ECLI:NL:RBAMS:2026:10087

Datum uitspraak
14-10-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Europees civiel recht
Zaaknummer
12307638 \ CV FORM 26-8973
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

EPGV-verzoek. Aan de vordering ligt een huurovereenkomst ten grondslag die ziet op een appartement in Duitsland. De Nederlandse rechter is daarom niet bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer / rekestnummer: 12307638 \ CV FORM 26-8973

Beschikking van 14 oktober 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

procederend in persoon,

tegen

DEPOSITDIRECT FINANCE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verwerende partij,

hierna te noemen: Depositdirect Finance.

1 De procedure

1.1.

Op grond van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna: de EPGV-Verordening) heeft [verzoeker] door middel van het vorderingsformulier A als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de EPGV-Verordening een vordering ingesteld, ontvangen op 1 juli 2026.

1.2.

Depositdirect Finance is bij brief van 14 juli 2026 in de gelegenheid gesteld op de vordering te reageren door formulier C in te vullen en met eventuele bewijsstukken binnen 30 dagen na ontvangst van deze brief te retourneren. De brief is op 16 juli 2026 bezorgd en daarbij is getekend voor de ontvangst.

1.3.

Bij brieven van 24 augustus 2026 is aan partijen bericht dat van Depositdirect Finance geen reactie is ontvangen en dat de rechtbank binnen 30 dagen uitspraak zal doen.

2 De feiten

2.1.

Tussen [verzoeker] als verhuurder en [naam] als huurder is een huurovereenkomst gesloten die betrekking heeft op de huur van een appartement in [plaats] (Duitsland).

2.2.

Op grond van artikel 5 van de huurovereenkomst is de huurder een waarborgsom ‘Mietsicherheit/Kaution’ verschuldigd van € 3.870,00.

2.3.

Depositdirect Finance heeft de vorderingen van [verzoeker] op de huurder overgenomen tot een bedrag van € 3.870,00.

3. De vordering

3.1.

[verzoeker] vordert, na vermindering van eis, de wettelijke rente over de hoofdsom van € 3.870,00, vanaf 1 april 2026 tot de datum waarop de hoofdsom is voldaan, zijnde 3 september 2026. [verzoeker] vordert tevens vergoeding van het door haar betaalde griffierecht van € 265,00.

3.2.

[verzoeker] stelt – samengevat – dat Depositdirect Finance pas na indiening van het verzoekschrift de hoofdsom van € 3.870,00 heeft voldaan.

3.3.

Depositdirect Finance heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het vorderingsformulier te reageren.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 24 lid 1 Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de Verordening Brussel I bis) luidt, voor zover thans van belang:

‘Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:

1. voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. (…)’

4.2.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) volgt dat de exclusieve bevoegdheidsbepaling van (thans) artikel 24 Verordening Brussel I bis niet ruimer mag worden uitgelegd dan het oogmerk ervan verlangt en dat de ratio ervan is gelegen in de omstandigheid dat de rechter van de plaats van ligging van de onroerende zaak, vanwege zijn nabijheid het beste in staat is zich op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie en de ter zake geldende voorschriften en gebruiken van die staat van ligging toe te passen (HvJ EG 10 januari 1990, zaak C-115/88, Jur. 1990, p.1-27 (Reichert en Kockler).

4.3.

De door [verzoeker] ingestelde vordering is gebaseerd op een overeenkomst op grond waarvan Depositdirect Finance de vorderingen die [verzoeker] als verhuurder op de huurder heeft op grond van een huurovereenkomst die ziet op een appartement in Duitsland. Hieruit volgt dat gelet op de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Verordening Brussel I bis de Duitse rechter exclusief bevoegd is.

4.4.

De conclusie is dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. De kantonrechter zal zich daarom onbevoegd verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

de kantonrechter verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op

14 oktober 2026.

33806

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »