RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11444357 \ CV EXPL 24-15756
Vonnis van 29 mei 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
COEO SECURITISATION LIMITED,
gevestigd te Dublin (Ierland),
eisende partij,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 november 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
Vanwege de buitenlandse vestigingsplaats van eisende partij moet de kantonrechter ambtshalve de bevoegdheid van de Nederlandse rechter toetsen. Geoordeeld wordt dat de kantonrechter op grond van artikel 4 lid 1 van de in deze toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Op grond van Verordening 593/2008 (Rome I) is Nederlands rechts van toepassing.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
Eisende partij stelt in de dagvaarding dat zij de vordering gecedeerd heeft gekregen van Klarna Bank AB, gevestigd te Stockholm (hierna: Klarna). Eisende partij stelt verder dat gedaagde partij online, via de webwinkel van ZARA, producten heeft besteld. Gedaagde partij heeft ervoor gekozen om achteraf te betalen met een achteraf betaalservice, aangeboden door Klarna.
Op grond van het door eisende partij gestelde is sprake van een overeenkomst op afstand, zodat moet worden getoetst of is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW). De bestelling is geplaatst in het jaar 2022.
Eisende partij stelt dat ZARA aan vorenbedoelde informatieplichten heeft voldaan en verwijst naar schermafdrukken van het online bestelproces. De kantonrechter kan aan de hand van de overgelegde schermafdrukken echter niet vaststellen of ZARA ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tegenover gedaagde partij aan haar informatieplichten heeft voldaan, omdat de schermafdrukken ongedateerd zijn. Voor zover de schermafdrukken al ter onderbouwing zouden kunnen dienen, volgt daaruit dat meerdere essentiële informatieplichten voortvloeiend uit artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW worden geschonden. Zo blijkt uit de knop waarmee het bestelproces wordt afgesloten niet dat een betalingsverplichting wordt aangegaan (artikel 6:230v lid 3 BW) en wordt tijdens het bestelproces geen informatie over het ontbindingsrecht verstrekt (artikel 6:230m lid 1 onder h BW).
Eisende partij stelt verder dat algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn verklaard. De overgelegde algemene voorwaarden dateren echter van september 2023 (dat blijkt uit pagina 18, waar staat “Bijgewerkt in september 2023”), terwijl de overeenkomst tussen ZARA en gedaagde partij een jaar eerder is gesloten in 2022. Zonder toelichting hierover, die ontbreekt, kan niet van de toepasselijkheid van de overgelegde algemene voorwaarden worden uitgegaan.
Gedaagde partij heeft volgens eisende partij gekozen voor betaling achteraf via Klarna. Achteraf betalen is een vorm van kredietverstrekking, zodat de consumentrechtelijke bepalingen die daarop betrekking hebben moeten worden getoetst. Dat is niet mogelijk zonder stellingen hierover en de betalingsvoorwaarden van Klarna die van toepassing worden verklaard. Deze betalingsvoorwaarden heeft eisende partij niet in het geding gebracht. Daardoor kan evenmin worden vastgesteld of er bedingen aan de onderhavige vordering ten grondslag hadden kunnen worden gelegd en zo ja, of die bedingen oneerlijk zijn in de zin van de richtlijn.
Eisende partij heeft de voor de beoordeling van belang zijnde feiten op meerdere onderdelen niet volledig aangevoerd, waardoor zij het de kantonrechter onmogelijk heeft gemaakt om het in overweging 2.2 omschreven ambtshalve onderzoek uit te voeren. Eisende partij heeft dan ook niet volledig voldaan aan haar stelplicht. Dat leidt tot afwijzing van de vordering.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.
3 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vordering af,
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.
991