ECLI:NL:RBAMS:2026:10168

Datum uitspraak
15-10-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
13.218985.25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Een 30-jarige man is net als zijn 36-jarige medeverdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk omdat zij op 28 juni 2025 een man probeerde te doden. Zij schopten en sloegen hem meermaals tegen zijn lichaam en hoofd op de Postjesweg in Amsterdam waarbij het slachtoffer flink letsel opliep. De politie vond hem nadien bebloed en nauwelijks aanspreekbaar. Ook moesten zij ruim 9.500 euro schadevergoeding betalen. Daarvoor zijn zij hoofdelijk aansprakelijk. Dat betekent dat zij niet meer hoeven te betalen voor wat de ander al heeft betaald en andersom.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.218985.25

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

1 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. L. van Eck Rasmussen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.N.A. Brouns, naar voren hebben gebracht.

2 Beschuldiging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij op 28 juni 2025 geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Onder 1 is die geweldpleging primair ten laste gelegd als een poging doodslag, subsidiair als een zware mishandeling en meer subsidiair als een poging zware mishandeling, waarbij de beschuldiging steeds luidt dat verdachte dit met een of meer anderen of alleen heeft gedaan. Onder 2 is die geweldpleging als openlijke geweldpleging ten laste gelegd.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsvraag

4.1

Inleiding

De politie treft [slachtoffer] in de vroege ochtend van 28 juni 2025 na een melding van een vechtpartij aan op de Willem Roelofstraat in Amsterdam. Hij ligt op zijn rug op de grond, met ontbloot bovenlichaam, met bloed op en rondom zijn mond en met zijn hoofd in een plasje bloed. Op 1 juli 2025 doet hij aangifte. Hij verklaart dat hij met twee jongens in bakkerij [naam bakkerij] aan de Jan Tooropstraat in Amsterdam onenigheid heeft gekregen en dat die twee jongens daarna buiten geweld tegen hem hebben gepleegd.

De rechtbank zal moeten beoordelen of verdachte en de gelijktijdig berechte medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) de twee jongens zijn over wie [slachtoffer] heeft verklaard en zo ja welke geweldshandelingen kunnen worden vastgesteld en vervolgens hoe die juridisch moeten worden gekwalificeerd. Het dossier bevat daartoe, naast de verklaring van [slachtoffer] , onder meer camerabeelden van bakkerij [naam bakkerij] , camerabeelden van de geweldpleging tegen [slachtoffer] , herkenningen door de politie van verdachte en [medeverdachte] op basis van de camerabeelden van bakkerij [naam bakkerij] en een verklaring van een arts over het letsel van [slachtoffer] . Verdachte en [medeverdachte] hebben betrokkenheid bij de geweldpleging ontkend dan wel zich op hun zwijgrecht beroepen.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bewezen dat verdachte en [medeverdachte] zich tezamen en in vereniging hebben schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer] en dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] , zoals onder 2 is ten laste gelegd.

4.3

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van beide ten laste gelegde feiten, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte één van de daders is. Daartoe heeft zij allereerst de herkenning van verdachte op de beelden van bakkerij [naam bakkerij] betwist. Voor het geval wel wordt uitgegaan van die herkenning heeft zij betwist dat kan worden vastgesteld dat die persoon, verdachte, ook één van de geweldplegers tegen [slachtoffer] was.

De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit dat, ook als er wel vanuit wordt gegaan dat verdachte één van de geweldplegers tegen [slachtoffer] was, vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde moet volgen. De camerabeelden en verklaring van [slachtoffer] bieden namelijk te weinig specifieke informatie over de geweldshandelingen om (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel vast te kunnen stellen. Verder kan het bij [slachtoffer] vastgestelde letsel – een gebroken neus, huidbeschadigingen en bloeduitstortingen – niet als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt.

De raadsvrouw heeft subsidiair – uitgaande van verdachte als één van de geweldplegers tegen [slachtoffer] – geen opmerkingen gemaakt over de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging.

4.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 primair taste gelegde medeplegen van poging tot doodslag en de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging bewezen. De rechtbank grondt deze beslissing op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. In aanvulling daarop en in reactie op hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank nog het volgende.

Verdachte en [medeverdachte] zijn de daders van de geweldpleging tegen [slachtoffer]

Aangever heeft verklaard dat de twee jongens met wie hij onenigheid kreeg in bakkerij [naam bakkerij] ook de twee jongens waren die geweld tegen hem hebben gepleegd. Deze verklaring vindt ondersteuning in de omstandigheid dat de geweldpleging zeer kort na de onenigheid in de bakkerij op een locatie dichtbij bakkerij [naam bakkerij] heeft plaatsgevonden, zo volgt uit de camerabeelden van bakkerij [naam bakkerij] en de beelden van de geweldpleging. Ook is van belang dat op de camerabeelden van bakkerij [naam bakkerij] is te zien en horen dat één van de jongens in de bakkerij op een gegeven moment voor [slachtoffer] gaat staan, een begeleidende beweging maakt naar de in-/uitgang van bakkerij [naam bakkerij] en zegt: “Bro kom naar buiten’. Dit duidt erop dat er buiten een vervolg zou komen op de onenigheid in de bakkerij.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de twee jongens in bakkerij [naam bakkerij] met wie [slachtoffer] onenigheid had ook de geweldplegers tegen hem zijn.

Dat deze twee jongens verdachte en [medeverdachte] zijn, stelt de rechtbank vast op basis van de herkenningen door de politie van verdachte en [medeverdachte] op stills van beelden van bakkerij [naam bakkerij] . Beide verdachten zijn namelijk eerst herkend door opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar] , die beide verdachten ambtshalve kende. De rechtbank acht deze herkenningen betrouwbaar, omdat die zijn gedaan op basis van scherpe stills van beelden uit de bakkerij en specifiek, met lichaamskenmerken en andere details, zijn onderbouwd. Vervolgens zijn beide verdachten ook herkend door opsporingsambtenaar Zondervan. Dit betreft herkenningen op basis van vergelijking van stills van beelden van de bakkerij met politiefoto’s van verdachten. Ook deze herkenningen zijn specifiek, met lichaamskenmerken, onderbouwd.

Het toegepaste geweld

De politie heeft op basis van een Whatsapp video de geweldshandelingen van verdachte en [medeverdachte] tegen [slachtoffer] beschreven. Deze video is ook in het dossier gevoegd.

De rechtbank gaat bij de vaststelling van de door verdachte en [medeverdachte] gepleegde geweldshandelingen uit van de beschrijving van de beelden door de politie. De rechtbank heeft de beelden ook zelf bekeken en vastgesteld dat de beschrijving door de politie, bezien in het licht van de verklaring van [slachtoffer] en het bij hem geconstateerde letsel, adequaat is. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat waar de politie beschrijft dat in de richting van een lichaamsdeel van [slachtoffer] wordt geslagen of geschopt ook daadwerkelijk sprake is van het raken van [slachtoffer] . Daarbij is van belang dat te zien is dat [slachtoffer] een aantal keer beweegt nadat er in zijn richting wordt geslagen of geschopt. Daaruit leidt de rechtbank af dat het gaat om rake slagen en schoppen. Ook het geconstateerde letsel bij [slachtoffer] – onderhuidse bloeduitstorting bij rechteroog, gebroken neus, bloeduitstorting onder transparante slijmvlies van rechteroog, slijmvliesbeschadiging van de tong, huidbeschadiging op rechterelleboog, onderhuidse bloeduitstorting op de voorkant van de borstkas – is in dit verband redengevend.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de vaststelling van de volgende geweldshandelingen tegen [slachtoffer] :

  • NN2 schopt [slachtoffer] als [slachtoffer] op de grond ligt;

  • NN2 slaat [slachtoffer] vier keer;

  • NN2 houdt [slachtoffer] bij zijn hoofd dan wel nek vast, terwijl NN1 [slachtoffer] schopt;

  • NN1 slaat [slachtoffer] twee keer tegen het hoofd terwijl NN2 [slachtoffer] vasthoudt;

  • NN1 schopt tegen het hoofd van [slachtoffer] terwijl NN2 [slachtoffer] vasthoudt;

  • NN2 schopt tegen het hoofd van [slachtoffer] ;

  • NN1 slaat tegen het hoofd van [slachtoffer] ;

  • NN1 schopt tegen het hoofd dan wel bovenlichaam van [slachtoffer] ;

  • NN2 schopt tegen hoofd dan wel lichaam van [slachtoffer] terwijl [slachtoffer] op de grond ligt;

  • NN1 schopt tegen het lichaam van [slachtoffer] terwijl [slachtoffer] op de grond ligt.

Medeplegen/’in vereniging’

Uit de hiervoor weergegeven geweldshandelingen volgt zonder meer dat de beide personen die geweld tegen [slachtoffer] hebben toegepast – verdachte en [medeverdachte] – dat in nauwe en bewuste samenwerking hebben gedaan, in de kern bestaande uit een gezamenlijke uitvoering, zodat medeplegen (feit 1) en ‘in vereniging’ (feit 2) kunnen worden bewezen.

Opzet op de dood van [slachtoffer]

De rechtbank acht verder bewezen dat verdachte en [medeverdachte] het voorwaardelijk opzet hadden [slachtoffer] te doden. [slachtoffer] is immers meerdere malen tegen zijn hoofd, een kwetsbaar lichaamsdeel, geschopt en geslagen, waarbij met het doel hem aldaar goed te raken ook het hoofd dan wel de nek van [slachtoffer] is gefixeerd. Uit de beelden blijkt niet van enige geweldshandeling of verzet aan de zijde van [slachtoffer] . Het geweld, telkens gericht op het hoofd van een slachtoffer dat zich niet verzet of verweert, is bovendien met de nodige kracht uitgevoerd. Dat volgt uit de beelden, het letsel en het na het geweld roerloos op de grond blijven liggen van [slachtoffer] . Daarbij overweegt de rechtbank nog dat [slachtoffer] tijdens een deel van de handelingen op een harde (stenen) ondergrond ligt terwijl hij wordt geschopt en geslagen en voor het resterende deel zijn hoofd wordt vastgehouden. Bij de laatste trap door NN1 beweegt [slachtoffer] naar achteren en valt op de grond. Door (onder deze omstandigheden) zo te handelen hebben verdachte en [medeverdachte] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] door hun geweld zou komen te overlijden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1op 28 juni 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,- meermaals (met kracht) (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grondlag) tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt engeslagen en- meermaals (met kracht) (terwijl voornoemde [slachtoffer] op zijnknieën zat) tegen het hoofd heeft geschopt en geslagen terwijl het hoofd vanvoornoemde [slachtoffer] werd vastgehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2op 28 juni 2025 te Amsterdam aan de Postjesweg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit die [slachtoffer] ,- meermaals (met kracht) tegen het hoofd en het lichaam te slaan en te schoppen, tengevolge waarvan die [slachtoffer] ten val kwam en (vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag meermaals (met kracht) tegen het lichaam te slaan en te schoppen en- meermaals (met kracht) (terwijl voornoemde [slachtoffer] op zijn knieën zit) tegen het hoofd te schoppen en te slaan terwijl het hoofd van voornoemde [slachtoffer] werd vastgehouden, terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een contactverbod met [slachtoffer] als bijzondere voorwaarde. Daarbij is de officier van justitie uitgegaan van eendaadse samenloop tussen de bewezen geachte feiten. Verder heeft zij ter onderbouwing van haar vordering de richtlijnen van het Openbaar Ministerie benoemd en gewezen op de ernst van de feiten, in het bijzonder het bij [slachtoffer] toegebrachte letsel en de negatieve impact op zijn leven tot op de dag van vandaag. Ook heeft zij aangevoerd dat de feiten het gevoel van onveiligheid in de samenleving vergroten.

7.2

Standpunt van de raadsvrouw

Voor het geval de rechtbank tot strafoplegging zou komen heeft de raadsvrouw het volgende opgemerkt. Verdachte heeft niet meegewerkt met het opstellen van een reclasseringsrapportage, omdat hij geen hulpvraag heeft. Hij heeft geen problemen op de verschillende leefgebieden. Verder is verdachte first offender.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht geen gevangenisstraf op te leggen.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het bewezen geachte en omstandigheden waaronder dit is begaan

Verdachte heeft zich met zijn mededader schuldig gemaakt aan een heftige geweldsexplosie jegens [slachtoffer] op de openbare weg, waarbij hem flink letsel is toegebracht. Nadat hij was toegetakeld door verdachte en zijn mededader, is hij door de politie bebloed en nauwelijks aanspreekbaar aangetroffen. Het is gelukkig niet zover gekomen, maar verdachte heeft op de koop toegenomen dat [slachtoffer] zou komen te overlijden door het geweld. [slachtoffer] ondervindt tot op de dag van vandaag de negatieve gevolgen van wat hem is overkomen. Verder draagt dergelijk geweld op de openbare weg bij aan de algemene gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Uit het dossier volgt dat aan het geweld onenigheid in een bakkerij tussen verdachte en zijn mededader enerzijds en [slachtoffer] anderzijds is voorafgegaan. Uit de camerabeelden – met geluid – lijkt te volgen dat verdachte en zijn mededader [slachtoffer] een gebrek aan respect jegens een overleden persoon verwijten door voor die persoon een – in de ogen van verdachte en zijn mededader – onwelgevallige bijnaam te gebruiken. Verdachte heeft niet over de omstandigheden willen verklaren en dus geen openheid van zaken gegeven. De rechtbank acht het kwalijk en zorgelijk dat verdachte ineens overgaat tot het toepassen van dergelijk ernstig geweld, omdat een bijnaam hem of zijn medeverdachte kennelijk niet zint.

Persoon van verdachte

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Verder beschikt de rechtbank wat recente informatie over verdachte betreft slechts over de informatie van de raadsvrouw dat verdachte geen problemen op de verschillende leefgebieden heeft. Verdachte heeft niet willen meewerken aan het opstellen van een reclasseringsrapportage en heeft ter zitting niets willen vertellen over zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank kan daarom niet in eventuele strafverminderende zin rekening houden met zijn onbekend gebleven persoonlijke omstandigheden.

Slotsom

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een contactverbod met het slachtoffer als bijzondere voorwaarde, passend en geboden. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder de ernst van de feiten laten meewegen. Met oplegging van het voorwaardelijke deel beoogt de rechtbank te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt en kracht bij te zetten aan de naleving van het contactverbod.

8 Vordering benadeelde partij van [slachtoffer]

8.1

Vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 7.516,45 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit de volgende schadeposten:

  • T-shirt: € 59,50;

  • horloge: € 599,20;

  • tandartskosten: € 2.697,75;

  • verlies van inkomen: € 4.160, -

en € 2.580, - aan vergoeding van immateriële schade in verband met fysiek en geestelijk letsel, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.2

Standpunt van de raadsvrouw van verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering gelet op de bepleite integrale vrijspraak.

Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering wat betreft de gestelde materiële schade, omdat die onvoldoende is onderbouwd. Wat betreft de immateriële schade heeft de raadsvrouw subsidiair opgemerkt dat van blijvend fysiek letsel niet is gebleken en dat het geestelijk letsel onvoldoende is onderbouwd. Dit moet volgens de raadsvrouw leiden tot niet-ontvankelijkverklaring in dit deel van de vordering dan wel tot aanzienlijke matiging van de toe te kennen vergoeding voor immateriële schade.

8.3.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden toegewezen. Daarbij heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

8.4

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is wat betreft de gestelde materiële schade volledig betwist. De rechtbank is echter van oordeel dat alle gestelde materiële schadeposten voldoende zijn onderbouwd.

De rechtbank zal de vordering voor zover die ziet op vergoeding van materiële schade dan ook volledig toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Immateriële schade

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.580,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten: onderhuidse bloeduitstorting bij rechteroog, gebroken neus, bloeduitstorting onder transparante slijmvlies van rechteroog, slijmvliesbeschadiging van de tong, huidbeschadiging op rechterelleboog, onderhuidse bloeduitstorting op de voorkant van de borstkas. De rechtbank kan op basis van de door de benadeelde partij aangeleverde stukken niet vaststellen dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit ook geestelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, in het bijzonder het fysieke letsel, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 2.000, - billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in het deel van zijn vordering dat ziet op immateriële schade. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat daartoe aanhouding van de zaak voor nadere onderbouwing nodig is. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijkheid

De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte het strafbare feit samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Eendaadse samenloop van

  1. medeplegen van poging tot doodslag; en

  2. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarde voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- Veroordeelde mag gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] .

Voorwaarde daarbij is dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van

€ 7.516,45 (zevenduizend vijfhonderdzestien euro en vijfenveertig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- (tweeduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat

€ 9.516,45 (negenduizend vijfhonderdzestien euro en vijfenveertig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 72 (tweeënzeventig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Biçer, voorzitter,

mrs. D.A. Segbedzi en L.A.L. Wiersinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »