beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/790447 / FA RK 26-5272
Beschikking van 28 september 2026 betreffende wijziging provisionele voorziening ex art. 223 Rv
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna mede te noemen de man,
advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren te Gilze,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna mede te noemen de vrouw,
advocaat mr. H. Shawky te Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam,locatie Amsterdam,hierna te noemen: de Raad.
1 De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoek van de man, ingekomen op 1 juli 2026;
-
het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 04 september 2026;
-
het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 7 september 2026;
-
het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 11 september 2026;
-
het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 13 september 2026.
Namens de man is bezwaar gemaakt tegen de op 13 september 2026 ingediende stukken, vanwege overschrijding van de drie dagen termijn. De rechtbank heeft de stukken – hoewel deze te laat zijn ingediend – toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van strijd met de goede procesorde.
De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 14 september 2026.
Gehoord zijn:
- de man, bijgestaan door mr. C.A.E.C.J.M Hooft, waarnemend advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- mevrouw [naam] namens de Raad.
Mr. Shawky heeft spreekaantekeningen overgelegd.
2 De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, welke relatie is beëindigd.
Partijen hebben tezamen het navolgende minderjarige kind:
[minderjarige] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024.
De man heeft [minderjarige] erkend.
De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
3 Het verzoek
De man verzoekt de rechtbank bij beschikking de voorlopige contactregeling, zoals bij
beschikking van 3 december 2025 is bepaald, te wijzigen in die zin dat de minderjarige:
-
in de ene week bij de man verblijft vanaf vrijdagmiddag tot zondagavond, waarbij de vrouw de minderjarige naar de man brengt en de man de minderjarige terugbrengt naar de vrouw;
-
in de andere week verzoekt de man de rechtbank om de minderjarige bij zich te hebben van vrijdagavond tot zaterdagavond, waarbij de vrouw de minderjarige naar de man brengt en de man de minderjarige terugbrengt naar de vrouw.
De vrouw voert verweer en verzoekt de rechtbank bij wege van zelfstandig verzoek:
-
de verzoeken van de man tot uitbreiding van de zorgregeling afte wijzen;
-
de beschikking van 3 december 2025 te wijzigen in die zin dat de zorgregeling beperkt wordt tot drie online contactmomenten per week, alsmede te bepalen dat die online contactmomenten slechts kunnen plaatsvinden wanneer de man niet onder invloed is;
-
de proceskosten in onderhavige procedure te compenseren.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.
4 De beoordeling
Bij beschikking van 3 december 2025 (C/13/776149 / FA RK 25-7312 voorlopige voorziening ex 223 Rv en C/13/775794 / FA RK 25-7095 bodemprocedure) heeft de rechtbank als provisionele voorziening bepaald:
dat [minderjarige] voorlopig contact met de vader zal hebben:
-
in de ene week op zaterdagochtend voorafgaand aan zijn middagslaapje gedurende 2,5 uur, onder begeleiding van de ouders van de vader, dan wel een andere tussen de vader en de moeder overeengekomen derde partij zoals Het Opstapje;
-
in de andere week zal [minderjarige] van zaterdagochtend tot zondagmiddag bij de vader verblijven, onder begeleiding van de ouders van de vader, dan wel een andere tussen de vader en de moeder overeengekomen derde partij zoals Het Opstapje, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt.
In de bodemprocedure heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd een onderzoek verrichten en daartoe de volgende vragen aan de Raad gesteld:
-
hoe dient de zorgregeling met de vader er qua aard, duur en frequentie uit te zien?
-
is voor [minderjarige] en/of de ouders (nadere) hulpverlening noodzakelijk?
-
heeft de Raad nog andere adviezen?
De zaak is ten aanzien van de (definitieve) zorgregeling aangehouden tot 1 juni 2026.
De Raad heeft bij bericht van 12 mei 2026 laten weten dat zij verwacht het onderzoek eind december 2026 af te ronden.
Wijziging van omstandigheden
Een beschikking houdende voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv kan worden gewijzigd of ingetrokken indien de omstandigheden na het geven van de beschikking zijn gewijzigd, dan wel indien bij het geven van de beschikking is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, waardoor de voorlopige voorzieningen, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, niet in stand kunnen blijven. De rechtbank beoordeelt eerst of sprake is van gewijzigde omstandigheden die een wijziging van die voorziening rechtvaardigen.
De man stelt dat het contact, zoals bepaald bij de beschikking in de eerdere provisionele voorziening van deze rechtbank, tussen hem en [minderjarige] goed verliep. Om die reden heeft de man aan de vrouw gevraagd om de contacten uit te breiden, omdat er opbouw in het contact moet plaatsvinden. De vrouw heeft dit geweigerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat de vrouw – nadat de man het verzoek om de provisionele voorziening te wijzigen had ingediend – de zorgregeling tussen hem en [minderjarige] heeft stopgezet. De man heeft nu alleen nog contact met hem via videobellen.
De vrouw voert aan dat het fysieke contact tussen de man en [minderjarige] de afgelopen periode niet meer heeft plaatsgevonden. Dit kwam doordat de moeder van de man de begeleiding hiervan niet meer voor haar rekening kan nemen vanwege gezondheidsklachten. De vrouw heeft geen vertrouwen in contact zonder begeleiding. Het raadsonderzoek is nog niet gestart en er is nog veel onduidelijk. Voorts is het zo dat tijdens de contactmomenten die hebben plaatsgevonden de rustmomenten van [minderjarige] niet in acht zijn genomen door de man. Ook is volgens de vrouw gebleken dat de man regelmatig weer onder invloed was. Er heeft verder een incident plaatsgevonden aan de deur bij de overdracht van [minderjarige] waarbij de man de voet en hand tussen de deur heeft gezet. Vanwege deze redenen heeft de vrouw het contact stopgezet.
De vrouw stelt daarnaast dat de regeling die vastgesteld is bij beschikking van 3 december 2025 niet voldoet. Naast de geschetste problemen met het ontbreken van begeleiding en het voortduren van het drankgebruik van de man en het gebruik van overige verdovende middelen, speelt ook de gezinssituatie van de vrouw een rol. De vrouw heeft nog drie andere kinderen die in de weekenden ook de aandacht van de vrouw nodig hebben. Als de vrouw dan naar [plaats] moet rijden elke zaterdag en weer terug, is dat voor haar en haar gezin een enorme belasting en ook voor [minderjarige] zelf die nog veel rust nodig heeft. Om deze redenen wenst de vrouw dat de vastgestelde regeling vervalt en er alleen nog online contact plaatsvindt tussen de man en [minderjarige], tot het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming is afgerond en blijkt dat een uitbreiding van de zorgregeling in het belang van [minderjarige] is.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een wijziging van omstandigheden die een wijziging van de eerder bij beschikking van 3 december 2025 getroffen provisionele voorziening rechtvaardigt. De enkele omstandigheid dat de man meent dat een opbouw van de zorgregeling dient plaats te vinden, levert geen wijziging van omstandigheden op. Bij de eerdere beschikking is reeds een zorgregeling vastgesteld. Deze regeling wordt in de bodemprocedure geëvalueerd en ook zal de Raad de rechtbank dan adviseren over een passende zorgregeling naar de toekomst toe. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat het raadsonderzoek binnen een aantal weken zal starten. Van de man kan worden gevergd dat hij dit onderzoek afwacht.
De man heeft – anders dan aangevoerd door de vrouw – verklaard dat zijn ouders, opa en oma, nog steeds de omgang kunnen begeleiden. Het gaat beter met de gezondheid van oma. Op dit punt is dan ook niet komen vast te staan dat de omgang niet meer begeleid kan worden, waardoor evenmin sprake is van een wijziging van omstandigheden. Ook de door de vrouw geuite zorgen betreffen, welke door de man worden betwist, zijn geen nieuwe zorgen. Op dit punt is dus ook geen sprake van een wijziging van omstandigheden. Dat de vrouw ver moet rijden naar [plaats] is eveneens geen wijziging van omstandigheden. Dit was immers ook al het geval ten tijde van de vorige beschikking. De rechtbank zal de verzoeken van partijen dan ook afwijzen.
Het voorgaande betekent dat partijen zich moeten blijven houden aan de bij beschikking van 3 december 2025 bepaalde regeling. De rechtbank verwacht van beide ouders dat zij uitvoering zullen geven aan deze regeling en merkt hierbij op dat het niet aan een van de ouders is om deze regeling eenzijdig aan te passen.
Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie.
5 De beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.C.M. Oude Hengel, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K.E. Luijckx, griffier, op 28 september 2026.