RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-376425-24
Datum uitspraak: 23 september 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 30 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 november 2024 door the Prosecutor General’s Office in Florence, Italië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1954 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 september 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een arrest van the Court of Appeal of Florence, van 19 februari 2016, met kenmerk: RGNR 3645/2011 – No. R.G. CAP. 2905/2015 – Sent. 575/2016, en onherroepelijk geworden op 18 mei 2017.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van zes jaren en tien maanden. De opgeëiste persoon is tot deze gevangenisstraf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Italië. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier jaren, acht maanden en twaalf dagen.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.3
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2 OLW geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende informatie van 3 september 2026 over artikel 12 OLW in de vorm van een nieuw EAB is verstrekt, maar dat, behoudens de aangepaste versie van sectie D), de overige onderdelen van het EAB ongewijzigd zijn gebleven. Het nieuwe EAB moet daarom volgens de officier van justitie worden gezien als een aanvulling op het oorspronkelijke EAB en niet als een nieuw, zelfstandig EAB.
Oordeel van de rechtbank
Op 3 september 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit, in antwoord op vragen van de officier van justitie, een brief van de Attorney General of the Republic at the Court of Appeal met aanvullende informatie, in de vorm van een EAB met datering 3 september 2026, toegezonden. De rechtbank beschouwt dit niet als een zelfstandig EAB, maar als een aanvulling op het eerder uitgevaardigde EAB, nu het slechts met betrekking tot onderdeel D) afwijkt van het eerdere EAB. Daarnaast zijn de EAB’s uitgevaardigd door dezelfde uitvaardigende justitiële autoriteit. Verder is de betreffende informatie ook opgenomen in de begeleidende brief, waarna in de brief is vermeld:
“(…) 2) with reference to the above, the European Arrest Warrant is attached containing the update of section D) filled in with the requested indications. (..)”
De rechtbank kan dit niet anders lezen dan dat het EAB met datering 3 september 2026 moet worden gezien als een aanvulling op het EAB van 14 november 2024 en niet als een zelfstandig overleveringsverzoek waar de rechtbank een aparte beslissing over dient te nemen.
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De aangepaste versie van het EAB vermeldt onder D) het volgende:
“d) The person concerned was summoned in person on 13.06.2014 and was therefore informed of the date and place set for the trial that ended with the decision and was informed that a decision could be issued in the event of failure to appear in court. The appeal against the judgment of first instance was filed in the interest of the defendant [de opgeëiste persoon] by the defense counsel, with special power of attorney, avv.to Antonio Bonacci of the Court of Arezzo and lawyer Lorena Ascolillo of the Court of Rome. Lorena Ascolillo of the Court of Rome. It is confirmed that section d) of the MFA has been compiled in relation to the judgment of the Court of Appeal of Florence of 19/2/2026 — RGNR 3645/201, which became final on 19/5/2017. We inform you that after the release from pre-trial detention of [de opgeëiste persoon] on 15.04.2014 and before said sentence, the sentence of the Court of Cassation on 21.11.2014 (filed on 21.05.2015) intervened, which annulled the sentence of the Court of Appeal of Florence of 27.09.2013 limited to the sanctioning treatment with referral to the Court of Appeal. Following this annulment with postponement, the sentence of the Court of Appeal of Florence at the hearing of 19/2/2016 redetermined the sentence in the current terms. The sentence of the Court of Appeal finally became enforceable on 19/5/2017 since the convicted person had filed against the same appeal to the Court of Cassation, which
was rejected. It should be noted that the interested party, in the instances of judgment
subsequent to the first, did not appear in person at the trial that ended with the decision
and was declared in absentia;
(…)
3. the defendant, present in the first instance, was assisted on appeal by Avv. F. Arcangioli, as a procedural substitute for the trusted defense lawyers, the second also domiciled Antonio Bonacci of the Court of Arezzo and Lorena Ascolillo of the Court of Rome”
Standpunt van raadsvrouw
De raadsvrouw heeft over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon een gemachtigd advocaat had en op de hoogte was van de procedure.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.4 De rechtbank zal daarom de beslissing van the Court of Appeal of Florence van 19 februari 2016 toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien.5 De opgeëiste persoon is weliswaar in persoon gedagvaard voor de zitting in eerste aanleg, maar uit de aanvullende informatie van 3 september 2026 blijkt niet dat dit ook het geval is geweest voor de procedure in hoger beroep. De uitvaardigende autoriteit heeft ook niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan.6 Er is dus geen sprake van een van de situaties zoals bedoeld in artikel 12 onder a tot en met d. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van weigering van de overlevering op grond van artikel 12 OLW. Zij licht dat als volgt toe. In het D-formulier over de procedure in hoger beroep, zoals toegevoegd bij de aanvullende informatie van 3 september 2026, is weliswaar niet aangekruist dat de opgeëiste persoon een gemachtigd advocaat had, maar uit datzelfde formulier blijkt wel dat hij in hoger beroep is bijgestaan door een gemachtigd advocaat. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat hij op de hoogte was van alle procedures, dat hij een gemachtigd advocaat had in beide procedures en dat namens hem hoger beroep is ingesteld. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep en dat hij uit eigen beweging afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. De rechtbank is daarom van oordeel dat overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.
5 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Italië een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.7
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek in Italië is aangevangen, de opgeëiste persoon is in Italië veroordeeld en de verdovende middelen zijn in Italië ingevoerd en in beslag genomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt;8
- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:
-
de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie;
-
de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken;
-
de locatie van de slachtoffers;
-
de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen;
-
en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat.9
De rechtbank stelt vast dat, gelet op de omstandigheden die de officier van justitie heeft genoemd, het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen.
7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen.
Kan de opgelegde vrijheidsstraf door Nederland worden overgenomen?
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf.10
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Uit de hiervoor weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf lager is dan de straf die in Nederland maximaal voor een dergelijk feit kan worden opgelegd. Bovendien is de opgelegde sanctie naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. De vrijheidsstraf hoeft daarom niet te worden aangepast.11
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De binding van de opgeëiste persoon met Nederland
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale, taalkundige, culturele en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd.12 De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf?
De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Italië bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland.13 De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat14 en een kopie van het veroordelende vonnis of arrest. Op 9 september 2026 heeft de rechtbank het certificaat en een kopie van het veroordelende arrest ontvangen. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit toestemming gegeven voor overname van de straf door Nederland.
Conclusie
De rechtbank is gelet op het voorgaande bevoegd om de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
8 8. Schorsingsverzoek
De raadsvrouw heeft verzocht na de uitspraak het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW te schorsen tot aan het moment van de tenuitvoerlegging van de overgenomen straf, onder verwijzing naar persoonlijke omstandigheden, waaronder de leeftijd en de gezondheid van de opgeëiste persoon.
De officier van justitie heeft zich hiertegen verzet.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet in wat de raadsvrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW te schorsen tot aan de tenuitvoerlegging van de overgenomen straf. Uitgangspunt bij een dergelijk bevel gevangenhouding is dat schorsing slechts in uitzonderlijke gevallen plaatsvindt. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon bieden daarvoor onvoldoende grond en zijn bovendien niet onderbouwd. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de raadsvrouw af.
9 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon een Nederlander is en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland.
10 Toepasselijke wetsbepalingen
11 Beslissing
WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Prosecutor General’s Office in Florence (Italië) voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [de opgeëiste persoon] .
BEVEELT de gevangenhouding van [de opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. L. Sanders, voorzitter,
mrs. A.B.M. Wijnveldt en M. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van B.C.M. Burger, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.