ECLI:NL:RBAMS:2026:10189

Datum uitspraak
15-10-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
13/225609-25 en 13/149466-26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Discriminatiezaak. Veroordeling voor groepsbelediging van Joden wegens hun ras/godsdienst door het vergoelijken van de Holocaust (137c lid 2 Sr). Ook veroordeling voor belediging van ambtenaren tijdens een demonstratie. Straf: een taakstraf van 20 uren geheel voorwaardelijk.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/225609-25 (A) en 13/149466-26 (B) (ter terechtzitting gevoegd) (Promis)

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[BRP adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 oktober 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D. Gaasbeek, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

in zaak A

belediging van ambtenaren op 27 juli 2025;

in zaak B

groepsbelediging van Joden wegens hun ras/godsdienst door het vergoelijken van internationale misdrijven en/of het ontkennen of verregaand bagatelliseren van internationale misdrijven op 2 april 2026.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De raadsman heeft ter terechtzitting, bij wijze van preliminair verweer, aangevoerd dat de dagvaarding nietig is, omdat uit de tenlastelegging onvoldoende blijkt waartegen verdachte zich moet verdedigen.

De rechtbank heeft dit verweer ter terechtzitting verworpen. Uit de aangifte en het verhoor van verdachte blijkt dat verdachte wist dat de verdenking ziet op het vergoelijken van de Holocaust. De dagvaarding is daarmee naar het oordeel van de rechtbank geldig. Deze beslissing is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting.

De rechtbank heeft verder vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ook ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten kunnen worden bewezen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in zaak A partieel moet worden vrijgesproken voor het onderdeel “politie hoerenzonen” nu verdachte heeft verklaard dat hij deze uiting niet heeft gedaan, terwijl overigens sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op zijn vrijheid van meningsuiting. In zaak B dient verdachte vrijgesproken te worden omdat zijn uitspraken zijn gericht tegen de Israëlische regering en niet tegen Joden vanwege ras of religie. Daarnaast had verdachte geen opzet op het vermeende vergoelijken van internationale misdrijven.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De feiten die voor liggen schuren tegen bepaalde grondrechten aan. In Nederland is veel vrijheid voor expressie en overtuiging, bijvoorbeeld tijdens deelname aan demonstraties. In beginsel mag veel gezegd worden, maar er zitten grenzen aan het toelaatbare. De vraag die hier voorligt is of deze grenzen door verdachte zijn overschreden.

4.3.1.

Het oordeel in zaak A

De rechtbank is op grond van het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten en de deels bekennende verklaring van verdachte van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belediging van ambtenaren werkzaam bij de politie. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het op ambtsedig opgesteld proces-verbaal van de daarbij aanwezige verbalisanten. De uitingen zijn in het openbaar gedaan, hebben zonder meer een beledigende strekking en waren geen onderdeel van het maatschappelijke debat. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de uitingen zoals opgenomen in de tenlastelegging, bewezen kunnen worden.

4.3.2.

Het oordeel in zaak B

Feiten en omstandigheden

Niet ter discussie staat dat verdachte tijdens een (openbare) pro-Palestina demonstratie op [plein] ten overstaan van ongeveer 70 toeschouwers op 2 april 2025 door een de microfoon de volgende uitlatingen heeft gedaan: "(...) De nieuwe nazi's, de nieuwe nazi's in Israël, anders kan ik ze niet noemen. De fascisten, de apartheidregime. De nazi's in Israël. Ik zou bijna zeggen: Jammer! Jammer dat het toen niet afgemaakt is. Vul het zelf maar in. Jammer dat ooit niet afgemaakt is. Anders zaten wij niet met deze gezwel. Met dit kanker! Wat je nu ziet is gewoon gezwel. Kanker! En kanker is niet te genezen. Het gezwel moet je bestralen om van af te komen.(...)".

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze uitlatingen voldoen aan de vereisten van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (Sr), waarin belediging van een groep strafbaar is gesteld.

Juridisch kader

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn toetsingscriteria ontwikkeld (onder andere ECLI:NL:HR:2018:541) met betrekking tot de vraag of sprake is van belediging van een groep mensen. Deze criteria sluiten aan bij het door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ontwikkelde stappenplan om klachten over schending van vrijheid van meningsuiting ex artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) te beoordelen. Daarvoor moeten de volgende vragen worden beantwoord:

  1. heeft de uitlating – op zichzelf en in de context bezien – de strekking om een groep mensen te beledigen wegens hun ras, godsdienst, levensovertuiging, hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke of verstandelijke handicap? Zo ja,

  2. is de uitlating gedaan in een bepaalde context die het beledigend karakter daarvan mogelijk wegneemt vanwege het in artikel 10 lid 1 EVRM verzekerde recht op vrijheid van meningsuiting? Zo ja,

  3. moet de uitlating niettemin als onnodig grievend worden aangemerkt?

Voor de beoordeling of sprake is van groepsbelediging moet allereerst worden gekeken naar de feitelijke uitlating en naar de samenhang met de overige omstandigheden. Om te beoordelen of een uitlating woordelijk beledigend is, dient een objectieve toets plaats te vinden waarbij van belang is of een uitlating naar algemeen spraakgebruik beledigend is. De Hoge Raad heeft overwogen dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen (ECLI:HR:2001:AB3143). De uitlating moet daarnaast over een groep mensen of haar kenmerk gaan.

Artikel 137c lid 2 sub c Sr stelt een specifieke vorm van groepsbelediging strafbaar, namelijk wanneer sprake is van uitingen waarbij internationale misdrijven zijn vergoelijkt, ontkend en/of verregaand gebagatelliseerd. Uit de toelichting bij de invoering van dit artikel volgt dat het bij ‘vergoelijken van een internationaal misdrijf’ naar algemeen spraakgebruik gaat om het goedpraten daarvan, waarin een positief waardeoordeel over het begane misdrijf besloten ligt. Te denken valt aan het goedkeuren of verheerlijken van zo’n misdrijf. Daarnaast volgt uit de toelichting dat, vanwege het uitzonderlijke karakter van de Holocaust, de vergoelijking, ontkenning of verregaande bagatellisering daarvan wordt geacht een beledigend karakter te hebben voor de Joodse gemeenschap.1

i. Gaan de uitlatingen over een groep mensen wegens een discriminatiegrond en zijn deze beledigend?

De rechtbank stelt vast dat de uitlating tweeledig is. Ten eerste richt deze zich op bepaalde personen en entiteiten: ‘De nieuwe nazi’s in Israël, de fascisten, het apartheidsregime’. Verdachte roept ten aanzien van die personen en entiteiten de metafoor ‘kanker/gezwel’ op, dat volgens hem bestreden moet worden. Uit de bewoordingen en de context van de toespraak volgt dat verdachte zich richt tot degenen die verantwoordelijk worden geacht voor het beleid van de staat Israël en de acties jegens Palestijnen en niet op Joden als religieuze of etnische groep. De rechtbank is daarmee van oordeel dat deze uitlating betrekking heeft op een groep mensen op basis van hun gedrag en politieke handelen, waardoor geen sprake is van een discriminatiegrond zoals bedoeld in artikel 137c Sr. De rechtbank zal verdachte voor deze uitlatingen dan ook vrijspreken van groepsbelediging.

Het tweede deel van de uitlating luidt: “Ik zou bijna zeggen: Jammer! Jammer dat het toen niet afgemaakt is. Vul het zelf maar in. Jammer dat ooit niet afgemaakt is”. De rechtbank stelt vast dat hier een open, suggestieve uitroep wordt gedaan die de luisteraar aan het denken zet over de betekenis ervan.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met het ‘niet afmaken’ refereerde aan het verzet tijdens de Intifada’s en niet aan de Holocaust. Voor de beoordeling is niet de subjectieve intentie van verdachte beslissend, maar hoe de woorden van verdachte naar objectieve maatstaven moeten worden geïnterpreteerd. De rechtbank vindt gelet op de samenhang en de formulering van de bewoordingen dat deze uitlating naar objectieve maatstaven onmiskenbaar de associatie met de Holocaust oproept. Het betreft een open, suggestieve uitroep waarbij de interpretatie wordt overgelaten aan de toehoorder (‘Vul het zelf maar in’). Daarnaast suggereren de woorden ‘Ik zou bijna zeggen’ dat er een taboe rust op hetgeen niet letterlijk wordt gezegd. De uitlating gaat over een gebeurtenis die niet zou zijn afgemaakt en is gedaan vlak nadat verdachte de woorden ‘nazi’s’, ‘fascisten’, ‘Israël’ en ‘apartheidsregime’ uitsprak. Daarmee is de associatie met de Holocaust gegeven. Tegelijkertijd wordt nergens in de toespraak genoemd dat verdachte niet de Holocaust, maar de Intifada’s bedoelde. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze uitlating over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of religie gaat en aldus ziet op een discriminatiegrond in de zin van artikel 137c Sr.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte met deze uitlating de Holocaust heeft vergoelijkt. De woorden ‘Jammer, jammer dat het toen niet afgemaakt is (…) Jammer dat het ooit niet afgemaakt is’ brengen onmiskenbaar tot uitdrukking dat wordt betreurd dat de Holocaust niet volledig is afgemaakt. Daarmee wordt een positief waardeoordeel over de Holocaust gegeven, waardoor de Holocaust wordt vergoelijkt. De uitlating is daarom beledigend in de zin van artikel 137c lid 2 Sr.

ii. Zijn de uitlatingen gedaan binnen een context die het beledigende karakter daarvan ontneemt?

De rechtbank overweegt dat de demonstratie werd gehouden naar aanleiding van de omstreden uitbreiding van de doodstraf in Israël, waar het Israëlische parlement eerder die week mee instemde. Verdachte richt zich in zijn toespraak op het beleid van de Israëlische staat en de verantwoordelijken voor acties tegen Palestijnen, met name het gebruik van de doodstraf in Gaza en de mogelijke discriminatoire toepassing daarvan. De boodschap die wordt uitgedragen betreft scherpe, emotionele kritiek op de Israëlische regering, bedoeld om het onrecht jegens Palestijnen aan de kaak te stellen en de toehoorders bewust te maken van de huidige toestand aldaar. De uitlatingen van verdachte moeten in die context van het maatschappelijke debat worden geplaatst.

iii. Is de uitlating onnodig grievend?

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of er een wanverhouding bestaat tussen de mate van grievendheid van de uiting en de mate van functionaliteit van de uiting het maatschappelijke debat. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft tijdens zijn toespraak (impliciet) verwezen naar de Holocaust en een positief waardeoordeel daaraan verbonden. Verdachte heeft geroepen: ‘jammer dat het ooit niet afgemaakt is’. Het goedpraten van zo’n grove misdaad is naar het oordeel van de rechtbank niet functioneel voor de boodschap die wordt uitgedragen en gaat veel verder dan nodig om het punt te maken. De rechtbank oordeelt dat de uiting onnodig grievend is en daarmee strafbaar in de zin van artikel 137c lid 2 Sr.

Opzet

De rechtbank is van oordeel, gelet op de aard, context en de inhoud van de uitlatingen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitlatingen beledigend zouden kunnen zijn. Verdachte heeft de uitlatingen via een microfoon gedaan in een politiek geladen context en voor vele toehoorders op [plein] . Hij moet zich er dus van bewust zijn geweest dat zijn woorden door een breed publiek gehoord zouden kunnen worden. De woorden: ‘Ik zou bijna willen zeggen’ en ‘Vul het zelf maar in’, onderschrijven dat hij zich kennelijk bewust was van de gevoeligheid van zijn woorden, die hij desondanks uitsprak. De rechtbank vindt daarom (voorwaardelijk) opzet op de groepsbelediging bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in zaak A

op 27 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk ambtenaren, te weten [agent 1] en [agent 2] (beiden werkzaam als agent bij de Politie Eenheid Amsterdam), gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "Politie fascisten", "Staatsterroristen" en "Politie hoerenzonen";

in zaak B

op 2 april 2026 te Amsterdam, zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras of godsdienst,door het vergoelijken van een van de feiten als omschreven in de artikelen 3 tot en met 6, 7, tweede lid, en 8 tot en met 8b van de Wet internationale misdrijven of een van de feiten als omschreven in artikel 6 van het Handvest van de Internationale Militaire Rechtbank, gehecht aan het Verdrag van Londen van 8 augustus 1945, te weten door in het openbaar met versterkt geluid op [plein] te Amsterdam de volgende uitingen te doen:"Ik zou bijna zeggen: Jammer! Jammer dat het toen niet afgemaakt is. Vul het zelf maar in. Jammer dat ooit niet afgemaakt is.".

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in zaak A aangevoerd dat het dossier geen bewijs bevat dat verdachte zijn uiting heeft gedaan als gevolg van disproportioneel geweld van de politie tegen demonstranten. Verdachte is daarom strafbaar.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in zaak A aangevoerd dat strafrechtelijke sanctionering een ontoelaatbare inbreuk op de door artikel 10 EVRM beschermde vrijheid van expressie van de verdachte vormt en/of niet proportioneel is voor wat betreft het daarmee te bereiken doel. De uiting van verdachte is een meningsuiting over disproportioneel politiegeweld en is gedaan in emotie tijdens een demonstratie. Daarom dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat tijdens de demonstatie op 27 juli 2025 disproportioneel geweld tegen demonstranten is gebruikt en dat hij daardoor boos was. Dat verdachte zich zou richten op de politie als instituut en dat zijn uiting het gevolg was van disproportioneel politieoptreden vindt geen steun in het dossier. De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 10 EVRM niet aan de strafbaarheid van verdachte in de weg staat en verwerpt het gevoerde verweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem in zaken A en B onder 1 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat aan verdachte een artikel 9a Sr moet worden opgelegd omdat hij en zijn onderneming door alle media-aandacht in kwaad daglicht zijn gesteld en dat hij te maken heeft gehad met vele bedreigingen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat een taakstraf voor de feiten buitenproportioneel is en dat een geldboete passender is.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Het recht op demonstratie is een fundamenteel recht in Nederland. De rechtbank stelt voorop dat er veel gezegd mag worden, ook uitingen die kwetsen, verontrusten en choqueren. Men mag forse kritiek op overheden geven. Verdachte heeft in deze zaak de grens van het toelaatbare echter overschreden. Verdachte heeft de politie in het openbaar en via versterkt geluid uitgemaakt voor fascisten, terroristen en hoerenzonen, terwijl de politie juist ten behoeve van de maatschappij demonstraties faciliteert en ervoor zorgt dat alles goed en veilig verloopt. Verdachte heeft daarmee het gezag van de politie ondermijnd en de betrokken politieagenten in hun eer en goede naam aangetast. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan groepsbelediging van Joden door het vergoelijken van de Holocaust. Verdachte heeft kenbaar gemaakt dat hij vanuit emotie en oprechte betrokkenheid bij de heersende problematiek in Gaza uitingen heeft gedaan. Dat rechtvaardigt echter niet de uitlating die verdachte heeft gedaan. De rechtbank vindt de uitingen kwalijk en rekent dit verdachte aan. De op te leggen straf is er mede in gelegen dat verdachte begrijpt dat dit niet (nogmaals) mag gebeuren en dient als stok achter de deur. De rechtbank vindt een geldboete vanwege de aard en ernst van de uitingen niet passend.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte geen relevant strafblad heeft. Verdachte heeft verklaard dat hij sinds de toespraak op 2 april 2026 op zakelijk en persoonlijk vlak veel te verduren heeft gehad, doordat zijn uitingen breed in de media zijn uitgemeten. De rechtbank weegt dat in strafmatigende zin mee bij het bepalen van de straf.

De straf

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank legt op een taakstraf voor de duur van 20 uren, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 266, 267 en 137c van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

in zaak A

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

in zaak B

zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras of hun godsdienst, door het vergoelijken van artikel 6 van het Handvest van de Internationale Militaire Rechtbank, gehecht aan het Verdrag van Londen van 8 augustus 1945

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

in zaak A en zaak B

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 20 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 dagen.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. A.Ş. Doğan en C.S. Groefsema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. van den Berg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2026.

[…]

[…] […]

[…]

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »