vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/077764-26
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L. Vermeulen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.P.G. van der Weide naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Verdachte wordt vervolgd vanwege zijn betrokkenheid bij een verkeersongeval op 19 december 2025 in Amsterdam. Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd
1. primair: dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW). Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg (overtreding van artikel 5 WVW);
2. dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een bromscooter na gebruik van een meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol (overtreding van artikel 8 WVW).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en de onder 2 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Volgens haar is het rijgedrag van verdachte te kwalificeren als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend ten gevolge waarvan het verkeersongeval heeft plaatsgevonden en het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde. Verdachte reed weliswaar op de trambaan en was onder invloed van alcohol maar ging er vanuit dat het slachtoffer niet zou oversteken. Het verwijt dat verdachte gemaakt wordt is dan ook onvoldoende voor enige mate van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarnaast betwist de raadsman dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel nu het slachtoffer volledig hersteld lijkt te zijn. Er is wel sprake van zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1
Op 19 december 2025 rijdt verdachte op zijn bromscooter2 over de Mauritskade, komende vanuit de richting van de Zeeburgerstraat en gaande in de richting van het Alexanderplein.3 Verdachte is op enig moment op de verhoogde tram-busbaan gaan rijden om naar eigen zeggen een voor hem rijdende auto in te halen.4 Op de Mauritskade is verdachte tegen het latere slachtoffer [slachtoffer] – die op dat moment ter hoogte van de Dapperstraat doende was om te voet over te steken – aangereden.5
Het verkeersongeval is vastgelegd op een beveiligingscamera van een winkel in de buurt. De camerabeelden zijn ter terechtzitting afgespeeld.
[slachtoffer] heeft ten gevolge van het ongeval breuken in zijn rechterheup en linkerduim opgelopen.6 Hiervoor is hij behandeld in het BovenIJ Ziekenhuis, waarbij onder andere permanent een metalen pen in de rechterheup is geplaatst.7
Uit onderzoeksresultaten van de adamanalyse is gebleken dat verdachte verkeerde onder invloed van alcohol (415 µg/l).8
Op 14 oktober 2021 is aan verdachte voor de eerste keer een rijbewijs categorie AM afgegeven en op 28 november 2024 voor de eerste keer een rijbewijs categorie B.9
Beoordeling van feit 1 primair (artikel 6 WVW)
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
Vaststaat dat verdachte meerdere beslissingen heeft genomen waarmee hij de verkeersregels heeft overtreden. Verdachte heeft met zijn bromscooter op een trambaan gereden, terwijl hij daar niet mocht rijden, en was daarnaast onder invloed van alcohol. De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte het slachtoffer, zoals hij zelf heeft verklaard, op enig moment aan de zijkant van de weg heeft gezien, maar dat hij er niet vanuit ging dat hij zou oversteken. Dat bleek achteraf een cruciale inschattingsfout van verdachte te zijn. Vaststaat dat verdachte onvoldoende zicht heeft gehouden op de verkeerssituatie en zijn snelheid niet zodanig geregeld had dat hij in staat was om tijdig te remmen dan wel uit te wijken waardoor hij tegen het slachtoffer is aangereden. Gelet op het voorgaande is verdachte naar het oordeel van de rechtbank ernstig tekortgeschoten in de voorzichtigheid en oplettendheid die van hem als bestuurder van een bromscooter mag worden verwacht. Er zijn geen factoren gesteld of gebleken die maken dat verdachte, ondanks het voorgaande, geen verwijt kan worden gemaakt.
Voorzover de raadsman heeft willen betogen dat sprake is van medeschuld van het slachtoffer door over te steken waar dat niet is toegestaan, merkt de rechtbank het volgende op. In zijn algemeenheid geldt dat de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer en/of een derde, schuld aan de zijde van de verdachte niet opheft. In zeer uitzonderlijke gevallen kan dit anders zijn. De onvoorzichtigheid van de ander(en) moet dan zo groot zijn geweest dat de onvoorzichtigheid van de verdachte te gering wordt om schuld in de zin van artikel 6 WVW op te leveren. Daarvan is in dit geval geen sprake.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke mate van schuld bij verdachte kan worden bewezen. Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, waarbij de laatst genoemde vorm geldt als de zwaarste vorm van schuld. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.10
Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval - zoals hiervoor overwogen - is de rechtbank van oordeel dat het ongeval aan verdachte zijn schuld te wijten is, omdat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. De rechtbank acht daarvoor met name de combinatie van rijden op de trambaan terwijl dat niet is toegestaan, met een zodanige snelheid dat niet meer op tijd kon worden geremd of uitgeweken en dit alles terwijl verdachte onder invloed van alcohol was van belang.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het letsel van [slachtoffer] gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 WVW. De ernst van het letsel, de noodzaak en aard van (eventueel) medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zijn gezichtspunten die van belang zijn bij het beoordelen of juridisch gezien sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank stelt vast dat het hiervoor omschreven letsel van [slachtoffer], dat is veroorzaakt door het ongeval, van dien aard was dat medisch ingrijpen noodzakelijk was. Uit een verklaring van [slachtoffer] van 26 januari 2026 blijkt bovendien dat tijdens de operatie een metalen pen met schroeven in zijn heup is geplaatst welke permanent moet blijven zitten, hij afhankelijk is van een rollator en het onbekend is hoe lang het revalideren duurt. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.
Beoordeling van feit 2 (artikel 8 WVW)
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, ook dit feit kan worden bewezen.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1
primair
op 19 december 2025 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een bromscooter, daarmede heeft gereden over de weg, de Mauritskade, zich zodanig, te weten aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor aan een ander, genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht, te weten breuken in de rechter heup en de linker duim,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de Mauritskade, komende vanuit de richting van de Zeeburgerstraat, en gaande in de richting van het Alexanderplein,
- terwijl verdachte beginnend bestuurder was en
- terwijl verdachte onder invloed was van alcohol,
verdachte heeft - in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) - niet zoveel mogelijk rechts gehouden, immers is hij op de verhoogde tram-busbaan gaan rijden om een voor hem rijdende auto in te halen, en
verdachte heeft in onvoldoende mate gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die Mauritskade en verdachte heeft de snelheid van die door hem, verdachte bestuurde bromscooter niet zodanig geregeld dat hij, verdachte in staat was om voornoemde bromscooter tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die de weg kon overzien en waarover deze vrij was van enig (kruisend) verkeer, en
verdachte heeft een voetganger, te weten [slachtoffer], die bezig was om de Mauritskade van rechts naar links over te steken, niet tijdig opgemerkt, en is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;
2
op 19 december 2025 te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een bromscooter, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 415 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen zeven jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs voor de categorie AM of T is afgegeven (14 oktober 2021) en hij op het tijdstip van die afgifte de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Motivering van de straffen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) voor de duur van 18 maanden zal worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring van artikel 6 WVW de gevorderde taakstraf substantieel te matigen en geen OBM op leggen vanwege de proceshouding van verdachte, zijn jeugdige leeftijd en de omstandigheid dat hij niet eerder met politie in aanraking is geweest.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft als beginnend bestuurder, terwijl hij onder vloed was van alcohol, een verkeersongeval veroorzaakt waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. [slachtoffer] zal, zo blijkt uit zijn verklaring, de rest van zijn leven met een metalen pen in zijn heup moeten leven en de nodige beperkingen die daarbij komen kijken. Dit is een ernstig feit, omdat in het verkeer medeweggebruikers op elkaar moeten kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van de verkeersregels die ten behoeve van de veiligheid zijn opgesteld.
Uit het strafblad van verdachte van 3 augustus 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld op grond van de WVW.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht; de vertrekpunten die strafrechters hanteren bij het bepalen van straffen. Bij een bewezenverklaring van artikel 6 WVW waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, zwaar lichamelijk letsel en gebruik van alcohol (< 570 µg/l) , wordt een taakstraf van 160 uur met daarnaast een OBM voor de duur van 18 maanden als uitgangspunt genoemd.
De rechtbank ziet mede in het licht van de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de mate van schuld, waarbij naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak sprake is van de ondergrens van aanmerkelijke schuld, aanleiding om in het voordeel van verdachte af te wijken van het uitgangspunt. De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om vanuit het oogpunt van recidivebeperking een deels voorwaardelijke straf op te leggen. De rechtbank weegt daarbij mee dat verdachte schuldbewust overkomt en als gevolg van de aanrijding en de alcoholcursus die hij bij het CBR volgt, in lijkt te zien dat hij nooit meer moet rijden met alcohol op.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uur passend. Daarnaast legt de rechtbank verdachte een OBM op voor de duur van zes maanden. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte al sinds december 2025 niet meer over een rijbewijs beschikt.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
9 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2
eendaadse samenloop van
- overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval
betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, van deze wet;
en
- overtreding van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.
Ten aanzien van feit 1 primair
Ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor zes maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.A. Spoel, voorzitter,
mrs. A.L. op ‘t Hoog en Q.M.J.A. Crul, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 oktober 2026.
[…]