ECLI:NL:RBAMS:2026:7953

Datum uitspraak
05-08-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/13/790275 / FA RK 26/5206
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Klachtverzoek tegen medicatie. Ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/790275 / FA RK 26/5206

Beslissing over een klacht ex artikel 10:7 lid 1 en 10:11 van de Wet verplichte geestelijke

gezondheidszorg (Wvggz).

Beschikking van 5 augustus 2026 van de rechtbank Amsterdam op het ingediende verzoekschrift van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats],

wonende te [adres 1],

verblijvende te [adres 2],

hierna te noemen: verzoeker,

advocaat: mr. N. de Vos te Amsterdam,

tegen de beslissing van de klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken (hierna: de

klachtencommissie) van 26 mei 2026.

Als belanghebbende in deze procedure wordt aangemerkt:

de zorgaanbieder, AMC,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: verweerder.

1 Procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het beroepschrift met bijlagen, ontvangen door de griffie op 29 juni 2026;

- het verweerschrift van verweerder.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 24 juli 2026 in het gebouw van de verweerder. Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:

- betrokkene;

- mr. P. Jeeninga namens mr. N. de Vos, raadsvrouw van betrokkene;

- dhr. [naam 1], psychiater;

- mw. [naam 2], arts.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van 4 maart 2026 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoeker een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden. De zorgmachtiging voorziet onder meer in de mogelijkheid bij wijze van verplichte zorg te kunnen overgaan tot het toedienen van medicatie, het beperken van de bewegingsvrijheid en het opnemen in een accommodatie. Bij beschikking van 28 april 2026 is de zorgmachtiging gewijzigd, in die zin dat is toegevoegd de mogelijkheid bij wijze van verplichte zorg het recht op het ontvangen van bezoek te beperken.

2.2.

Op 10 april 2026, later aangevuld op 13 april 2026, 17 april 2026, 24 april 2026 en 14 mei 2026 heeft de zorgverantwoordelijke het verlenen van verplichte zorg zowel mondeling als schriftelijk aangezegd.

2.3.

Op 22 april 2026 heeft verzoeker bij de klachtencommissie klachten ingediend. Verzoeker klaagt kort gezegd over het toedienen van medicatie. Verzoeker wil geen antipsychotica omdat hij geen klachten ervaart en geen psychische stoornis heeft waardoor hij geen behandeling nodig heeft.

2.4.

De zorgverantwoordelijke heeft verweer gevoerd tegen de klacht.

2.5.

De klachtencommissie heeft op 26 mei 2026 de klachten van verzoeker ongegrond verklaard. De beslissing is op 27 mei 2026 telefonisch aan verzoeker meegedeeld en op 1 juni 2026 aan verzoeker toegezonden.

3 Het verzoek

3.1.

Verzoeker kan zich niet verenigen met de beslissing van de klachtencommissie. Verzoeker

verzoekt het besluit van 26 mei 2026 van de klachtencommissie te vernietigen en, opnieuw

rechtdoende, te bepalen de klachten van verzoeker gegrond te verklaren en te bepalen dat

verweerder is gehouden de door verzoeker geleden schade naar redelijkheid en billijkheid te

vergoeden.

4 De standpunten

Verzoeker

4.1.

Het standpunt van verzoeker blijkt uit het verzoekschrift. Verzoeker voert inhoudelijk verweer tegen het toedienen van medicatie. Verzoeker meent dat de medicatie onterecht is omdat er geen sprake is van een stoornis in de geestvermogens. Daarnaast is verzoeker niet in kennis gesteld van het schriftelijke besluit tot het verlenen van verplichte zorg, in de vorm van het toedienen van medicatie.

Ter zitting heeft verzoeker aangegeven nog steeds niet blij te zijn met de medicatie. Hij heeft al één keer een depot gehad, dat werkt voor de komende maand.

4.2.

De advocaat van verzoeker heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en de volgende verweren toegevoegd. De motivering om over te gaan tot toediening van medicatie is zeer algemeen. Het enkel benoemen van het criterium in de beslissing ex. art. 8:9 Wvggz is ontoereikend. Daarnaast was het ernstig nadeel al afgewend door een opname en dwangmedicatie daardoor niet noodzakelijk. Uit de beschikking van de zorgmachtiging volgt dat de opname nodig was voor diagnostiek. Daarvoor is het belangrijk – gezien de uitsluitingscriteria onder DSM om schizofrenie vast te kunnen stellen – dat verzoeker drugsvrij is. In de kliniek is dit niet gelukt omdat dit via bezoek naar binnen werd gesmokkeld. Tegelijkertijd is echter ook dwangmedicatie toegepast. Er was een minder belastend alternatief dan het toedienen van medicatie, namelijk het beperken van het recht op ontvangen van bezoek ten behoeve van abstinentie. Daartoe is de zorgmachtiging gewijzigd bij beschikking van 28 april 2026 en als verplichte zorg ingezet vanaf 17 april 2026. Het effect van het toepassen van deze vorm van verplichte zorg had eerst moeten worden afgewacht voordat, in plaats van tegelijkertijd, dwangmedicatie werd toegepast.

Verweerder

4.3.

De psychiater verklaart ter zitting dat hij zich kan vinden in de uitspraak van de

klachtencommissie. De psychiater verwijst naar het verweerschrift dat op 24 april 2026 is toegestuurd

naar de klachtencommissie. Daarnaast verklaart de psychiater ter zitting dat verzoeker door de jaren heen psychotische symptomen, achterdocht, wanen en hallucinaties heeft. Er is inderdaad sprake van drugsgebruik, maar ook in periodes dat verzoeker dat niet of minder gebruikt blijven de symptomen aanhouden. De drugs kunnen bijdragen aan de symptomen, maar de diagnose schizofrenie komt niet alleen door drugsgebruik. De optimale behandeling is weliswaar abstinentie van middelen en anti psychotische medicatie, maar ook zonder abstinentie kan alsnog behandeld worden.

Onder de Wvggz kan bij een opname ook een behandeling worden gestart als het voldoet aan de criteria van doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Daar is aan voldaan, de opname was nodig voor diagnostiek en verzoeker is een aantal weken geobserveerd. Daarna is hem vrijwillig medicatie aangeboden, maar dat heeft hij geweigerd. Het beeld bleef consistent en de psychotische symptomen namen niet af. Uit de rapportages van de verpleging volgt dat in de kliniek ook nog sprake is geweest van dreigende situaties en ingrijpmedicatie.

4.4.

Ten aanzien van de doelmatigheid heeft de psychiater verklaard dat het niet doelmatig is iemand wel op te nemen maar niet te behandelen. De opname kan dan onnodig lang duren en daar moet een afweging in worden gemaakt. Betrokkene dreigde zijn woning te verliezen en dat hangt nog steeds boven de markt. Er hoeft maar weinig te gebeuren of dat gaat gebeuren en daar moet een behandeling voor komen. Daarom is er na lange observatie en een periode zonder verplichte medicatie uiteindelijk wel medicatie aangezegd.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken is gebleken dat verzoeker lijdt aan een psychische stoornis. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de diagnose zoals die is gesteld

door de behandelend psychiater en de onafhankelijke psychiater in de medische verklaring die ten

grondslag lag aan de zorgmachtiging van 4 maart 2026. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de

behandelaren in redelijkheid hebben kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder het toedienen

van medicatie kon worden afgewend en dat de inzet van deze verplichte zorg evenredig en naar verwachting

effectief was. Voorts is voldoende aannemelijk dat bij de beslissingen tot dwangmedicatie de

beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid in acht zijn genomen. Dit

klachtonderdeel acht de rechtbank dan ook ongegrond.

5.2.

Nu de door verzoeker ingediende klacht ongegrond wordt verklaard, is er naar het oordeel van

de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van de verzochte schadevergoeding ten aanzien van

verzoeker. De rechtbank wijst het verzoek om een schadevergoeding dan ook af.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1.

verklaart de klacht van verzoeker ongegrond;

6.2.

wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Deze beschikking is op 5 augustus 2026 gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. J.P.C. van Dam van Isselt, rechter, bijgestaan door D.L. Overduin als griffier.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »