ECLI:NL:RBAMS:2026:10156

Datum uitspraak
14-10-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Zaaknummer
13-198674-26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Executie-EAB uit Polen. Na tussenuitspraak om een aanvullende vraag te stellen over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon als bedoeld in artikel 12 OLW: afzien van toepassing van deze weigeringsgrond. Overlevering toestaan.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-198674-26

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 24 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1

Dit EAB is uitgevaardigd op 10 juni 2026 door the Regional Court in Gdánsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Polen),

feitelijk verblijfsadres: [adres] ,

nu gedetineerd in de [detentieadres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De zitting van 22 september 2026

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 22 september 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

De tussenuitspraak van 29 september 2026

Bij deze tussenuitspraak3 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen door de rechtbank geformuleerde vraag over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon als bedoeld in artikel 12 OLW aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.

De zitting van 7 oktober 2026

De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 7 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Aalmoes en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Tussenuitspraak

De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 29 september 2026 al is geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB, over de (dubbele) strafbaarheid van de feiten en over artikel 11 OLW ten aanzien van de detentieomstandigheden in Polen. Wat de rechtbank daarover heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Inleiding

De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 29 september 2026. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank de volgende vraag geformuleerd:

- “Is de oproep voor de zitting in hoger beroep verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres?”

Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft deze vraag op 30 september 2026 gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Op 2 oktober 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende geantwoord:

“In reply to the letter of 30/09/2026 in the case of [de opgeëiste persoon] , this Regional Court in Gdańsk, Criminal Division IV, informs that the notification of the appeal trial was sent to [de opgeëiste persoon] to the address he had provided in the course of the proceedings, he did not collect it despite two postal advice notices left, following which the notification was deemed by the Court served effectively.”

Standpunt van de raadsvrouw

De raadvrouw heeft – samengevat – betoogd dat uit de aanvullende informatie van 2 oktober 2026 niet blijkt wanneer de poststukken voor de zitting in hoger beroep zijn achtergelaten. De opgeëiste persoon was mogelijk in deze periode in een psychiatrische inrichting opgenomen en daarom was hij niet in staat de poststukken op te halen. De behandeling van de zaak zou moeten worden aangehouden om de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen naar de data van het achterlaten van de betreffende poststukken.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen van de situaties als beschreven in artikel 12, onder a tot en met d, OLW, zich voordoen. Van weigering kan echter worden afgezien, omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen. Uit de aanvullende informatie van 21 augustus 2026 volgt dat de opgeëiste persoon erop is gewezen dat deze adresinstructie voor de hele procedure gold. Uit de aanvullende informatie van 2 oktober 2026 blijkt dat de oproep voor de zitting in hoger beroep naar het door opgeëiste persoon opgegeven adres is gestuurd.

Oordeel van de rechtbank

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.4 De rechtbank zal daarom de beslissing van the Regional Court in Gdańsk (V Ka 1844/18) van 18 september 2018 toetsen aan artikel 12 OLW.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank al vastgesteld dat niet gebleken is dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. De rechtbank kan daarom de overlevering weigeren.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe.

De rechtbank leidt uit de aanvullende informatie van 21 augustus 2026 af dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen die zich ook uitstrekte over de procedure in hoger beroep en dat de opgeëiste persoon daar nadrukkelijk op is gewezen. De opgeëiste persoon heeft daadwerkelijk een adres opgegeven. Uit de aanvullende informatie van 2 oktober 2026 blijkt dat de oproep voor de zitting in hoger beroep naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres is gestuurd en ondanks twee afhaalberichten niet door hem is opgehaald.

De rechtbank stelt dan ook vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

De raadsvrouw heeft niet met stukken onderbouwd dat en, zo ja, wanneer de opgeëiste persoon in een psychiatrisch ziekenhuis in Polen heeft verbleven en dat hij mogelijk als gevolg van die opname niet in staat is geweest de betreffende poststukken op te halen. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen wanneer de oproepingen voor de zitting in hoger beroep zijn achtergelaten en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsvrouw af.

5 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 57, 266, 285, 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon], aan the Regional Court in Gdánsk, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,

mrs. L. Sanders en E. de Rooij, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »