vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/335140-23
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1980,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [P.I.] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Hoogerheide en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.A.C. de Bruijn naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de advocaat van de benadeelde partij, mr. S.C. Bunnik, naar voren heeft gebracht.
Er wordt gelijktijdig vonnis gewezen in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/335891-23).
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 15 december 2023 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
1. primair: diefstal met geweld, in vereniging gepleegd, van een bankpas en een hond, toebehorende aan [slachtoffer] ;
subsidiair is dit als medeplichtigheid ten laste gelegd;
2. primair: medeplegen van een poging tot afpersing van een geldbedrag van [slachtoffer] ;
Subsidiair is dit als medeplichtigheid ten laste gelegd;
3. medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft het volgende aangevoerd. De in het dossier genoemde contacten en contactmomenten tussen verdachte en de medeverdachte en de voor deze feiten veroordeelde [persoon] leveren onvoldoende bewijs op voor hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd. Enig ondersteunend (direct) bewijs ontbreekt. Het ontbreken van een alibi van verdachte is, vanwege het tijdsverloop tussen de feiten en de aanhouding, geen ondersteuning voor het scenario dat hij betrokken zou zijn bij de feiten. De camerabeelden zijn ontlastend voor verdachte, omdat hierop zijn lange dreadlocks niet te zien zijn.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van medeplegen en dat hem hoogstens medeplichtigheid te verwijten valt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat uit van de verklaring van aangeefster, die steun vindt in het overige bewijs en die ook niet ter discussie heeft gestaan. Aangeefster heeft – kort samengevat – verklaard dat zij op 15 december 2023 in haar woning in Amsterdam door een man is overvallen. Deze man was de later voor deze feiten veroordeelde [persoon] ,1 die haar onder druk zette om te pinnen en uiteindelijk haar bankpas (onder dreiging) met geweld van haar heeft weggenomen en heeft overgegeven aan andere personen, die hebben geprobeerd ermee te pinnen. Ondertussen werd [persoon] steeds gebeld en werd hem verteld dat het pinnen niet lukte. [persoon] heeft toen tegen de andere personen gezegd dat zij met de bankpas naar het huis van aangeefster moesten komen. Toen zijn er twee mannen naar de woning gekomen, waarna aangeefster € 4.900,00 moest overmaken naar een bankrekeningnummer dat op naam stond van medeverdachte [medeverdachte] . De twee mannen zijn weer vertrokken, terwijl [persoon] in de woning bleef. Later werd [persoon] opnieuw gebeld dat het pinnen niet lukte. [persoon] heeft uiteindelijk ook de woning verlaten en heeft de hond van aangeefster meegenomen en aangeefster daarbij te kennen gegeven dat zij de hond zou terugkrijgen als zij € 15.000,00 zou betalen.
De verklaring wordt ondersteund door de bankrekeninggegevens van aangeefster, waaruit blijkt dat er op 15 december 2023 is geprobeerd om € 4.900,00 van de bankrekening van aangeefster over te maken naar een rekeningnummer op naam van [medeverdachte] en dat er op die datum tussen 11.30 en 18.30 uur meerdere (pogingen tot) pinopnames zijn gedaan bij verschillende geldautomaten. Deze geldautomaten bevonden zich onder meer in Albert Heijn-winkels aan de [straat 2] en de [straat 3] . Alle transacties zijn mislukt.
[persoon] is door DNA-sporen in de woning van aangeefster in beeld gekomen. Uit onderzoek aan de telefoon van [persoon] is gebleken dat hij op 15 december 2023 tussen 11.30 en 18.30 uur veelvuldig telefonisch contact heeft gehad met telefoonnummer [telefoonnummer 1] , dat in gebruik was bij verdachte. Dat telefoonnummer stond als ‘sneeuw’ in de telefoon van [persoon] opgeslagen. Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte blijkt dat de telefoon gedurende de overval op 15 december 2023 op meerdere momenten een zendmast in de buurt van de woning van aangeefster heeft aangestraald en op de tijdstippen van de pintransacties steeds in de buurt van het betreffende geldautomaat heeft aangestraald, terwijl omstreeks diezelfde tijdstippen gespreksregistraties zijn tussen de telefoon van verdachte en die van medeverdachte [medeverdachte] en/of [persoon] .
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte] ( [telefoonnummer 2] ) blijkt dat er zowel enkele dagen voor de overval als in de uren tijdens de overval meerdere registraties zijn geweest met het telefoonnummer van verdachte. In de telefoon die onder medeverdachte [medeverdachte] in beslag is genomen, stond het telefoonnummer van verdachte onder ‘ [achternaam verdachte] ’ opgeslagen.
De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte ten tijde van de overval de gebruiker was van de telefoon waaraan telefoonnummer [telefoonnummer 1] gekoppeld was. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn telefoon weleens uitleende, maar heeft ook op doorvragen van de rechtbank zijn verklaring niet nader kunnen of willen concretiseren. Zijn verklaring is dus niet meer dan een blote stelling die op geen enkele manier is te verifiëren. Zijn verklaring suggereert dat verdachte op 15 december 2023 een substantieel deel van de dag (van 11.30 uur tot 18.30 uur) niet over zijn eigen telefoon heeft beschikt. Dit strookt echter niet met de verklaring van verdachte op zitting dat hij weleens anderen liet bellen met zijn telefoon als die geen beltegoed hadden. Als die verklaring al juist zou zijn, dan wekt dat eerder de indruk dat verdachte zijn telefoon kortstondig en niet voor meerdere uren achtereen uitleende. De rechtbank merkt de verklaring van verdachte daarom aan als niet geloofwaardig en schuift deze verklaring dan ook terzijde.
Camerabeelden
Op beelden van de geldautomaten in de Albert Heijn-winkels aan de [straat 2] en de [straat 3] is te zien dat op deze locaties twee verschillende mannen hebben gepind. Op beelden van de buitenzijde van de Albert Heijn aan de [straat 2] is een persoon te zien die lijkt op degene die aan de [straat 3] heeft gepind. Op beelden van het portiek van [straat 1] is tussen 12.22 en 12.24 uur een man te zien die voldoet aan het signalement van degene die aan de [straat 2] heeft gepind. Om 18.01 uur betreden twee mannen het portiek, die om 18.20 uur het gebouw weer verlaten. Deze personen voldoen aan de signalementen van de personen die hebben gepind bij de Albert Heijn-winkels. De verbalisant die de beelden heeft bekeken, verklaart dat de persoon die heeft gepind aan de [straat 3] en die te zien was aan de buitenzijde van de Albert Heijn aan de [straat 2] en in het portiek van [straat 1] grote gelijkenissen vertoont met medeverdachte [medeverdachte] .
Conclusie
Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte betrokken is geweest bij de overval van aangeefster op 15 december 2023. Verdachte heeft tijdens de overval veelvuldig telefonisch contact gehad met [persoon] en met medeverdachte [medeverdachte] . Zijn telefoon straalde steeds zendmasten aan nabij locaties waar is gepind. Daarnaast zijn er beelden van de pintransacties en het portiek van [straat 1] , waaruit blijkt dat een man heeft gepind en er twee mannen het gebouw waarin in de woning van slachtoffer zich bevond, zijn binnengegaan rond het tijdstip waarop twee mannen volgens aangeefster haar woning in zijn gekomen. Aangeefster heeft verklaard dat [persoon] aan de telefoon tegen de personen die aan het pinnen waren zei dat ze met de bankpas moesten komen. Kort hierna deed [persoon] de deur open voor twee mannen. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de personen die hebben gepind dezelfde personen zijn als degenen die in contact stonden met [persoon] en die de woning van aangeefster in kwamen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten. Er is een sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, de medeverdachte en [persoon] . Hiervoor is van belang dat er tijdens de gewelddadige gijzeling van aangeefster veelvuldig telefonisch contact was tussen de drie mannen en dat, terwijl [persoon] in de woning was, verdachte en zijn medeverdachte de pinpas van aangeefster hebben opgehaald Dit duidt op een gezamenlijk plan. Er werd aan [persoon] gemeld dat het pinnen niet lukte, waarop [persoon] zei dat verdachte en de medeverdachte dan naar de woning moesten komen.
Verdachte heeft door te pinnen een essentiële bijdrage geleverd aan het doel waarvoor [persoon] de woning van aangeefster binnen is gegaan; namelijk geld van aangeefster afhandig maken. Verdachte kan ook als medepleger van het geweld worden aangemerkt. Hoewel hij zelf geen actieve geweldshandelingen heeft verricht, gaat het hier om een woningoverval waarbij aangeefster met geweld is overmeesterd en met bedreiging met geweld onder druk is gezet door [persoon] . Het kan niet anders dan dat verdachte daarvan als onderdeel van het plan heeft geweten, als is het maar omdat hij zelf in de woning van aangeefster is geweest en de situatie daar met eigen ogen gezien. Hij heeft toen ook niets gedaan om een einde te maken aan de benarde positie waarin aangeefster verkeerde.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het wegnemen van de hond, omdat [persoon] de hond heeft meegenomen nadat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de woning al hadden verlaten en de uit de bewijsmiddelen niet volgt dat zij daar wetenschap van hebben gehad noch dat het onderdeel zou zijn geweest van het gezamenlijke plan.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van eendaadse samenloop van de in vereniging gepleegde diefstal met geweld, afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1, primair:
op 15 december 2023 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een bankpas die aan [slachtoffer] ( [geboortedag 2] -1952), toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld
en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door
- zich voor te doen als pakketbezorger en een pakketje voor de deur van de woning van die voornoemde [slachtoffer] neer te leggen en vervolgens
- nadat die voornoemde [slachtoffer] de deur van haar woning had geopend, op die
voornoemde [slachtoffer] af te rennen en die voornoemde [slachtoffer] met kracht de woning in te duwen en naar beneden te duwen, ten gevolge waarvan die voornoemde [slachtoffer] ten val kwam en vervolgens
- terwijl die voornoemde [slachtoffer] op de grond lag of zat, een groot mes aan die [slachtoffer] te tonen en (daarbij) de woorden te bezigen: “We willen geld. Anders gaat je kop eraf, of de kop van je hond” en vervolgens
- bij die voornoemde [slachtoffer] tape om haar polsen en schenen te wikkelen en haar vervolgens aan haar voeten mee te slepen naar de keuken en
- een la te openen en daaruit de portemonnee van die [slachtoffer] te pakken en vervolgens daaruit de bankpas van die [slachtoffer] te pakken;
Ten aanzien van feit 2, primair:
op 15 december 2023 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] ( [geboortedag 2] -1952) te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten een geldbedrag van € 4.900,- en €15.000,-), die aan die voornoemde [slachtoffer] toebehoorde
- zich voor te doen als pakketbezorger en een pakketje voor de deur van de woning van die voornoemde [slachtoffer] neer te leggen en vervolgens
- nadat die voornoemde [slachtoffer] de deur van haar woning had geopend, op die
voornoemde [slachtoffer] af te rennen en die voornoemde [slachtoffer] met kracht de woning in te duwen en naar beneden te duwen, ten gevolge waarvan die voornoemde [slachtoffer] ten val kwam en vervolgens
- terwijl die voornoemde [slachtoffer] op de grond lag of zat, een groot mes aan die [slachtoffer] te tonen en (daarbij) de woorden te bezigen: “We willen geld. Anders gaat je kop eraf, of de kop van je hond” en vervolgens
- bij die voornoemde [slachtoffer] tape om haar polsen en schenen te wikkelen en haar vervolgens aan haar voeten mee te slepen naar de keuken en
- de woorden heeft gebezigd: “we willen 15.000 euro cash” en die [slachtoffer] heeft aangespoord om te gaan pinnen en
- tegenover die [slachtoffer] met het voornoemde mes heeft gezwaaid en daarbij gezegd dat “als zij de pincode niet geeft, hij de kop van haar hond zou afsnijden” en die [slachtoffer] heeft laten inloggen op haar internetbankieren en die [slachtoffer] de opnamelimiet van haar bankrekening heeft laten aanpassen en die [slachtoffer] heeft aangespoord om €4900,- over te schrijven naar een ander bankrekeningnummer,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van feit 3:
op 15 december 2023 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] ( [geboortedag 2] -1952) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
- nadat die voornoemde [slachtoffer] de deur van haar woning had geopend, op die voornoemde [slachtoffer] af te rennen en die voornoemde [slachtoffer] met kracht de woning in te duwen en naar beneden te duwen, ten gevolge waarvan die voornoemde [slachtoffer] ten val kwam en vervolgens
- terwijl die voornoemde [slachtoffer] op de grond lag of zat, een groot mes aan die [slachtoffer] te tonen en daarbij de woorden te bezigen: “We willen geld. Anders gaat je kop eraf, of de kop van je hond” en vervolgens
- bij die voornoemde [slachtoffer] tape om haar polsen en schenen te wikkelen en haar vervolgens aan haar voeten mee te slepen naar de keuken en
- die [slachtoffer] vervolgens voor meerdere uren, althans langere tijd in haar woning te houden en
- die [slachtoffer] voor enige tijd op een stoel te zetten met haar gezicht naar de muur en
- die [slachtoffer] voor enige tijd een fleecedeken over haar hoofd te plaatsen.
6 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in de strafmaat rekening gehouden moet worden met de veroordeling van verdachte in Finland van 7 november 2025 tot een gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden. Hoewel het een buitenlandse veroordeling betreft, geldt de geest van artikel 63 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onverminderd. Ook heeft de verdediging verzocht om in de strafmaat rekening te houden met eendaadse samenloop van de feiten.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan diefstal met geweld, poging tot afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het slachtoffer is urenlang in haar woning vastgehouden door de mededader, waarbij er gedreigd is met geweld en er ook geweld op haar is toegepast. Ondertussen heeft verdachte met medeverdachte [medeverdachte] geprobeerd om geld te pinnen van haar rekening. Toen dit niet lukte, zijn verdachte en medeverdachte naar de woning van slachtoffer gegaan. Verdachte heeft toen kunnen zien hoe slachtoffer werd behandeld en vastgehouden en heeft niets gedaan om een einde te maken aan de situatie, die voor het slachtoffer enorm beangstigend moet zijn geweest. In plaats daarvan heeft verdachte met zijn mededaders het slachtoffer gedwongen om geld over te maken op de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte] . De rechtbank weegt dit strafverzwarend mee.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 26 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer een geweldsfeit, bedreiging, en vermogensfeiten en dat de onderhavige feiten tijdens een lopende proeftijd van een eerdere veroordeling zijn gepleegd.
Hoewel op de Finse veroordeling formeel gezien artikel 63 Sr niet van toepassing is, zal de rechtbank analoog aan artikel 63 Sr met deze veroordeling rekening houden.
De aard en ernst van de feiten waarvoor verdachte wordt veroordeeld, rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere jaren. Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en met de straf die in de zaak van mededader [persoon] is opgelegd. De mededader is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Hoewel verdachte voor medeplegen wordt veroordeeld, ook ten aanzien van het geweld, houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte zelf geen geweldshandelingen heeft verricht. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Zij komt tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 132,62 aan vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook verzoekt zij de rechtbank om aan verdachte een contact- en locatieverbod ex artikel 38v Sr op te leggen.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. Het gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om een maatregel conform artikel 38v Sr aan verdachte op te leggen. Er is sinds de feiten, voor zover bekend, geen contact geweest met het slachtoffer. Mocht er op een later moment wel aanleiding bestaan om een contact- of locatieverbod op te leggen, dan kan dat in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling worden vormgegeven.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1, primair, feit 2 primair en feit 3:
eendaadse samenloop van
diefstal met geweld, in vereniging gepleegd,
poging tot medeplegen van afpersing
en
medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier (4) jaren.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 132,62 (honderdtweeëndertig euro en tweeënzestig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 15 december 2023, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 5.132,62 (vijfduizend honderdtweeëndertig euro en tweeënzestig eurocent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. M. Smit en N.A.M. Buurman, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E. Willeboer en S. Kwiyasse, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 maart 2026.
[....]
[....]
[....]
[....]
[....]
[....]
[....]
[....]
[....]
[....]
[....]
[....]
[....]
[....]