan LPFS een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,
veroordeelt [gedaagde] om aan LPFS te betalen een bedrag van € 22.101,56, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover, vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 987,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026. |
||
66351