Beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/717296 / FA RK 22/2842 (CO/ID)
Beschikking van 8 februari 2023 betreffende geschil gezamenlijke gezagsuitoefening als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna mede te noemen de moeder,
advocaat mr. W. van Egmond te Amsterdam,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna mede te noemen de vader,
advocaat mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te Den Haag.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.
1 Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure tot 6 juli 2022 is weergegeven in de beschikking van 6 juli 2022, welke beschikking hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Bij deze beschikking heeft de rechtbank de moeder vervangende toestemming verleend om te verhuizen naar de [adres 1] . Het verzoek tot vervangende toestemming voor een schoolkeuze heeft de rechtbank aangehouden tot de pro formazitting van 22 augustus 2022, teneinde partijen de gelegenheid te geven in onderling overleg te komen tot een schoolkeuze voor [minderjarige] , en in afwachting van nader bericht van partijen over de door hen gewenste voortgang van de procedure.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken, waaronder:
- een brief met bijlagen van 16 augustus 2022 van de kant van de moeder, ingekomen op
18 augustus 2022;
- een brief van 19 augustus 2022 van de kant van de vader, ingekomen op 22 augustus 2022;
- aanvullende stukken van de kant van de moeder, ingekomen op 16 januari 2023;
- aanvullende stukken van de kant van de vader, ingekomen op 17 januari 2023, tevens inhoudende
een verzoek tot (wijziging van de) zelfstandige verzoeken;
- een aanvullende productie van de kant van de vader, ingekomen op 17 januari 2023;
- aanvullende producties van de kant van de vader, ingekomen op 19 januari 2023.
Uit de stukken van partijen blijkt dat het partijen in onderling overleg niet is gelukt om tot overeenstemming te komen over de school van [minderjarige] .
Vervolgens is een mondelinge behandeling gepland. De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 25 januari 2023. Verschenen zijn: partijen en hun advocaten. Namens de Raad was de heer [naam] aanwezig.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen gebruik gemaakt van een tolk.
2 De feiten
Voor de feiten wordt verwezen naar de beschikking van 6 juli 2022.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016.
Op dit moment geldt er een zorgregeling waarbij [minderjarige] van maandag 9.00 uur tot woensdag 12.00 uur bij de vader verblijft en van woensdag 12.00 uur tot vrijdag 19.00 uur bij de moeder. Daarnaast is [minderjarige] het ene weekend van vrijdag 19.00 uur tot maandag 9.00 uur bij de moeder en het andere weekend bij de vader.
3 De verzoeken
De rechtbank dient (nog) een beslissing te nemen op de verzoeken van partijen ten aanzien van de school van [minderjarige] .
De moeder verzoekt de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op een school op [stadsdeel 1] , bij voorkeur de [naam school 1] en anders [naam school 2] , danwel subsidiair [naam school 3] in [stadsdeel 2] .
De vader acht het het meest in het belang van [minderjarige] dat zij op de [naam school 4] blijft. Als de rechtbank daar anders over denkt, dan verzoekt de vader de rechtbank om:
Primair:
Een bijzondere curator te benoemen die dient te onderzoeken of het in het belang is van [minderjarige] dat zij van school verandert dan wel of het in haar belang is dat zij op de [naam school 4] blijft;
Subsidiair:
De vader vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te mogen schrijven op de basisschool [naam school 9] in [woonplaats] dan wel [naam school 5] in [woonplaats] dan wel [naam school 6] dan wel een door de vader te bepalen basisschool die gelegen is tussen het nieuwe huis van de moeder in [stadsdeel 1] en de woning van de vader.
Primair en subsidiair:
De moeder te veroordelen in de proceskosten.
Op de mondelinge behandeling heeft de vader dit nog aangevuld met dat hij uiterst subsidiair verzoekt om vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven bij een school bij zijn woning in de buurt.
4 De nadere standpunten
De rechtbank verwijst voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen en de Raad naar de beschikking van 6 juli 2022.
De moeder persisteert bij haar standpunt dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij voortaan op [stadsdeel 1] naar school gaat. [minderjarige] heeft het naar haar zin op de [naam school 4] en zij doet het daar goed. De [naam school 4] is echter te ver weg van haar nieuwe woonomgeving bij moeder. [minderjarige] wordt te groot om achterop de fiets te vervoeren en zelf kan ze deze afstand niet fietsen. Met het openbaar vervoer is het ruim een uur reizen. De moeder acht het in het belang van [minderjarige] dat zij naar een school gaat in de buurt van waar zij woont zodat zij na school met klasgenootjes kan afspreken. Dat is nu lastig. De moeder en [minderjarige] slapen nu tijdelijk op woensdag- en donderdagavond bij de partner van de moeder die op [locatie] woont. Dit is echter verre van ideaal en vanuit de woning van haar partner is de reistijd met het openbaar vervoer nog steeds ongeveer een uur. De moeder benadrukt dat zij in [stadsdeel 1] wil blijven wonen en geen plannen heeft om weer te verhuizen of met haar partner te gaan samenwonen. Het belangrijkste voor de moeder is dat [minderjarige] een stabiel en sociaal leven kan opbouwen. [minderjarige] heeft recht op rust, vrije tijd en tijd om te spelen. [minderjarige] heeft inmiddels de speltherapie afgerond en is een stuk socialer geworden.
De werkgever van de vader is flexibel. De vader kan thuis blijven werken. Dat doet hij nu ook. In tegenstelling tot de moeder, beschikt de vader over een auto.
Voor de moeder is het ook moeilijk om de kosten van het reizen met het openbaar vervoer te dragen. Zij is ook financieel niet in staat om – zoals door de vader voorgesteld – een elektrische bakfiets te kopen om [minderjarige] daarmee te vervoeren naar school.
De door de vader genoemde scholen in het centrum van [woonplaats] zijn nog steeds erg ver van de woning van de moeder.
De scholen in de buurt van de woning van de vader zijn geen goede scholen.
De vader persisteert bij zijn standpunt dat het het beste is voor [minderjarige] dat zij op de [naam school 4] blijft. Zij heeft het daar naar haar zin en doet het goed op school. Het is de moeder de afgelopen maanden gelukt om [minderjarige] naar de [naam school 4] te blijven brengen dus de vader ziet niet in waarom zij dat niet zou kunnen blijven doen. Een wijziging van school zal zeer ingrijpend zijn voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft selectief mutisme en het heeft lang geduurd voordat zij gewend was aan en het naar haar zin had op de [naam school 4] . De vader is bang dat dat op een nieuwe school ook weer zal spelen. Mocht de rechtbank toch vinden dat het in het belang van [minderjarige] is om van school te wijzigen dan acht de vader bij een schoolkeuze van belang dat [minderjarige] goed onderwijs krijgt op een school met een prettige atmosfeer en goede voorzieningen en normen en waarden. Daarbij is voor hem de afstand van minder groot belang. Dat was eerder ook het standpunt van de moeder, en toen zijn de ouders uitgekomen op de [naam school 4] . De ouders hebben afgesproken dat [minderjarige] daar in ieder geval 3 tot 5 jaar zou blijven. Door toedoen van de moeder is [minderjarige] in korte tijd drie keer verhuisd, wat niet in haar belang is. Het is van belang dat de stijgende lijn die [minderjarige] nu laat zien, zowel op school als sociaal, wordt voortgezet. Stabiliteit is daarbij belangrijk. De vader geeft aan dat hij gebonden is aan zijn werkplek in het centrum van de stad. Hij heeft sinds corona steeds twee dagen, op maandag en dinsdag, thuis kunnen werken. In de toekomst zal hij weer meer op zijn werk moeten zijn. Bij een school op [stadsdeel 1] zal hij een veel langere reistijd hebben als hij eerst [minderjarige] naar school moet brengen en vervolgens moet doorreizen naar zijn werk.
De vader stelt zich op het standpunt dat het aan de ouders is om te faciliteren dat [minderjarige] buiten school met klasgenootjes kan spelen en zich anderszins sociaal ontwikkelt. Eerder heeft hij zelf ook speelafspraken voor [minderjarige] georganiseerd. Indien toch wordt besloten dat [minderjarige] niet op de [naam school 4] kan blijven dan is de [naam school 7] het beste alternatief voor [minderjarige] om naar toe te gaan. Deze school staat goed aangeschreven en ligt op een goede reistijd van de beide ouders. Bij deze school is er ook direct plek voor [minderjarige] . De vader benadrukt dat als voor een school in [stadsdeel 1] wordt gekozen het uitvoeren van de co-ouderschapsregeling voor hem niet realistisch en haalbaar meer is.
De Raad heeft op de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de Raad het volgende aan de rechtbank kan meegeven. Voor [minderjarige] zijn stabiliteit en voorspelbaarheid van belang, maar ook, gelet op de leeftijdsfase waarin zij zit, het spelen met leeftijdsgenootjes. De komende tijd zullen sociale contacten zowel op als buiten school belangrijk zijn voor een goede sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Reistijd is ook van belang voor [minderjarige] . Een school in het midden van beide woonplekken van de ouders zal mogelijk het meeste recht doen aan het co-ouderschap van de ouders. De ouders moeten hun verantwoordelijkheid nemen om zoveel mogelijk naar alle belangen van [minderjarige] te kijken. Het zou goed zijn als de ouders weer de samenwerking met elkaar vinden en met elkaar kijken wat het meest in het belang van [minderjarige] is.
5 De beoordeling
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke
gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders hieromtrent op verzoek van beiden of van een van hen
aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu ter zitting is gebleken dat een vergelijk op de voet van het
vijfde lid van genoemd artikel tussen de ouders niet mogelijk is, zal de rechtbank een beslissing nemen
die haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
Sinds [minderjarige] naar de basisschool gaat, gaat ze naar de [naam school 4] in [stadsdeel 3] . De ouders hebben in 2019 samen voor deze school gekozen. De kwaliteit van de school is daarbij van groot belang geweest. De [naam school 4] lag niet in de directe woonomgeving van een van beide ouders, maar lag er tussenin. Vanuit de woning van beide ouders moest gereisd worden naar school. Vanuit de oude woning van moeder in [stadsdeel 4] was de reistijd ongeveer 20 minuten fietsen of 30 minuten met het openbaar vervoer. Vanuit de woning van vader is de reistijd 23 minuten met de auto of 50 minuten met het openbaar vervoer. Volgens de vader hebben de ouders destijds afgesproken dat [minderjarige] in ieder geval drie tot vijf jaar op de [naam school 4] zou blijven. De moeder betwist dit.
De ouders brengen [minderjarige] om het weekend op maandagochtend naar school. Vader haalt en brengt van maandagmiddag tot woensdagochtend. Moeder haalt en brengt van woensdagmiddag tot en met vrijdagmiddag. Beide ouders hebben het met werk zo kunnen regelen dat geen BSO nodig is. Vader werkt sinds corona en nog steeds op maandag en dinsdag vanuit huis. Hij brengt [minderjarige] dan naar school en haalt haar weer op met de auto. Op woensdag moet vader naar zijn werk en reist hij ’s ochtends met [minderjarige] met het openbaar vervoer naar school van waaruit hij vervolgens tien minuten loopt naar zijn werk of 15 minuten met het openbaar vervoer moet. [minderjarige] heeft het naar haar zin op de [naam school 4] en presteert goed op deze school. Ze heeft vorig jaar na schooltijd wel eens met vriendinnetjes gespeeld. Dit schooljaar is het daar nog niet van gekomen.
De moeder is in de zomer van 2022 met vervangende toestemming van de rechtbank verhuisd naar een sociale huurwoning aan de [adres 1] . De reisafstand vanuit deze woning naar de [naam school 4] is volgens googlemaps ongeveer 42 minuten op de fiets en met het openbaar vervoer ongeveer een uur. De moeder verblijft nu tijdelijk met [minderjarige] op woensdag en donderdagavond in het huis van haar partner op [locatie] omdat het reizen vanuit haar eigen woning op [stadsdeel 1] naar de [naam school 4] volgens haar in de ochtend niet te doen is. Vanuit het huis van haar partner is het volgens googlemaps ongeveer 22 minuten fietsen naar de [naam school 4] en 40 minuten met het openbaar vervoer. Vader woont nog steeds aan het [adres 2] .
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om met ingang van het schooljaar 2023/2024 naar de [naam school 1] of, als daar geen plek is, naar [naam school 2] op [stadsdeel 1] te gaan. De rechtbank zal dit toelichten.
De rechtbank stelt voorop dat de rechtbank het niet goed acht voor [minderjarige] om tijdens het huidige schooljaar van school te wisselen. [minderjarige] heeft het naar haar zin in haar huidige klas en ze presteert goed. Ze zit nu in groep drie, een groep waarin op het gebied van leren veel gebeurt. Een verandering van school is ingrijpend voor een kind en voor [minderjarige] geldt dat mogelijk des te meer gelet op het selectief mutisme dat eerder heeft gespeeld bij haar. De rechtbank acht het dan ook het beste voor [minderjarige] dat zij dit schooljaar nog op de [naam school 4] blijft. De moeder heeft ook een tijdelijke oplossing gevonden voor de reisafstand naar school. Ze overnacht nu op woensdag en donderdag met [minderjarige] bij haar partner waardoor het lukt om [minderjarige] tijdig naar school te brengen. Deze beslissing past ook bij de afspraak die de ouders volgens de vader zouden hebben gemaakt dat [minderjarige] in ieder geval drie tot vijf jaar op de [naam school 4] zou blijven. Zij heeft dan in totaal 3,5 jaar op deze school gezeten.
Op de langere termijn en rekening houdende met dat [minderjarige] nog vele jaren op de basisschool zal doorbrengen, acht de rechtbank het echter beter voor haar dat zij naar een school op [stadsdeel 1] gaat. Voor de rechtbank is voor deze beslissing van doorslaggevend belang dat [minderjarige] dan veel minder reistijd zal hebben per week en het voor haar gemakkelijker wordt om buiten school in haar eigen woonomgeving met klasgenootjes af te spreken. Dit laatste vindt de rechtbank voor haar ontwikkeling van groot belang.
Vanuit de woning van de moeder zijn de [naam school 1] en [naam school 2] slechts vijf tot tien minuten fietsen. Vanuit de woning van de vader is de reistijd naar deze scholen ongeveer 15 minuten met de auto en 50 minuten met het openbaar vervoer. De reistijd met de auto is vanuit vaders huis voor [minderjarige] dus korter dan naar de [naam school 4] en met het openbaar vervoer vergelijkbaar. Vader werkt al lange tijd op maandag en dinsdags vanuit huis. Bij gebreke van stukken waaruit het tegendeel blijkt, gaat de rechtbank er met de moeder vanuit dat de vader op deze dagen thuis kan blijven werken en dat hij [minderjarige] dan dus met de auto naar school zal brengen. Op woensdag gaat vader naar zijn werk in het centrum van [woonplaats] en zal hij [minderjarige] met het openbaar vervoer naar school brengen. Voor [minderjarige] is de reistijd dan vergelijkbaar met wat nu het geval is naar de [naam school 4] . Voor de vader zal de reistijd op woensdagochtend naar zijn werk echter aanzienlijker langer zijn. De rechtbank begrijpt dat dat voor de vader nadelig is, maar de voordelen in reistijd voor [minderjarige] en de betere mogelijkheden om buiten school met klasgenootjes af te spreken, geven in de afweging van de rechtbank de doorslag. [minderjarige] is drie middagen per week na school bij de moeder. Zij kan deze middagen na school dan veel gemakkelijker met klasgenootjes afspreken. Dit geldt ook voor de weekenden dat zij bij de moeder is. Voor de weekenden dat zij bij de vader is geldt eveneens dat [stadsdeel 1] dan dichterbij is dan [stadsdeel 3] .
Een andere school zal wennen zijn voor [minderjarige] , zeker gelet op het feit dat zij eerder last heeft gehad van selectief mutisme en het haar tijd heeft gekost om te wennen en om het naar haar zin te krijgen op de [naam school 4] . [minderjarige] is echter ouder nu en met goede begeleiding en ondersteuning van de ouders en de nieuwe school is de rechtbank ervan overtuigd dat zij het ook naar haar zin zal krijgen op een andere school en daar goed zal gaan presteren.
De [naam school 1] en [naam school 2] hebben lagere uitstroompercentages naar Havo/VWO dan de [naam school 4] . Deze scholen zijn echter ook prima scholen. En zoals de Raad op de vorige mondelinge behandeling heeft aangegeven, zal, als een kind de capaciteiten heeft voor Havo/VWO dat er ook uitkomen op een school waar de uitstroomcijfers lager liggen. Voor de rechtbank zijn in haar afweging van wat het beste is voor [minderjarige] de uitstroompercentages naar HAVO/VWO dus niet van doorslaggevend belang. Vanzelfsprekend kunnen de ouders samen altijd nog proberen om [minderjarige] in te schrijven op de school [naam school 8] , de school op [stadsdeel 1] met de hoogste uitstroompercentages naar HAVO/VWO, mocht daar onverhoopt plek zijn volgend schooljaar.
De scholen die de vader heeft voorgesteld in het centrum van [woonplaats] hebben betere uitstroompercentages naar Havo/VWO dan de [naam school 1] en [naam school 2] en zijn voor de vader beter te combineren met zijn werk in het centrum van [woonplaats] , maar deze scholen liggen nog steeds ver van de woningen van beide ouders en leveren voor [minderjarige] per week dus veel meer reistijd op en maken het voor haar lastiger om af te spreken met klasgenootjes buiten school. Reden waarom de rechtbank deze scholen niet het beste voor haar acht.
De vader heeft op de mondelinge behandeling uiterst subsidiair verzocht om vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven bij een school bij hem in de buurt in [stadsdeel 5] . Nog los van het feit dat vader dit verzoek niet heeft geconcretiseerd door scholen te noemen, acht de rechtbank een school op [stadsdeel 1] beter voor [minderjarige] omdat dit minder reistijd voor haar oplevert aangezien vader wel en moeder niet over een auto beschikt en [minderjarige] bovendien meer middagen na school bij de moeder doorbrengt.
De rechtbank zal de moeder dus vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] voor het schooljaar 2023/2024 in te schrijven op de [naam school 1] op [stadsdeel 1] , dan wel als daar geen plek is, [naam school 2] .
De rechtbank acht het gelet op het voorgaande niet nodig om een bijzondere curator te benoemen om de rechtbank te adviseren over wat het beste is voor [minderjarige] .
De vader heeft verzocht om deze beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren in verband met hoger beroep en een eventueel andere uitkomst dan. De rechtbank zal de beslissing wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Aangezien de rechtbank de vervangende toestemming verleent voor het schooljaar 2023/2024 heeft de vader nog alle tijd om in hoger beroep te gaan en een beslissing van het Hof te krijgen. De rechtbank acht het van belang dat met ingang van schooljaar 2023/2024 duidelijk voor [minderjarige] is naar welke school zij voortaan gaat.
Zoals gebruikelijk in familiezaken zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Mitsdien zal worden beslist als volgt.
6 De beslissing
De rechtbank:
- verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om [minderjarige] voor het schooljaar 2023/2024 in te schrijven op de [naam school 1] op [stadsdeel 1] , dan wel als daar geen plek is, op [naam school 2] ;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af;
- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. C.C.M. Oude Hengel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2023 in tegenwoordigheid van mr. I.P.M. Dijkstra, griffier.1