ECLI:NL:RBAMS:2022:8051

Datum uitspraak
10-08-2022
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/13/702226 / HA ZA 21-474
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Geen misbruik van bevoegdheid afbraak te vorderen van uitbouw

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/702226 / HA ZA 21-474

Vonnis van 10 augustus 2022

in de zaak van

1 [eiseres]

in hoedanigheid van erfgenaam van [erflater] ,

wonende te [woonplaats 1] (Zwitserland),

2. [eiser]

in hoedanigheid van erfgenaam van [erflater] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SENIOR AIR FREIGHT B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J. de Groot te [plaats] ,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SERFA B.V.,

gevestigd te Badhoevedorp,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. G.I. Beij te Amsterdam.

Eisers in conventie sub 1 en 2 zullen hierna gezamenlijk [eisers 1 & 2] worden genoemd. Eiseres in conventie sub 3 zal hierna SAF worden genoemd, en gezamenlijk met eisers in conventie sub 1 en 2 [eisers] Gedaagde in conventie zal hierna Serfa worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 30 maart 2022 en de daarin genoemde stukken,

  • de akte van Serfa,

  • de akte van [eisers] ,

  • de antwoordakte van Serfa,

  • de antwoordakte [eisers]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

Inleiding

2.1.

Bij tussenvonnis van 30 maart 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat het zonder toestemming bouwen van een muur op het perceel van een ander kwalificeert als een onrechtmatige daad jegens die ander, en dat de uitbouw van Serfa zich deels bevindt op de percelen van [eisers] Serfa heeft gesteld dat [eisers] misbruik maakt van haar bevoegdheid afbraak te vorderen van de uitbouw in de zin van artikel 3:13 BW. De rechtbank heeft in dat kader partijen in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over hun belang bij verwijdering respectievelijk instandhouding van de uitbouw.

Misbruik van bevoegdheid

2.2.

Het beroep op misbruik van bevoegdheid is een bevrijdend verweer. De stelplicht en de bewijslast van de feiten die nodig zijn om een bevrijdend verweer te doen slagen rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op Serfa.

2.3.

Serfa heeft ter onderbouwing van haar beroep op misbruik van bevoegdheid aangevoerd dat verwijdering een omslachtige handeling betreft die zeer arbeidsintensief is en de nodige overlast zal veroorzaken, dat [eisers] de panden op dit moment verhuurt aan derde partijen, dat de wijze waarop de uitbouw is gerealiseerd bouwkundige de beste oplossing is, dat de uitbouw esthetisch fraaier is en dat [eisers] in de toekomst ook voordeel van de uitbouw kan hebben. Deze argumenten overtuigen naar het oordeel van de rechtbank echter niet, gelet op het evidente belang van [eisers] bij respectering van haar eigendomsrecht. Serfa laat immers na – ook nadat zij door de rechtbank bij tussenvonnis daartoe in de gelegenheid is gesteld – te specificeren hoeveel tijd, arbeidsuren en/of kosten met die verwijdering gemoeid zijn en hoe groot de overlast zou zijn terwijl ook uit de overige argumenten niet een voldoende zwaarwegend belang van Serfa bij instandhouding volgt. Sterker nog, het is mogelijk dat [eisers] juist nadeel ondervindt van de uitbouw omdat de muur van een eventuele eigen uitbouw van [eisers] in de toekomst zal moeten inspringen.

2.4.

[eisers] maakt dus geen misbruik van haar bevoegdheid afbraak te vorderen. De vordering van [eisers] tot verwijdering van de uitbouw op straffe van verbeurte van een dwangsom is daarmee toewijsbaar.

2.5.

De totaal te verbeuren dwangsom zal worden gemaximeerd op € 50.000, omdat van dit bedrag een voldoende prikkel tot nakoming uitgaat terwijl Serfa heeft aangegeven vrijwillig te zullen voldoen aan dit vonnis. Serfa heeft zich verzet tegen de termijn voor verwijdering van 30 dagen na betekening van dit vonnis, en stelt dat een termijn van tenminste drie maanden redelijk is. De rechtbank zal laatstgenoemde termijn aanhouden, omdat aannemers als gevolg van de huidige overspannen bouwmarkt en ook de bouwvak naar verwachting niet direct van start zullen kunnen gaan, terwijl [eisers] geen zodanig spoedeisend belang heeft dat maakt dat deze termijn niet kan worden afgewacht.

Vergoeding kosten

2.6.

[eisers] vordert vergoeding van de kosten van de meting van het kadaster ad € 485, het veldwerk ad € 44 en de nulmeting ad € 260. De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen, nu [eisers] niet heeft gesteld en onderbouwd dat deze kosten kwalificeren als schade die is veroorzaakt door enig handelen van Serfa. Daarmee heeft [eisers] niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht.

Buitengerechtelijke incassokosten

2.7.

[eisers] vordert een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering van [eisers] heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is en wordt daarom getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport BGK-integraal. Op grond van dit rapport kan een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden toegekend. Voor vaststelling van hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten zal aansluiting worden gezocht bij de in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde, en door de rechtbank redelijk geachte tarief. Nu in onderhavige zaak sprake is van een vordering van onbepaalde waarde, die in de wettelijke staffel ontbreekt, zal een bedrag van € 925,- aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, conform de aanbevelingen in het rapport BGK-integraal.

Proceskosten in conventie en reconventie en nakosten

2.8.

De proceskosten in conventie komen voor rekening van Serfa, omdat zij grotendeels in het ongelijk is gesteld. De kosten worden aan de zijde van [eisers] begroot op:

- Explootkosten € 103,83

- Griffierecht € 2.076

- Salaris advocaat € 1.689 (3 punten × het liquidatietarief van € 563)

totaal € 3.868,83

2.9.

In rechtsoverweging 4.9 van het tussenvonnis van 30 maart 2022 heeft de rechtbank overwogen dat de vordering in reconventie niet toewijsbaar is. Serfa zal daarom als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 563 (2,0 punten × liquidatietarief € 563 × correctiefactor 0,5) aan salaris advocaat. De correctiefactor van 0,5 is van toepassing omdat de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie.

2.10.

De nakosten worden toegewezen op de wijze zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

Uitvoerbaar bij voorraad

2.11.

[eisers] vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Serfa voert verweer hiertegen en verzoekt een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarbij voert Serfa aan dat er “geen belang [is] om nu direct de muur te verwijderen en onomkeerbare gevolgen in stand te laten.”

2.12.

[eisers] heeft een evident en zwaarwegend belang dat haar eigendomsrecht wordt gerespecteerd en daarmee bij verwijdering van de uitbouw op de kortst mogelijke termijn voor zover deze op de percelen van [eisers] staat. Naar het oordeel van de rechtbank weegt dat belang zwaarder dan het belang van Serfa bij het achterwege blijven van een veroordeling uitvoerbaar bij voorraad, zodat de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring ten aanzien van de veroordelingen in conventie toegewezen zal worden. De rechtbank acht daarbij relevant dat Serfa opmerkingen van [eisers 1 & 2] over overschrijding van de erfgrens niet in acht heeft genomen en mede daardoor zichzelf in de huidige positie heeft gebracht. Daarbij past niet dat de veroordeling tot verwijdering niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, waardoor [eisers] zich in het geval van hoger beroep met een schending van haar eigendomsrecht geconfronteerd kan zien die nog langer dan de onder 2.5 genoemde termijn van drie maanden duurt. Dat de executie mogelijk tot ingrijpende gevolgen leidt die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staat op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar is slechts een omstandigheid die meegewogen moet worden (HR 28 mei 1993, NJ 1993/468).

3 De beslissing

De rechtbank:

in conventie

3.1.

veroordeelt Serfa tot verwijdering van de uitbouw van [adres 1] te [plaats] , voor zover die de erfgrens met [adres 2] overschrijdt, binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag dat niet aan dit vonnis is voldaan met een maximum van € 50.000,

3.2.

veroordeelt Serfa tot betaling aan [eisers] van € 925 aan buitengerechtelijke incassokosten,

3.3.

veroordeelt Serfa in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 3.868,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.5.

wijst de vordering af,

3.6.

veroordeelt Serfa in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 563, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in conventie en reconventie

3.7.

veroordeelt Serfa in de na dit vonnis aan de zijde van [eisers] ontstane nakosten, begroot op € 255 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 85 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de bedoelde aanschrijving tot de dag der algehele voldoening,

3.8.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. op 't Hoog en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2022.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »