RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-199741-26
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 20 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 juni 2026 door the Swedish Prosecution Authority, National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime, Zweden, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] (Oekraïne),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 september 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Oekraïense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Oekraïense nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest van the Svea Court of Appeal van 10 juni 2025, met referentie: B 5370-25.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Zweden. Van deze straf resteren volgens het EAB (ongeveer) nog vier maanden.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.3
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht het onderzoek te heropenen en te schorsen om aanvullende informatie te verkrijgen met betrekking tot artikel 12 OLW. Het staat niet vast of the Svea Court of Appeal de zaak opnieuw ten gronde heeft beoordeeld en, zo ja, of de opgeëiste persoon bij die procedure aanwezig is geweest. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van voormeld artikel, omdat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de procedure in hoger beroep.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Er wordt één uitspraak genoemd in het EAB en aangekruist is dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest. Dat wat is aangekruist – dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was op de zitting – ziet dus op de procedure in hoger beroep. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij aanwezig is geweest op de zitting in hoger beroep, is onvoldoende om de juistheid van de informatie in het EAB in twijfel te trekken.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.4 De rechtbank zal daarom de beslissing van the Svea Court of Appeal van 10 juni 2025 toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank is van oordeel dat er geen onduidelijkheid bestaat over de vraag of de informatie in onderdeel d) van het EAB ziet op de procedure in hoger beroep. In onderdeel b) van het EAB wordt immers alleen het arrest van the Svea Court of Appeal van 10 juni 2025, met referentie: B 5370-25 als grondslag genoemd. Gelet hierop is het voor de rechtbank duidelijk dat de aangekruiste informatie in onderdeel d) van het EAB ziet op dat arrest. Deze aangekruiste informatie in het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is niet voldoende om aan die informatie te twijfelen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen en verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
5 Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.5
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7, tweede lid, onder b, OLW toe te passen. De Nederlandse strafbaarheid van het feit kan niet worden vastgesteld, nu uit de feitomschrijving in onderdeel e) van het EAB niet blijkt wat voor soort mes het betrof en onder welke concrete omstandigheden de opgeëiste persoon het bij zich droeg.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gezien de verklaring van de opgeëiste persoon op zitting, het feit naar Nederlands recht strafbaar is op grond van artikel 27 in verbinding met artikel 54 van de Wet wapens en munitie.
Oordeel van de rechtbank
De opgeëiste persoon heeft op de zitting over het feit verklaard dat het een keukenmes betrof met een lemmet van ongeveer tien centimeter dat hij bij zich droeg terwijl hij naar een kroeggevecht rende om zijn neven uit dat gevecht weg te halen. Deze verklaring komt overeen met de beschrijving van het feit in onderdeel e) van het EAB en vult deze aan. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het dragen van een wapen van categorie IV sub 7° van de Wet wapens en munitie, zodat voldaan is aan de eis van strafbaarheid naar Nederlands recht.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
6 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
7 Toepasselijke wetsbepalingen
8 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Swedish Prosecution Authority, National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime, Zweden, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. L. Sanders, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Wisgerhof, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.