Zaaknummer: H-19/25
Parketnummer: P-2022/04047
Uitspraak: 17 september 2026 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 22 januari 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1972 op [geboorteland],
wonende in [adres].
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 1 primair, 3 en 4 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een:
-
gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 319 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en aftrek van voorarrest;
-
taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis;
-
ontzetting van het recht tot het bekleden van zijn ambt als ambtenaar voor de duur van 3 jaar;
-
ontzetting van het recht te worden verkozen tot lid van algemeen vertegenwoordigende organen voor de duur van 3 jaar.
Het Gerecht heeft bij herstelvonnis van 27 januari 2025 geoordeeld dat de verdachte niet wordt veroordeeld tot ontzetting van het recht te worden verkozen tot lid van algemeen vertegenwoordigende organen voor de duur van 3 jaar, nu daartoe de wettelijke grondslag ontbreekt.
Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Naar het oordeel van het Hof heeft het ten laste gelegde onder 2 (oplichting), 3 (passieve omkoping) en 5 (misbruik van functie) te gelden als een impliciet cumulatieve tenlastelegging, waarin cumulatief – en dus gevoegd – meerdere strafbare feiten zijn opgenomen.
Het hoger beroep van het Openbaar Ministerie is onbeperkt ingesteld, maar is blijkens de mededeling van de procureur-generaal op de terechtzitting niet gericht tegen de (partiële) vrijspraken van het ten laste gelegde onder 2 (oplichting), 3 (passieve omkoping) en 5 (misbruik van functie) ten aanzien van de daarin genoemde medeverdachte [medeverdachte 5] inzake zaakdossier Spookambtenaren.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 436 Wetboek van Strafvordering van Aruba (hierna: Sv) en nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van de feiten waarvan de verdachte (partieel) is vrijgesproken en waartegen het hoger beroep van het ministerie zich niet richt, zal het Hof het Openbaar Ministerie in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Het hoger beroep is door de verdachte eveneens onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen alle, waaronder voornoemde, (partiële) vrijspraken. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 434 Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het Hof zal de verdachte in zoverre dan ook niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureurs-generaal, mrs. B.S. van Unnik en A. Vroombout (hierna: de procureur-generaal), en van wat door de verdachte en zijn raadslieden, mrs. D.G. Illes en V.A.V. Carlo (hierna: de raadsman), naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een:
-
gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar;
-
ontzetting van het recht tot het bekleden van het ambt van ambtenaar voor de duur van 6 jaar;
-
ontzetting van het recht te worden verkozen tot lid van algemeen vertegenwoordigende organen voor de duur van 6 jaar.
De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, dan wel dat de verdachte integraal zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging
De verdediging heeft aangevoerd dat tijdens het onderzoek sprake is geweest van onherstelbare normschendingen en schendingen van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarbij is doelbewust, dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte, afbreuk gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak. Het handelen van het Openbaar Ministerie raakt de kern van het wettelijk systeem, de schendingen zijn niet door compenserende maatregelen hersteld en de opeenstapeling van de verzuimen leidt tot de conclusie “the proceedings as a whole were not fair”. De verdediging heeft hierom primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte en heeft subsidiair om bewijsuitsluiting verzocht.
Het Openbaar Ministerie heeft de verweren van de verdediging gemotiveerd bestreden.
Het Hof overweegt hierover het volgende.
Algemeen juridisch kader
Indien binnen de door artikel 413 Sv bepaalde grenzen sprake is van een normschending en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan die normschending enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van de overtreden norm en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Indien de rechter op grond van de weging en waardering van deze beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbare normschending is begaan, maar dat die schending niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan één van de in art. 413 vierde lid Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
Bewijsuitsluiting kan als op grond van artikel 413 vierde lid Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door de overtreden norm is verkregen, en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.
Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. In zijn arrest van 1 december 2020 (Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rechtsoverweging 2.5.2 e.v.) heeft de Hoge Raad over de bij die beoordeling aan te leggen maatstaf onder meer overwogen:
“De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden.
Voorts geldt nog dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan de normschending.
Het Hof heeft het door de verdediging aangevoerde en de mogelijk daaraan te verbinden consequenties in het licht van het voorgaande beoordeeld. Hierbij heeft het Hof de door de verdediging aangedragen punten - waar van toepassing gezamenlijk - in zijn overwegingen betrokken.
Bespreking van de gestelde normschendingen
Het Hof hanteert de nummering zoals opgenomen in de pleitnota. Daarbij ziet onderdeel A op het juridisch kader en zijn de gestelde normschendingen vanaf onderdeel B opgenomen.
De BCI als onrechtmatige startinformatie voor de dwangmiddelen (B)
De verdediging heeft in dit verband het volgende betoogd. Het strafrechtelijk onderzoek is op 19 september 2019 formeel van start gegaan naar aanleiding van informatie van het Bureau Criminele Inlichtingen (hierna: BCI). Die informatie heeft als startpunt gediend voor de dwangmiddelen en onderzoekshandelingen jegens de verdachte. De verdachte is echter gedagvaard voor geheel andere feiten dan genoemd in de BCI-informatie. De BCI-informatie was aantoonbaar onjuist en dit was eenvoudig verifieerbaar voor het onderzoeksteam. De betrouwbaarheidstoets is, al dan niet bewust, niet of onvoldoende verricht. De rechter-commissaris heeft die valse informatie vervolgens als uitgangspunt genomen bij zijn beoordeling van de gevorderde onderzoekshandelingen (taps, huiszoekingen) en de vrijheidsbenemende dwangmiddelen. Deze informatie bood, naast het feit dat deze vals was, hiervoor op zichzelf al onvoldoende grondslag. Dit alles raakt de kern van de onafhankelijke rechterlijke toetsing. Alle bewijsmiddelen verkregen uit voormelde onderzoekshandelingen dienen daarom te worden uitgesloten van het bewijs.
Het Hof verwerpt het verweer. Uit het proces-verbaal van verdenking blijkt dat het onderzoek is gestart op basis van meerdere processen-verbaal van het Bureau Criminele Inlichtingen van het Korps Politie Aruba (verder: KPA) met informatie over mogelijk door de verdachte gepleegde strafbare feiten met betrekking tot onder andere de uitgifte van overheidsgronden. Dit zou zijn gebeurd tijdens zijn ambtstermijn als Minister ROIM. In deze processen-verbaal is daarbij gerelateerd dat de informatie direct of indirect was terug te voeren op eigen waarnemingen of bevindingen van de bron en dat de wijze van verkrijging door de verbalisant op rechtmatigheid is getoetst. Voorts is op verzoek van de verdediging de projectleider van het Team Criminele Inlichtingen van het RST bij de rechter-commissaris gehoord. In zijn verhoor van 27 augustus 2024 heeft hij in dit kader verklaard dat dergelijke informatie alleen in een proces-verbaal wordt verwerkt indien deze aantoonbaar juist is of, indien volledige verificatie nog niet mogelijk is, de informant betrouwbaar wordt geacht, waarbij dit expliciet wordt vermeld. De projectleider heeft verder verklaard dat ook ten aanzien van de processen-verbaal die geleid hebben tot het onderzoek Flamingo geldt dat de verkregen informatie gecontroleerd is op echtheid. Het Hof vindt in het voorgaande en de inhoud van het dossier geen aanknopingspunten voor de stelling dat bij de inzet van de betreffende onderzoekshandelingen – al dan niet – opzettelijk gebruik is gemaakt van valse dan wel onvoldoende geverifieerde informatie. Daarbij overweegt het Hof dat het feit dat de verdediging de juistheid van de startinformatie betwist, op zichzelf nog niet maakt dat sprake is van valse of onvoldoende geverifieerde informatie. Ook de omstandigheid dat de verdachte uiteindelijk niet is vervolgd voor de feiten waarop de startinformatie betrekking had, maakt die informatie op zichzelf ook niet reeds vals of onjuist. Hierbij geldt dat de startinformatie gaandeweg het onderzoek is aangevuld met onderzoeksinformatie verkregen uit onder meer tapgesprekken in de periode van september 2019 t/m december 2019. In 2020 hebben vervolgens diverse huiszoekingen plaatsgevonden, waarna de verdachte op 10 mei 2022 is aangehouden. Het Openbaar Ministerie heeft in dit kader aangevoerd dat de keuze om de verdachte voor andere feiten te vervolgen gelegen was in de omvang van de verkregen onderzoeksinformatie, en ook de nieuwe informatie en de keuzes die het Openbaar Ministerie vervolgens, uit hoofde van het opportuniteitsbeginsel, heeft gemaakt. Het Hof kan deze gang van zaken volgen.
Gezien al het voorgaande en de inhoud van de betreffende processen-verbaal kan tenslotte ook niet worden geconcludeerd dat de rechter-commissaris bij het verlenen van de machtiging voor het opnemen van de telecommunicatie en de doorzoekingen, alsmede de vrijheidsbenemende dwangmiddelen zich heeft gebaseerd op verdenkingen die elke feitelijke grondslag misten en hij aldus niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de door hem afgegeven machtigingen heeft kunnen komen.
Het toevoegen van ongeverifieerde TCI verdenkingen aan het dossier en misleiding van de rechter-commissaris (C en D)
De verdediging heeft – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Nadat de rechter-commissaris de vordering tot bewaring had afgewezen, is het Openbaar Ministerie in beroep gegaan, hangende welke procedure het Openbaar Ministerie TCI-informatie aan het dossier heeft toegevoegd. Die verdenkingen waren eveneens aantoonbaar onbetrouwbaar. Nergens blijkt uit dat de informatie op voorhand is geverifieerd. Het Openbaar Ministerie wist bovendien dat het onderzoek zijn grondslag niet vond in de BCI-verdenkingen. De TCI-informatie is instrumenteel ingezet om de rechter-commissaris te misleiden, wat een directe ondermijning van de rechterlijke controle op de vrijheidsbeneming betreft. Dit is ernstige schending van artikel 6 EVRM en een fundamentele aantasting van de beginselen van een goede procesorde. Het gevolg daarvan dient te zijn dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging, dan wel – subsidiair – dat al het bewijs dat is verkregen door middel van de onrechtmatig toegepaste dwangmiddelen van het bewijs wordt uitgesloten.
Het Hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is voor de samenstelling van het dossier. Dat dit soms een herbeoordeling van de officier van justitie vergt, dan wel dat stukken op een later moment alsnog worden toegevoegd, is inherent aan dit proces. Het Hof heeft geen aanwijzingen dat het overleggen van voormelde processen-verbaal een bewuste keuze was van het Openbaar Ministerie om de verdediging op achterstand te zetten, maar ziet dit veeleer als een nadere onderbouwing van de reeds bij het onderzoeksteam bestaande verdenkingen en schaart het daarmee onder voortschrijdend inzicht. Ook kan het Openbaar Ministerie vanuit onderzoeksbelang op strategische wijze stukken gedoseerd verstrekken. Ook dan hoeft er geen sprake van misleiding te zijn.
Voor zover door de verdediging ook in dit verband is betoogd dat het Openbaar Ministerie instrumenteel valse dan wel niet geverifieerde informatie heeft ingezet verwijst het Hof naar hetgeen hij hiervoor onder punt B heeft overwogen.
Onrechtmatige totstandkoming en de inhoudelijke onbetrouwbaarheid van de aangifte van [getuige 1] (E)
De verdediging stelt dat de aangifte van [getuige 1] tegen de verdachte onder druk van de Landsrecherche en ook politieke druk tot stand is gekomen. Zij is door de Landsrecherche gewezen op haar wettelijke aangifteplicht, ex artikel 200 Sv, en bij het doen van aangifte ook actief begeleid, waarbij het onjuiste verdenkingenkader van de inlichtingendiensten vermoedelijk met haar is gedeeld. Dit alles in een periode waarin [getuige 1] zich in een vrije politieke val bevond en boos op de verdachte was. Veelzeggend is dat zij in haar ambtsperiode als minister geen enkele aangifte heeft gedaan met betrekking tot de nu aan de verdachte verweten gedragingen, waardoor de aangifte moet worden beschouwd als politieke wraakzucht. In het licht van de kennisgeving niet verdere vervolging die [getuige 1] heeft ontvangen, kan de aangifte en haar medewerking aan het onderzoek ook niet los worden gezien van haar eigen positie als verdachte in een ander onderzoek, de Kukwisa-zaak.
Daarbij is de inhoud van de aangifte aantoonbaar onbetrouwbaar. In dit verband wijst de verdediging op haar tegenstrijdige, in strijd met de waarheid gedane verklaringen ten aanzien van [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]. Bovendien hebben 23 van de 24 onderdelen van de aangifte van [getuige 1] niet tot vervolging geleid, hetgeen de onbetrouwbaarheid van de aangifte in zijn geheel illustreert. Die onbetrouwbaarheid blijkt tenslotte ook uit de diverse tegenstrijdigheden in haar getuigenverhoor bij de rechter-commissaris van 20 juni 2024.
Het Hof overweegt in algemene zin dat in het geval er enige druk is uitgeoefend tot het afleggen van een verklaring en het vervolgens doen van aangifte, dit niet automatisch met zich meebrengt dat de inhoud van die verklaring vals is. Hierbij gaat het Hof er ook vanuit dat [getuige 1] gezien haar functie als minister ook wel bestand is tegen enige druk voor zover die al is toegepast. In het onderhavige geval acht het Hof gelet op de inhoud van het dossier ook niet aannemelijk geworden dat door opsporingsambtenaren tegenover [getuige 1] mededelingen zijn gedaan of handelingen zijn verricht waardoor er sprake van zou zijn dat haar verklaring niet in vrijheid is afgelegd dan wel dat zij onwaarheden is gaan verklaren. De overige punten die de verdediging in dit verband heeft aangevoerd, dienen naar het oordeel van het Hof te worden betrokken bij de (inhoudelijke) beoordeling van de feiten. De omstandigheid dat [getuige 1] op onderdelen anders heeft verklaard dan de verdachte, rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat haar verklaring onwaar is. De betrouwbaarheid van die verklaring dient te worden beoordeeld in het licht van de overige inhoud van het dossier. Het Hof ziet dus in de gang van zaken tijdens de aangifte (en daarna) geen reden om te concluderen dat sprake is van een normschending, en ziet daarom ook geen aanleiding om het Openbaar Ministerie hierom niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte of om (een deel van) de processen-verbaal van het bewijs uit te sluiten.
Onrechtmatige aangifte van [getuige 2] (directeur DIP) (F)
De verdediging heeft aangevoerd dat ook de aangifte van [getuige 2] onbetrouwbaar is, nu deze is gedaan onder druk van de DRH (het Hof begrijpt: Departemento Recurso Humano) en de minister-president, op straffe van persoonlijke verantwoordelijkheid. Hierbij is ook van belang dat hij aangifte heeft gedaan tegen medeverdachte [medeverdachte 1] met betrekking tot de ambtsperiode van de verdachte, maar de aangifte heeft onderbouwd met het (nieuwe) beleid van [getuige 1].
Het Hof verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor ten aanzien van punt E is overwogen en neemt ook hier hetzelfde standpunt in. Hierbij speelt nog mee dat voor zover er al druk op [getuige 2] is gepleegd dat niet is gedaan door de Landsrecherche, zoals ten aanzien van [getuige 1] is gesteld. Niet valt dan ook in te zien dat er sprake zou zijn van schending van een norm zoals in artikel 413 Sv bedoeld. Ook de overige stellingen die de verdediging in dit verband heeft aangevoerd bieden naar het oordeel van het Hof onvoldoende grond voor het aannemen van een normschending. Deze stellingen hebben veeleer betrekking op kwesties die bij de beoordeling van de feiten dienen te worden betrokken.
Detournement de pouvoir met betrekking tot [getuige 2] (G)
De verdediging voert aan dat er ten aanzien van [getuige 2] sprake zou zijn geweest van politieke inmenging door het Openbaar Ministerie en daarmee een ongeoorloofde vermenging van strafvorderlijke en politieke bevoegdheden, hetgeen raakt aan de onpartijdigheid van het opsporingsonderzoek. De verdediging wijst in dit verband op ingebrachte schriftelijke correspondentie. Daarbij stelt de verdediging zich ook hier op het standpunt dat zowel [getuige 2] als [getuige 1], in ruil voor hun medewerking, een kennisgeving niet verdere vervolging ontvingen in de Kukwisa -zaak. Ten aanzien van dit laatste overweegt het Hof dat dit niet meer betreft dan een door de verdediging verondersteld scenario. Nu daarvoor onvoldoende aanknopingspunten in het dossier zijn te vinden, gaat het Hof hieraan voorbij. Ook de stelling dat er sprake is van een politieke inmenging door het Openbaar Ministerie en daarmee verlies van zuiver oogmerk en misbruik van bevoegdheden, kan niet leiden tot het aannemen van een normschending. Het beginsel van zuiverheid van oogmerk, oftewel het verbod van détournement de pouvoir, strekt ertoe te waarborgen dat het Openbaar Ministerie zijn strafrechtelijke bevoegdheden uitsluitend aanwendt ter verwezenlijking van het doel waarvoor deze bevoegdheid is verleend. Het Hof is van oordeel dat hetgeen de verdediging op dit punt heeft aangevoerd de verdachte niet kan baten. In dit verband wijst het Hof op hetgeen hiervoor al is overwogen, te weten dat als niet de verdachte is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, aan de niet-naleving van dat voorschrift in de regel geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden in de voorliggende strafzaak. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat het gehele strafrechtelijk onderzoek, en daarmee ook de belangen van de verdachte, door het bedoelde handelen van het Openbaar Ministerie zijn geschaad, acht het Hof die conclusie onvoldoende onderbouwd en daarmee te verstrekkend. Ook dit onderdeel van het verweer faalt.
Schending van de beginselen van een goede procesorde (H)
De verdediging heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Het Openbaar Ministerie heeft koste wat kost de verdenking jegens de verdachte overeind willen houden en zich daarbij gebaseerd op valse informatie (ad a). Het heeft voorts een jaar gewacht met de vervolgingsbeslissing terwijl de verdachte de verdenking herhaaldelijk gemotiveerd heeft weerlegd, essentiële getuigen niet zijn gehoord en tegenaangiftes niet serieus zijn genomen (ad b). De vervolgingsbeslissing is in strijd met het gelijkheidsbeginsel genomen nu anderen niet zijn vervolgd of slechts een boete hebben gekregen (ad c). Gedurende het onderzoek is tot slot sprake geweest van misbruik van bevoegdheid onder meer door de langdurige detentie van de verdachte en de toegepaste verhoortechnieken die in strijd waren met het nemo tenetur beginsel (ad d). Het besluit van dagvaarden is lichtvaardig genomen en in strijd met het beginsel van equality of arms en artikel 6 lid 3 sub b EVRM, het beginsel van zuiver oogmerk, het gelijkheidsbeginsel en het opportuniteitsbeginsel in samenhang met een redelijke belangenafweging (ad e).
Ad a en b
Het Hof stelt voorop dat bij de vervolging van strafbare feiten voor het Openbaar Ministerie het opportuniteitsbeginsel het uitgangpunt is. Uit vaste rechtspraak volgt dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. De beleidsvrijheid die het Openbaar Ministerie hierin heeft, vindt haar begrenzing in de beginselen van een goede procesorde. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is bij schending van deze beginselen voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts plaats in uitzonderlijke gevallen.
Het Hof overweegt dat hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd, zijn weerlegging grotendeels al vindt in hetgeen hiervoor is overwogen bij de beoordeling van de verweren ten aanzien van de normschendingen. Voor zover de verdediging aanvoert dat het Openbaar Ministerie gedurende een jaar heeft gewacht met het nemen van de vervolgingsbeslissing, terwijl essentieel onderzoek achterwege is gebleven, is het Hof van oordeel dat ook dit onder de beleidsvrijheid van het Openbaar Ministerie valt. Voor zover de verdediging inhoudelijke kritiek uit op het verrichte onderzoek, zal het Hof die betrekken bij de inhoudelijke beoordeling van de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de duur van het strafrechtelijk onderzoek geldt bovendien dat uit vaste rechtspraak volgt dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen.
Ad c en e
Het Hof overweegt dat van schending van het gelijkheidsbeginsel pas sprake kan zijn als is afgeweken van een bestendig en consistent patroon van beslissingen in gelijksoortige gevallen. De enkele omstandigheid dat derden, wier gedragingen mogelijk eveneens aanleiding hadden kunnen geven tot strafvervolging, niet zijn vervolgd of een andere strafrechtelijke afdoening hebben gekregen, brengt op zichzelf niet mee dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van gelijke gevallen die zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging ongelijk zijn behandeld.
In het licht van het voorgaande is het Hof van oordeel dat van een dergelijk geval geen sprake is. De strafrechtelijke verwijten die aan de verschillende betrokkenen worden gemaakt, verschillen wezenlijk van aard en omvang. Daarnaast verschilt ook de rol die aan de betrokkenen binnen de aan de orde zijnde feiten wordt toegedicht. Ook als het Hof een andere dan marginale toetsing van het vervolgingsbeleid van de officier van justitie zou toekomen, ziet het Hof geen aanknopingspunten dat de officier van justitie in deze lichtvaardig of met willekeur tot vervolging heeft besloten. Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel faalt dan ook.
De verdediging heeft ook een beroep op schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging gedaan. Het Hof is in dit verband van oordeel dat, gelet op de inhoud van het dossier, in de onderhavige zaak geen sprake is van een geval waarin geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging van de verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. De door de verdediging aangevoerde omstandigheden, ook niet in onderlinge samenhang beschouwd, kunnen naar het oordeel van het Hof niet de conclusie dragen dat het instellen van de strafvervolging onverenigbaar is met voornoemde beginselen van een behoorlijke procesorde en/of een schending van artikel 6 EVRM opleveren.
Voor zover de verdediging tenslotte heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van equality of arms, in het bijzonder omdat de verdachte na afloop van zijn ministerschap geen toegang meer had tot de desbetreffende administratie, overweegt het Hof als volgt. De verdediging heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de mogelijkheid gehad om de overlegging van stukken te verzoeken. Het is het Hof nu niet duidelijk op welke specifieke stukken de verdediging doelt met haar stelling dat deze niet (meer) beschikbaar zouden zijn. De verdediging heeft haar stelling in zoverre onvoldoende concreet onderbouwd, reden waarom ook dit onderdeel niet kan slagen.
Ad d
De verdediging heeft voorts gesteld dat het Openbaar Ministerie misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid door de lange detentieduur van de verdachte. Het Hof stelt in dit verband vast dat de verdachte vanaf 10 mei 2022 gedetineerd heeft gezeten tot het moment dat de rechter-commissaris op 20 mei 2022 de vordering tot inbewaringstelling afwees. Op 9 juni 2022 is de bewaring door het Hof bevolen en vanaf dat moment heeft de verdachte weer gedetineerd gezeten tot 24 juni 2022, de dag waarop hij door de officier van justitie weer op vrije voeten is gesteld. De bewaring is door de rechter bevolen. Het Hof ziet niet in hoe het Openbaar Ministerie onder die omstandigheden misbruik zou hebben gemaakt van zijn bevoegdheden, nu die bevoegdheden aldus zijn getoetst en de beslissing daarbij aan de rechter was voorbehouden.
Voorts is niet aannemelijk geworden dat op enig moment de verklaringsvrijheid van de verdachte onder druk is komen te staan en dat daarmee sprake is van schending van het nemo tenetur-beginsel. Beslissend voor de vraag of het nemo-tenetur-beginsel is geschonden, is of het gebruik tot het bewijs van een (al dan niet in een document) vervatte verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen (vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6144). In dit verband geldt dat het Hof uit de inhoud van de processen-verbaal van de verhoren van de verdachte niet kan concluderen dat zijn verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd. Uit de inhoud van de betreffende processen-verbaal is geenszins aannemelijk geworden dat de verhoren niet op rechtmatige wijze hebben plaatsgevonden. Van een situatie zoals de verdediging – slechts in algemene zin – heeft aangevoerd, waarbij de toegepaste verhoortechnieken de verdachte zouden hebben misleid en tot zelfincriminatie zouden hebben gebracht (zo begrijpt het Hof), is het Hof ook niet gebleken. Daarbij neemt het Hof ook in aanmerking dat de advocaat van de verdachte bij alle verhoren aanwezig was, met uitzondering van de verhoren van 1 december 2022 en 5 december 2022. Deze verhoren zijn volgens het proces-verbaal auditief opgenomen. De verdachte heeft de daarbij afgelegde verklaringen volgens het proces-verbaal vervolgens met zijn advocaat kunnen bespreken. Nadien heeft hij in die verklaringen volhard en deze ondertekend.
Ook dit verweer treft geen doel.
Conclusie
Uit de door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden kan het Hof geen onherstelbare schending van normen afleiden, noch begaan tijdens het voorbereidend onderzoek, noch in de fase van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en/of in hoger beroep. Ook in onderlinge samenhang beschouwd geven de door de verdediging gevoerde verweren geen aanleiding tot het oordeel dat sprake is van een (zodanig) fundamentele inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, dan wel dat delen van het dossier van de bewijsvoering dienen te worden uitgesloten. De aangevoerde gronden kunnen evenmin aanleiding geven tot de vaststelling dat een inbreuk is gemaakt op de rechten van de verdachte, van dien aard en zodanig ernstig, dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.
Het Hof verwerpt aldus het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof tot andere beslissingen komt.
Tenlastelegging
De verdenkingen komen er – kort en zakelijk weergegeven – op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende strafbare feiten, alle meermalen gepleegd:
1. medeplegen van oplichting (zaakdossier Malmok);
2. medeplegen van oplichting (zaakdossier Spookambtenaren);
3. passieve omkoping (zaakdossier Spookambtenaren);
4. medeplegen van passieve omkoping (zaakdossier [medeverdachte 2]);
5. medeplegen van misbruik van functie (zaakdossier Malmok, Spookambtenaren en [medeverdachte 2]).
Beoordeling van het bewijs
Het Hof verwerpt het verweer van de verdediging betreffende bewijsuitsluiting vanwege normschending(en) en schending van beginselen van de goede procesorde, zoals hiervoor onder het kopje ‘de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie’ weergegeven, om dezelfde redenen als in die overweging gegeven.
Inleiding
Het strafrechtelijk onderzoek Flamingo ziet op vermeende onregelmatigheden die zich in de periode 2017 tot en met 2019 zouden hebben voorgedaan bij de uitoefening van het ambt van minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Milieu (ROIM) door de verdachte. Het onderzoek heeft betrekking op de uitgifte van erfpachtrechten (zaakdossier Malmok), de aanstelling van zogenoemde spookambtenaren (zaakdossier Spookambtenaren) en het aannemen van giften, beloften of diensten in verband met de uitoefening van het ambt (zaakdossiers Spookambtenaren en [medeverdachte 2]). De verdachte was gedurende de betreffende periode minister van ROIM namens de POR.
Vrijspraak van feit 1 en 3
Zaakdossier Malmok, oplichting (feit 1)
Aan de verdachte is onder 1 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij in de periode van 17 november 2017 tot en met 12 december 2019 te Aruba, al dan niet tezamen met anderen, door oplichting (het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels) de Dienst Infrastructuur en Planning (DIP) en/of het Land Aruba heeft bewogen tot de afgifte van reserveringsbrieven voor of erfpachtrechten op de percelen [A] en [B] in Malmok.
Voor een veroordeling voor oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in de wet genoemde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is ‘bewogen’ tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen. Oplichting in de zin van de wet is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer
– gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.
Het Hof leidt uit het dossier af dat het zogenaamde FIFO-beleid (‘First In First Out’) het uitgangspunt vormde bij de uitgifte van erfpachtgronden, maar dat binnen de DIP ten aanzien van grote percelen een uitzonderingspraktijk bestond. De directeur van de DIP heeft verklaard dat dergelijke percelen bestemd waren voor zogenoemde ‘young professionals’ en dat in die gevallen van het FIFO-beleid werd afgeweken. Het Hof heeft in dit verband niet kunnen vaststellen dat de in de tenlastelegging genoemde [betrokkene 4] en [getuige 4], die in de categorie young professional vielen, niet voldeden aan de voorwaarden die binnen het beleid golden voor de behandeling van hun aanvragen. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de toekenning van de reserveringen aan hen reeds daarom berustte op een ongeoorloofde afwijking van het beleid, dan wel een onjuiste voorstelling van zaken, gericht op de besluitvorming omtrent de erfpachtuitgifte.
Verder geldt dat, hoewel uit het dossier volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] een brief heeft opgesteld die door de directeur van de DIP is ondertekend en waarin in strijd met de waarheid is vermeld dat sprake was van een eerdere reservering op perceel [A], het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat de verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij het opstellen van die brief of bij het aanbieden daarvan aan de directeur ter ondertekening. De enkele bemoeienis van de verdachte met de toewijzing van percelen aan [betrokkene 4] en [getuige 4] is daarvoor onvoldoende.
Wel acht het Hof bewezen, zoals hierna nog zal worden gemotiveerd, dat de verdachte zich als minister heeft gemengd in een besluitvormingsproces dat binnen het door hem ingevoerde uitgiftebeleid aan de DIP was voorbehouden. De verdachte heeft zich uitgelaten over de concrete perceeltoewijzing en heeft erop aangedrongen dat de perceelverdeling werd gewijzigd ten gunste van [betrokkene 4] en [getuige 4]. Deze gedragingen kunnen evenwel niet worden aangemerkt als het aannemen van een valse hoedanigheid, een listige kunstgreep of een samenweefsel van verdichtsels in de zin van artikel 2:305 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dat de verdachte door zijn handelen een voorkeurspositie voor [betrokkene 4] en [getuige 4] heeft bewerkstelligd en daarmee zijn functie heeft misbruikt, zoals onder feit 5 bewezen is verklaard, maakt dit niet anders. Misbruik van functie valt niet zonder meer samen met bedrog in de zin van oplichting.
Nu de gedragingen die wettig en overtuigend kunnen worden bewezen niet kunnen worden aangemerkt als oplichtingsmiddelen, is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplichting. Het Hof spreekt de verdachte daarom vrij van het onder 1 ten laste gelegde.
Zaakdossier Spookambtenaren; passieve omkoping (feit 3)
Het Hof stelt voorop dat van passieve omkoping sprake is als komt vast te staan dat de ambtenaar een gift, belofte of dienst heeft aangenomen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze gift, belofte of dienst hem werd gedaan om hem te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, dan wel ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn bediening is gedaan of nagelaten. De wet vereist dus een verband tussen de gift, belofte of dienst en de ambtelijke gedraging. Bij het verlenen van een dienst gaat het om het verrichten van een feitelijke handeling ten gunste van een ander. Van een belofte is sprake als een toekomstig voordeel in het vooruitzicht wordt gesteld. Het toegezegde voordeel kan een gift of dienst zijn, maar ook een betrekkelijk vage toezegging. Of de toegezegde gift of dienst uiteindelijk volgt, is daarbij niet van belang.
Zoals hierna bij bespreking van het zaakdossier Spookambtenaren nader uiteen wordt gezet, stelt het Hof vast dat medeverdachte [medeverdachte 4] werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf van de zoon van de verdachte. Verder stelt het Hof vast dat de verdachte in zijn functie van minister van ROIM een arbeidsovereenkomst met [medeverdachte 4] heeft gesloten, zonder dat [medeverdachte 4] in het kader van die arbeidsovereenkomst werkzaamheden heeft verricht.
De vraag die het Hof vervolgens moet beantwoorden is of het verrichten van werkzaamheden voor de zoon van de verdachte moet worden gezien als het aanbieden van een dienst ter omkoping van de verdachte. Die omkoping kan zien op een toekomstig doen en/of nalaten door de verdachte in zijn functie als minister dan wel op een doen en/of nalaten in het verleden. Als daarvan sprake is, is vervolgens de vraag in hoeverre de verdachte daarvan wetenschap had dan wel dat redelijkerwijs moest vermoeden.
Het Hof is van oordeel dat voor het onder 3 ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Het Hof kenschetst de door [medeverdachte 4] verrichte werkzaamheden voor de zoon van de verdachte en in ruil daarvoor een arbeidsovereenkomst met het Land als een schijnconstructie en kwalificeert het, zoals wordt besproken in zaakdossier Spookambtenaren, als oplichting. Onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte een dienst heeft aangenomen als bedoeld in artikel 2:351, eerste lid, onder b, Sr. De werkzaamheden die [medeverdachte 4] heeft verricht ten behoeve van het bedrijf van de zoon van de verdachte waren immers niet het gevolg van een door [medeverdachte 4] aan de verdachte of diens zoon verleende dienst, maar vloeiden rechtstreeks voort uit de door de verdachte gecreëerde arbeidsrelatie tussen [medeverdachte 4] en het Land. Dat [medeverdachte 4] aldus feitelijk arbeid heeft verricht voor dat bedrijf en dat de verdachte daarbij bemoeienis heeft gehad, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een dienst die door [medeverdachte 4] aan de verdachte of diens zoon is verleend en door de verdachte is aangenomen. Het Hof spreekt de verdachte daarom vrij van het onder 3 ten laste gelegde.
Bewezenverklaring
Het Hof acht – op grond van de hierna vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, en met eenparigheid van stemmen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 2
Zaakdossier Spookambtenaren (oplichting)
hij in de periode van 17 november 2017 tot en met 12 december 2019 te Aruba, tezamen en in vereniging met telkens een ander, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het land Aruba heeft bewogen tot de afgifte van arbeidsovereenkomsten, salarisbetalingen en uitbetalingen van toelagen, hebbende verdachte en zijn medeverdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
-
als minister een voordracht gedaan aan de ministerraad om medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in dienst te nemen in een functie van liaison officer bij het bureau van de minister van ROIM met het verzoek in te stemmen met deze voordracht en
-
met genoemde voordracht en/of het verzoek tot instemming met genoemde voordracht de schijn en/of indruk gewekt dat medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] voldeden aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke arbeidsovereenkomst en daarmee de schijn en/of indruk gewekt dat genoemde medeverdachten daadwerkelijk de bij die arbeidsovereenkomst behorende arbeid zouden gaan verrichten en
-
een arbeidsovereenkomst namens het Land Aruba gesloten met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] voor de functie van liaison officer terwijl verdachte en zijn medeverdachte wisten dat deze functie niet daadwerkelijk conform die overeenkomst zou worden ingevuld en/of dat de werkzaamheden niet conform die overeenkomst zouden worden verricht en
-
deze overeenkomsten in stand gehouden/gelaten en het Land Aruba uitbetalingen laten verrichten terwijl verdachte en zijn medeverdachte wisten dat de overeengekomen werkzaamheden niet of nauwelijks werden verricht,
waardoor het land Aruba werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
Feit 4
Zaakdossier [medeverdachte 2] (passieve omkoping)
hij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 12 december 2019 te Aruba, in het vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar/minister, welke aanstelling is gevolgd en/of in zijn hoedanigheid van minister van ROIM,
alleen van [getuige 14]
en
samen met een ander van [getuige 10] en [getuige 16] en [getuige 17] en [getuige 18]
een belofte en/of een dienst, te weten:
- steunverlening in de zin van campagnevoeren voor en/of stemmen op verdachte en/of zijn partij bij de verkiezingen,
A. heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte en/of zijn medeverdachte wisten, dat deze beloften en/of deze diensten hun werden verleend en/of aangeboden,
- teneinde hem, verdachte, te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen,
te weten
-
het (politiek) invloed uitoefenen ter bevordering van het verkrijgen van een dienstverband bij Dienst Openbare Werken (DOW) en/of Serlimar voor genoemde personen en
-
het geven van een voorkeursbehandeling aan genoemde personen bij het verkrijgen van een baan bij de overheid en/of Serlimar en
-
het anders dan om zakelijke redenen begunstigen van die personen;
Feit 5
hij in de periode van 17 november 2017 tot en met 12 december 2019 te Aruba, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in zijn hoedanigheid van minister van ROIM, opzettelijk met misbruik van zijn functie iets heeft gedaan teneinde enig voordeel voor hem en/of een ander te verkrijgen, namelijk heeft hij:
(zaakdossier Malmok)
-
[medeverdachte 1] in haar hoedanigheid van teamcoördinator uitgiftecentrum opgedragen om in strijd met het geldende beleid medewerking te verlenen aan het verstrekken van een reservering voor rechten van erfpacht op residentieel percelen onder nummer [A] en/of [B] gelegen te Malmok aan [betrokkene 4] en [getuige 4] en
-
in strijd met het geldende beleid een reservering voor een recht van erfpacht verstrekt op het perceel [A] gelegen te Malmok aan [betrokkene 4] en
-
in strijd met het geldende beleid een reservering voor een recht van erfpacht verstrekt op het perceel [B] gelegen te Malmok aan [getuige 4]
waardoor genoemde personen met de verkregen reservering voor het recht van erfpacht op genoemde percelen enig voordeel verkregen.
en/of
(zaakdossier Spookambtenaren)
- als vertegenwoordiger van het land Aruba in zijn functie van minister van ROIM een arbeidsovereenkomst gesloten met medeverdachten [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] in de functie van liaison officer terwijl hij wist dat genoemde medeverdachten niet daadwerkelijk arbeid voortkomend uit deze arbeidsovereenkomsten zouden verrichten maar daarvoor wel salaris zouden ontvangen
(zaakdossier [medeverdachte 2])
alleen
-
buiten de bestaande procedures van DRH en/of (politieke) invloed uitgeoefend ter bevordering van het aanstellen van [medeverdachte 1] en [getuige 19] en [getuige 20] bij de DIP en
-
buiten de bestaande procedures en/of met omzeiling van de bestaande procedures van DRH en/of (politieke) invloed uitgeoefend ter bevordering van het aanstellen van [getuige 15] als directeur van Serlimar en
-
door aanwijzingen te geven aan de directeur van Serlimar (politieke) invloed uitgeoefend ter bevordering van het aanstellen van [getuige 14] en [getuige 21] en
tezamen en in vereniging met een ander
-
door aanwijzingen te geven aan de directeur van Serlimar (politieke) invloed uitgeoefend ter bevordering van het aanstellen van [getuige 22] en [getuige 16] en [getuige 11] en [getuige 17] en [getuige 18] bij Serlimar en
-
(politieke) invloed uitgeoefend ter bevordering van het aanstellen en/of benoemen van [getuige 10] bij DOW.
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hiernavolgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het volgens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Aruba.
Zaakdossier Malmok
Op 17 november 2017 is de verdachte als minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Milieu (ROIM) aangesteld.2 In die hoedanigheid heeft hij in februari 2018 een nieuw beleid afgekondigd voor de uitgifte van erfpachtgronden. Dit beleid is gericht op de depolitisering van het uitgifteproces. De DIP is als enige gemachtigde instantie aangewezen en het hele proces van de aanvragen zal via de DIP verlopen. Hiermee werd bewerkstelligd dat de burger niet langer afhankelijk zal zijn van de minister.
Ten aanzien van de uitgifte van grond in erfpacht voor woningbouw geldt als uitgangspunt dat het FIFO-systeem wordt toegepast. De procedure bestaat uit verschillende fases. Als een aanvrager in aanmerking komt voor een stuk grond, ontvangt hij een brief van pre-reservering. Een van de voorwaarden van de pre-reservering is dat de aanvrager een verklaring van een financiële instelling indient waaruit blijkt tot welk bedrag de instelling bereid is een financiële lening te verstrekken. Indien de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van de pre-reservering en in aanmerking komt voor een woningbouwperceel, ontvangt hij een reserveringsbrief waarin een perceel wordt aangeboden dat past bij zijn financiële draagkracht.3
In dit verband heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat zij sinds [datum] 2018 werkzaam is als Teamcoördinator Uitgiftecentrum bij de DIP, alwaar zij aanvragen voor terreinen voor de bouw van een woning aanneemt.4 In haar verhoor legt zij de te voeren procedure uit. Als voorwaarde in de pre-reserveringsfase moest een hypotheekbrief worden aangeleverd als bewijs van financiële draagkracht. Vervolgens vond een ‘matching’ plaats, waarbij op basis van de hypotheekbrief en het hypotheekbedrag werd bepaald voor welke perceelgrootte de aanvrager in aanmerking kwam. Aan de hand van een formule werd dit berekend in een database. Verder verklaarde zij dat zij zelf de grootte van het perceel met de nog beschikbare, uit te geven percelen matchte aan de hand van de beschikbare database van alle beschikbare terreinen en een database van alle aanvragen. Na die matching werd vervolgens een reserveringsbrief opgesteld.5 Ook verklaarde zij dat zij de enige was die deze matching kon uitvoeren.6”
Gevraagd naar de te doorlopen procedure bij de uitgifte van gronden heeft de getuige [getuige 2], als directeur van de DIP, verklaard dat hij in [datum] werd benoemd tot directeur van de DIP en op [datum] daadwerkelijk is begonnen.7 Hij verklaarde dat er ten tijde van zijn aantreden spanning was omdat er niet genoeg terreinen zouden zijn. De aanvragers wilden voornamelijk kleine percelen, omdat zij onvoldoende kredietwaardig waren voor grotere terreinen. De grote terreinen waren conform een interne richtlijn bestemd voor ‘young professionals’. [getuige 2] verklaarde verder dat de minister deze richtlijn via zijn discretionaire bevoegdheid uitvoeren kon en dat de matching werd gedaan door [medeverdachte 1] als Hoofd Uitgifte Centrum (UC).8
Over de te voeren procedure heeft de verdachte verklaard dat er een uitzondering op het FIFO-systeem is gemaakt voor grote terreinen. Dit hield volgens de verdachte in dat als er mensen waren die dat jaar nog niet aan de beurt zouden komen de DIP, het hele proces van pre-screening deed tot het moment van het tekenen van een overeenkomst. Volgens de verdachte ligt dat hele proces in de handen van de DIP en vindt er geen toetsing plaats bij het bureau.”9
Het Hof stelt op grond hiervan vast dat het FIFO-systeem het uitgangspunt vormde voor de uitgifte van erfpachtgronden, maar dat daarvan voor grote percelen werd afgeweken. Ook binnen deze uitzonderingspraktijk bleef de beoordeling van de aanvragen voorbehouden aan de DIP, waarbij de matching uitsluitend door [medeverdachte 1] werd verricht aan de hand van de financiële draagkracht van de aanvrager.
De percelen te Malmok
In deze zaak gaat het om de aanvragen van [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [getuige 4]. Uit de verklaring van de directeur van de DIP volgt dat deze aanvragen onder de hiervoor bedoelde uitzondering op het FIFO-systeem vielen.10
Bij de DIP zijn schetsen aangetroffen waarop de percelen te Malmok zijn ingetekend. Aan de hand daarvan kan het volgende overzicht worden opgesteld:11
|
Kadaster |
Veldwerknummers/kavels |
Perceelnummer |
Grootte |
|
[C] |
[2] |
3 |
761 m2 |
|
[B] |
[3] |
2 |
729 m2 |
|
[A] |
[4] |
1 |
729 m2 |
De aanvraag van [betrokkene 2]
[betrokkene 2] heeft op 1 juni 2016 een aanvraag voor een woningbouwperceel ingediend bij de DIP.12 Op 7 maart 2019 heeft hij een pre-reserveringsbrief ontvangen.13 Op 13 maart 2019 heeft hij een bankverklaring overgelegd waaruit zijn financiële draagkracht bleek.14 Vervolgens heeft de DIP een reserveringsbrief opgesteld voor perceel 1 te Malmok15 (kadastraal bekend als [A]16). Deze reserveringsbrief is op 8 april 2019 door de verdachte ondertekend.17
[medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat [betrokkene 2] de normale procedure had gevolgd, dat perceel 1 op het moment waarop het aan [betrokkene 2] werd aangeboden een vrij perceel was en dat hij dit perceel overeenkomstig het geldende beleid aangeboden heeft gekregen.18
De aanvragen van [betrokkene 4] en [getuige 4]
[betrokkene 4] heeft op 1 augustus 2017 een aanvraag voor een woningbouwperceel ingediend bij de DIP19 en [getuige 4] op 2 april 2014.20
De verdachte heeft verklaard dat hij [betrokkene 4] kent, omdat zij de partner is van een goede vriend van hem, [getuige 6].21 [getuige 6] heeft op zijn beurt verklaard dat [getuige 4] een goede familievriend is die regelmatig bij hen over de vloer komt.22 [getuige 4] heeft verklaard dat de zus van [getuige 6], [betrokkene 1], al 22 jaar zijn beste vriendin en vertrouwenspersoon is.23
Op 29 mei 2019 zijn [betrokkene 4] en [getuige 4] als uitzondering op de pre-reserveringslijst geplaatst.24,25
Op 28 juni 2019 heeft tussen de verdachte en [medeverdachte 1] een WhatsAppgesprek plaatsgevonden. [medeverdachte 1] vroeg aan de verdachte of het klopt dat [betrokkene 4] en [getuige 4] voor een perceel te Malmok gaan. De verdachte antwoordde bevestigend. Vervolgens deelde hij in twee spraakberichten mee dat [betrokkene 4] “nummer 1” zou krijgen en [getuige 4] “nummer 2”. Daarnaast zei de verdachte dat hij heeft begrepen dat [getuige 4] nog niet de pre-reserveringsbrief heeft ontvangen en dat [medeverdachte 1] daarom nog niet zijn bankbrief heeft ontvangen.26
[medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat zij niet begreep waarom de verdachte haar vertelde wie welk terrein moest krijgen. Zij verklaarde dat zij immers degene was die de matching uitvoerde en die matching kon pas plaatsvinden nadat de bankbrief was ingeleverd.27 Verder heeft zij verklaard: “Ik kreeg hier ‘wishes and wants’/wensen en verlangens van [verdachte].28 Als deze mensen voldoen aan de bestaande eisen, met name als ze voldoende financiële kracht hebben om in aanmerking te komen voor een terrein te Malmok, zullen ze aangeboden krijgen wat er vrij staat.29 Op het moment dat hij dit schrijft met zijn ‘wishes’ betreffende wie wat moet krijgen, wist ik de financiële draagkracht van deze mensen niet. Op dit moment was er nog geen matching. Nogmaals, de minister brengt iets naar voren maar er was toen nog geen sprake van een matching, aldus [medeverdachte 1].30”
De voorgenomen reserveringen
[getuige 8] heeft verklaard dat zij als allround medewerker werkzaam was bij het Uitgiftecentrum van de DIP31 en dat [medeverdachte 1] haar directe chef was. Volgens haar verrichtte [medeverdachte 1] de matching op basis van de bankbrief, waarna [getuige 8] de reserveringsbrieven opstelde.32
[getuige 8] heeft verder verklaard dat zij van [medeverdachte 1] de opdracht ontving om te werken aan vier kavels te Malmok. [medeverdachte 1] deelde haar daarbij mede dat zij de opdracht van de minister had gekregen om die kavels uit te geven.33 Zij heeft verklaard dat kavel [C] (perceel 3) in beginsel was bestemd voor [getuige 4], kavel [B] (perceel 2) voor [betrokkene 4] en kavel [A] (perceel 1) voor [betrokkene 2]. Op 27 juli 2019 heeft zij de reserveringsbrieven opgemaakt voor de terreinen die voor [getuige 4] en [betrokkene 4] bestemd waren.34
Door de DIP is een aanbiedingsbrief van 31 juli 2019 naar de verdachte gestuurd, met het verzoek de elf bijgevoegde reserveringsbrieven voor een woningbouwperceel – waaronder die van [betrokkene 4] en [getuige 4] – goed te keuren.35 Bij de DIP zijn daarnaast ongetekende en ongedateerde reserveringsbrieven aangetroffen voor [betrokkene 4]36, (perceel 237) en [getuige 4]38 (perceel 339).
De toewijzing aan [betrokkene 2]
Door de DIP is op dezelfde datum ook een aanbiedingsbrief naar de verdachte gestuurd, met het verzoek de overeenkomsten tot vestiging van een recht van erfpacht – waaronder die van [betrokkene 2] – goed te keuren.40 Op 18 augustus 2019 heeft de verdachte de overeenkomst met [betrokkene 2] ondertekend voor de vestiging van het recht van erfpacht op een perceel te Malmok, veldwerknummer [4]41, dat ook bekend staat als kavel [A] en perceel 1.42
De opdracht tot wijziging
Op 27 augustus 2019 heeft de verdachte telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte 1]. Tijdens dit gesprek heeft hij via WhatsApp een foto van een situatietekening gestuurd waarop perceelnummer 2 te Malmok is gearceerd.43 Het Hof constateert dat dit dezelfde situatietekening betreft die was gevoegd bij de reserveringsbrief aan [betrokkene 4].
[medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat [betrokkene 2] de hele procedure had doorlopen en hij gematcht werd aan het terrein te Malmok en dat zij vervolgens werd opgebeld door minister [verdachte] die haar vertelde dat de aanbieding van het terrein aan [betrokkene 2] moest worden gewijzigd en dat het terrein moest worden aangeboden aan [betrokkene 4].44 Verder verklaarde [medeverdachte 1] dat zij tegen de minister zei dat zij nog niet wist of [betrokkene 4] wel de financiële draagkracht had voor het terrein bij Malmok. En verklaarde vervolgens dat zij hem zei dat er twee andere terreinen beschikbaar waren voor [betrokkene 4] en dat het niet logisch was om de verandering te doen omdat [betrokkene 2] al zover was in zijn procedure, maar dat er geen ruimte was voor discussie. Volgens [medeverdachte 1] deed de minister een verzoek, waaraan vervolgens moest worden voldaan.45 [medeverdachte 1] kon zich nog herinneren dat de minister zelfs gezegd heeft dat hij degene is die beslist wie degenen zijn die daar geplaatst worden, terwijl het normale uitgeefbare percelen zijn.46”
Tijdens een overleg op 2 september 2019, waarbij de verdachte, [medeverdachte 1], [getuige 12] en [getuige 2] aanwezig waren, heeft [medeverdachte 1] opnieuw aangegeven dat zij het niet eens was met de grondruil, omdat [betrokkene 2] al zover in het proces was. Zij heeft verklaard dat de verdachte daarop heeft gereageerd dat hij het niet op prijs stelde dat zij dat naar voren bracht. Daarbij sloeg hij met zijn hand op tafel en zei: “Ik ben de minister” en dat zijn verzoek uitgevoerd moest worden.47 [medeverdachte 1] verklaarde dat de verdachte haar op deze manier duidelijk liet blijken dat hij haar inbreng niet op prijs stelde en dat het er gewoon op neer kwam dat zij de opdracht moest uitvoeren.48”
Ten aanzien van [getuige 4] heeft [medeverdachte 1] verklaard dat de verdachte had gevraagd om [getuige 4] op te schuiven zodat [betrokkene 4] en [getuige 4] naast elkaar zouden komen:49 Zij verklaarde dat de planning echter was om perceelnummer 3 aan [getuige 4] te geven, maar dat de verdachte opdroeg om hem perceelnummer 2 te geven zodat [betrokkene 4] en [getuige 4] naast elkaar zouden komen.50
[medeverdachte 1] heeft in dit verband verder verklaard dat de afdeling ‘gedepolitiseerd’ was en dat een minister dus eigenlijk niet betrokken kon zijn bij de beslissingen van een departement. Als er een beleid opgesteld is en alle processen volgens het bestaand beleid doorlopen moeten worden, hoorde het volgens [medeverdachte 1] niet zo te zijn dat een minister zegt dat iemand niet een bepaalde plek mag krijgen en dat een bepaalde persoon ergens weggehaald moet worden zodat iemand anders het uitgegeven moet krijgen.51”
De uitvoering van de opdracht
[getuige 8] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] haar vervolgens opdracht heeft gegeven om nieuwe reserveringsbrieven voor [betrokkene 4] en [getuige 4] op te stellen. De verandering hield in dat de reservering van kavel [A] (perceel 1) voor [betrokkene 2] kwam te vervallen en dat [betrokkene 4] deze kavel vervolgens kreeg toegewezen. [getuige 4], die in beginsel kavel [C] (perceel 3) had gekregen, kreeg in plaats daarvan kavel [B] (perceel 2), die eerder aan [betrokkene 4] was toegewezen, aldus [getuige 8].
Toen [getuige 8] aan [medeverdachte 1] vroeg waarom deze wijzigingen gedaan moesten worden, kreeg zij als antwoord van [medeverdachte 1] dat zij daartoe mondeling opdracht had gekregen van de verdachte.52
De nieuwe reserveringsbrieven voor [betrokkene 4] voor kavel [A]53 (perceel 1)54 en voor [getuige 4] voor kavel [B]55 (perceel 2)56 zijn vervolgens door de verdachte ondertekend en respectievelijk op 10 september 2019 door [betrokkene 4]57 en op 24 september 2019 door [getuige 4]58 ontvangen.
Bewijsoverwegingen
Het Hof stelt voorop dat het bij het strafrechtelijk verwijt ‘misbruik van functie’ moet gaan om een ambtenaar die opzettelijk met misbruik van zijn functie iets doet of nalaat om enig voordeel voor zichzelf of een ander te verkrijgen. Dat brengt met zich dat de gedraging van de ambtenaar in relatie moet staan tot zijn functie, in die zin dat die functie hem tot die gedraging in staat stelt, maar dat de gedraging bij een normale uitoefening van de functie achterwege zou blijven en dat de gedraging door de ambtenaar is verricht om enig voordeel te verkrijgen. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat het criterium ‘misbruik’ zelf al een tamelijk strenge wederrechtelijkheidstoets impliceert en, voorts dat in de aard van het ministerschap besloten ligt dat al snel sprake kan zijn van overtreding van een geschreven norm. Ministers hebben de ambtseed afgelegd, inhoudende dat hij in zijn betrekking als minister niets zal doen of nalaten voor een ander en ook van niemand – middellijk of onmiddellijk – een belofte of geschenk zullen aannemen. In de eed wordt ook beloofd om het welzijn van Aruba naar vermogen voor te staan. Uit de memorie van toelichting bij Landsverordening integriteitsbevordering ministers volgt verder dat ‘politieke gezagsdragers vervullen een voorbeeldfunctie. Hun handelen en nalaten heeft effect op de gehele ambtelijke organisatie en op de samenleving. (...). Wil men het vertrouwen van de burger behouden en versterken, dan is dat alleen mogelijk als de rechtmatigheid, zorgvuldigheid en het fatsoen van de bestuurders buiten kijf staat, met andere woorden als de integriteit van het bestuur is gewaarborgd’. Dit brengt mee dat laakbaar gedrag reeds voldoende kan zijn voor overtreding van artikel 2:354 Sr.
Het Hof overweegt ten aanzien van het onderhavige dossier dat volgens het door de verdachte ingevoerde uitgiftebeleid de beoordeling van aanvragen, waaronder de matching van aanvragers aan een concreet erfpachtperceel, was voorbehouden aan de DIP. Dit gold ook voor aanvragen die onder de binnen dat beleid gehanteerde uitzondering op het FIFO-systeem vielen. Binnen dit stelsel was geen rol weggelegd voor de minister bij de concrete perceeltoewijzing.
De verdachte heeft desondanks ingegrepen in dat besluitvormingsproces. Daarbij heeft hij zijn ministeriële gezag gebruikt om een wijziging af te dwingen van de perceelverdeling die overeenkomstig het geldende beleid reeds tot stand was gekomen. Dit heeft de verdachte bovendien gedaan teneinde [betrokkene 4] en [getuige 4] te bevoordelen door hen specifieke erfpachtpercelen toe te wijzen. Deze handelwijze had – gelet op het gedepolitiseerde uitgiftebeleid – bij een normale uitoefening van de functie achterwege behoren te blijven.
De verdachte heeft verklaard dat hij in het WhatsAppgesprek van 28 juni 2019 een eerder met de DIP gemaakte afspraak over de verdeling van de percelen heeft bevestigd en vervolgens slechts heeft opgedragen die verdeling conform die afspraak te herstellen. Het betrof aldus een administratieve vergissing die moest worden teruggedraaid. Het Hof acht deze verklaring niet geloofwaardig. Voor het bestaan van een dergelijke afspraak bevat het dossier namelijk geen enkel aanknopingspunt. Geen van de betrokken medewerkers van de DIP heeft van een dergelijke afspraak melding gemaakt. Uit de bewijsmiddelen volgt juist dat de matching exclusief door [medeverdachte 1] werd uitgevoerd op basis van de bankverklaring van de aanvrager, terwijl die bankverklaring ten aanzien van [getuige 4] ten tijde van het WhatsAppgesprek nog niet was overgelegd. Reeds daarom kan niet worden aangenomen dat binnen de DIP al een definitieve of bindende toedeling bestond. Nog daargelaten dat het niet op de weg van de minister lag om een eventuele vergissing op de onderhavige wijze recht te zetten, aangezien hij zich immers afzijdig diende te houden van de toewijzingsprocedure. Dat het enkel ging om het rechtzetten van een administratieve fout acht het Hof ook overigens niet aannemelijk, nu uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat er een ander perceel beschikbaar was voor [betrokkene 4] – hetgeen zij een passende oplossing vond - maar de verdachte daarmee niet akkoord ging.
De verdediging heeft nog als verweer gevoerd dat de verklaring van [medeverdachte 1] op het punt van het uitgiftebeleid onbetrouwbaar is. Het Hof acht echter de verklaring van [medeverdachte 1] wel betrouwbaar. Haar verklaring wordt immers op onderdelen ondersteund, zoals door het hiervoor aangehaalde Whatsappgesprek, maar ook door de verklaring van [getuige 8]. [medeverdachte 1] heeft ook consistent verklaard, waarbij zij ook zichzelf heeft belast door te vertellen dat zij heeft meegewerkt aan de oneigenlijke wijziging van de eerdere toewijzing van een perceel aan [betrokkene 2]. Het Hof ziet gezien dit alles dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1].
Gelet op het voorgaande acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van zijn functie door als minister in te grijpen in het aan de DIP voorbehouden uitgifteproces van erfpachtpercelen, teneinde [betrokkene 4] en [getuige 4] te bevoordelen.
Zaakdossier Spookambtenaren
Aan de verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij als minister van ROIM medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] heeft voorgedragen voor een aanstelling als liaison officer, vervolgens namens het Land arbeidsovereenkomsten met hen heeft gesloten en deze in stand heeft gehouden, terwijl hij wist dat zij de overeengekomen werkzaamheden niet zouden verrichten, waardoor het Land Aruba zou zijn bewogen tot de afgifte van arbeidsovereenkomsten, salarissen en toelagen.
Voor de beoordeling van de zaak stelt het Hof voorop dat personeel bij het bureau van een minister wordt aangesteld nadat de betrokken minister daartoe een voordracht aan de ministerraad heeft gedaan.59 Volgens getuige [getuige 3], de directeur van de Directie Human Resources (DRH), wordt zo’n voordracht op basis van goed vertrouwen goedgekeurd.60
Over de inhoud van de functie van liaison officer hebben zowel de chief of staff, [getuige 5], als de verdachte verklaard. Uit hun verklaringen volgt dat een liaison officer rechtstreeks onder de minister valt. De minister bepaalt de inhoud van de werkzaamheden, verstrekt de opdrachten en is degene aan wie de liaison officer over de uitvoering van die werkzaamheden verantwoording aflegt.61,62,63
Het Hof stelt op grond hiervan vast dat de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan een dienstverband als liaison officer in beslissende mate afhankelijk is van de minister onder wiens verantwoordelijkheid de liaison officer werkzaam is.
[medeverdachte 3]
Op 30 januari 2018 heeft [medeverdachte 3] zich met een open sollicitatiebrief tot de verdachte gewend. In die brief bood hij aan gedurende twee jaar leegstaande woningen en terreinen in San Nicolas in kaart te brengen.64
Op 16 maart 2018 heeft de verdachte als minister van ROIM de ministerraad verzocht in te stemmen met de indienstneming van [medeverdachte 3], in de functie van liaison bij het bureau van de minister van ROIM, met ingang van 1 april 2018, tegen een salaris overeenkomstig schaal 6, dienstjaar 13, vermeerderd met een telefoon- en autotoelage.65 De ministerraad heeft op 23 maart 2018 met deze voordracht ingestemd.66
Vervolgens heeft de verdachte namens het Land op 6 december 2018 een arbeidsovereenkomst gesloten met [medeverdachte 3] voor de functie van liaison bij het bureau ROIM. Deze overeenkomst is aangegaan voor minimaal 40 uur per week, met ingang van 1 april 2018 voor de duur van de regeerperiode. Het overeengekomen brutosalaris bedraagt Afl. 4.050,- per maand, vermeerderd met een toelage van 25 procent naar analogie van artikel 25 van de Landsverordening Ambtenarenrecht, een maandelijkse autotoelage van Afl. 250,- en een maandelijkse telefoontoelage van Afl. 250,-.67
Uit de bankgegevens van [medeverdachte 3] blijkt dat vanaf juni 2018 tot en met juni 2020 maandelijks betalingen op zijn rekening zijn ontvangen met als omschrijving ‘Government Salaries’.68 Het Hof stelt op grond daarvan vast dat [medeverdachte 3] gedurende de ten laste gelegde periode salaris en toelagen van het Land Aruba heeft ontvangen.
[medeverdachte 3] heeft tegenover de Landsrecherche verklaard dat hij de verdachte persoonlijk leerde kennen tijdens de verkiezingscampagne van de verdachte in 2018, omdat hij veel kritiek uitte op de verdachte via Facebook.69 Hij had een sollicitatiebrief geschreven en werd toen telefonisch uitgenodigd door de verdachte voor een lunch. Tijdens die lunch heeft de verdachte hem de aanstelling aangeboden.70 Op de vraag waarom de verdachte deze baan aan [medeverdachte 3] heeft gegeven, antwoordde hij dat hij heel scherp is en dat je hem beter aan je zijde kunt hebben. Volgens [medeverdachte 3] kennen alle ministers hem en zijn ze allemaal bang van hem. Hij dacht dat ze wilden dat ze hem aan hun kant wilden houden.”71 Hij had later gehoord dat de verdachte hem wilde aannemen omdat hij anders kritiek zou blijven uiten.72
[medeverdachte 3] heeft verder verklaard dat hij na zijn indiensttreding geen opdrachten van de verdachte heeft ontvangen en geen werkplek of andere faciliteiten heeft gekregen. Hoewel hij de verdachte om werkzaamheden heeft gevraagd, heeft hij die niet gekregen. Uiteindelijk kwam hij naar eigen zeggen tot de conclusie dat hij een “politiek baantje” had zonder taakomschrijving.73
Daar komt bij dat [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij na zijn indiensttreding weinig contact met de verdachte had. Hij denkt dat hij de verdachte na zijn aanstelling vier keer heeft gezien. Hij heeft ook nooit vakantiedagen opgegeven en verklaarde dat ook al zou hij op Aruba zijn, dan zou hij ook op vakantie zijn, want hij deed toch niks. Hij heeft verklaard dat hij daarom zijn eigen ding is gaan doen, waaronder het leggen van contacten in Colombia.74
De verklaring van [medeverdachte 3] vindt steun in zijn reisgegevens. Daaruit blijkt dat hij tijdens zijn dienstverband – voorzover hier van belang – driemaal gedurende langere tijd in Colombia verbleef, namelijk van 27 september 2018 tot en met 10 oktober 2018, van 19 juni 2019 tot en met 30 juni 2019 en van 25 september 2019 tot en met 1 december 2019.75
De verdachte heeft hierover verklaard dat [medeverdachte 3] niets in Colombia voor hem deed en dat het verblijf van [medeverdachte 3] in Colombia niet werkgerelateerd was. Daarnaast heeft hij verklaard niet te hebben geweten dat [medeverdachte 3] gedurende langere tijd in Colombia verbleef.76 Ook hieruit leidt het Hof af dat van een aansturing van [medeverdachte 3] door de verdachte of van enige verantwoording van [medeverdachte 3] aan de verdachte gedurende het dienstverband geen sprake was.
Het Hof stelt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat vanaf de aanvang van het dienstverband feitelijk geen uitvoering is gegeven aan de arbeidsovereenkomst van [medeverdachte 3] als liaison officer. Gelet op de positie van de verdachte als minister, die de inhoud van de werkzaamheden bepaalde, de opdrachten verstrekte en degene was aan wie de liaison officer over de uitvoering daarvan verantwoording diende af te leggen, leidt het Hof af dat de verdachte reeds ten tijde van de voordracht wist dat [medeverdachte 3] niet daadwerkelijk werkzaamheden als liaison officer voor het Land Aruba zou gaan verrichten. In dat verband neemt het Hof mede in aanmerking dat [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de aanstelling volgde nadat hij zich publiekelijk kritisch over de verdachte had uitgelaten.
[medeverdachte 4]
Op 23 oktober 2018 heeft de verdachte als minister van ROIM de ministerraad verzocht in te stemmen met de indienstneming van [medeverdachte 4], in de functie van liaison bij het bureau van de minister van ROIM, met ingang van 1 november 2018, tegen een salaris overeenkomstig schaal 6, dienstjaar 13, vermeerderd met een telefoon- en autotoelage.77 De ministerraad heeft op 2 november 2018 met deze voordracht ingestemd.78
Vervolgens heeft de verdachte namens het Land op 6 december 2018 een arbeidsovereenkomst gesloten met [medeverdachte 4] voor de functie van liaison officer bij het bureau ROIM. Deze overeenkomst is aangegaan voor minimaal 40 uur per week, met ingang van 7 november 2018 voor de duur van de regeerperiode. Het overeengekomen brutosalaris bedraagt Afl. 4.050,- per maand, vermeerderd met een maandelijkse autotoelage van Afl. 250,- en een maandelijkse telefoontoelage van Afl. 250,-.79
Uit de bankgegevens van [medeverdachte 4] blijkt dat hij vanaf november 2018 tot en met juni 2020 maandelijks betalingen heeft ontvangen met als omschrijving ‘Salaris Centrale Bank’.80 Het Hof stelt op grond daarvan vast dat [medeverdachte 3] gedurende de ten laste gelegde periode salaris en toelagen van het Land Aruba heeft ontvangen.
Op 2 november 2018, dezelfde dag waarop de ministerraad met zijn aanstelling heeft ingestemd, stuurde [medeverdachte 4] via WhatsApp aan de verdachte foto's van door hem verspreide pamfletten. Nadat [medeverdachte 4] zich tegenover de verdachte kenbaar had gemaakt, antwoordde de verdachte dat hij wist wie hij was.81 Op 6 november 2018 berichtte [medeverdachte 4] de verdachte: “Baas (jefe) stuur mij de informatie aangaande de tequila. Ik ben klaar om te werken. Ik ga naar [betrokkene 7] toe om meer pamfletten te halen.” De verdachte antwoordde daarop dat [betrokkene 7] zojuist tegen hem heeft gezegd dat ze van plan zijn om het feest te cancelen, omdat ze geen tickets hebben verkocht.82 Een dag later vroeg [medeverdachte 4] de verdachte opnieuw om informatie over de tequila: “Heeft u de prijs en informatie over tequila, ik ben al klaar.”83 Het Hof concludeert dat uit deze berichten volgt dat [medeverdachte 4] zich onmiddellijk na zijn aanstelling bezighield met werkzaamheden die verband hielden met de promotie en verkoop van tequila en dat de verdachte daarvan op de hoogte was en hem daarbij aanstuurde.
Dit beeld wordt bevestigd door de verklaring van [getuige 7]. [getuige 7] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 6], de zoon van de verdachte, de onderneming [bedrijf 1] had, die zich bezighield met de verkoop van tequila van het merk Don Valente. Aanvankelijk vond de verkoop van de tequila plaats door [bedrijf 2].84 Nadat die onderneming eind 2018 dan wel begin 2019 haar activiteiten had beëindigd, werden de rechten overgedragen aan [bedrijf 1]. Omdat de oprichting en inschrijving van [bedrijf 1] enige tijd in beslag namen, werden de bedrijfsactiviteiten voorlopig onder de naam [bedrijf 2] voortgezet. Hij heeft [medeverdachte 4] in 2018 leren kennen en op enig moment heeft [medeverdachte 4] aangeboden om hun producten te verkopen.85
Op 3 december 2018 stuurde [medeverdachte 4] aan de verdachte: “Goedemiddag baas, ik heb alles al met [getuige 7] afgesproken. Ik heb een marktonderzoek gedaan en we zijn op u aan het wachten.”86 [getuige 7] heeft hierover verklaard: “In die periode begon [medeverdachte 4] inderdaad een soort marktonderzoek te doen. Toentertijd was het nog voor [bedrijf 2].”87
Het dossier bevat voorts nog een voicenote van de verdachte aan [medeverdachte 4] d.d. 15 december 2018 waarin hij hem verzocht opnieuw langs te gaan bij een potentiële afnemer van tequila. Hierbij zei de verdachte onder meer: “Hij/zij is ook bereid om het voor ons mooi te presenteren, zodat wij het hard kunnen aanpakken, om druk te blijven zetten de komende dagen.” De verdachte vroeg vervolgens aan [medeverdachte 4] om hierover contact op te nemen met [getuige 7]88 Hieruit leidt het Hof af dat de verdachte niet alleen wist dat [medeverdachte 4] werkzaamheden voor de tequilaonderneming verrichtte, maar hem daarbij ook inhoudelijk aanstuurde.
De tapgesprekken uit oktober en november 2019 laten vervolgens zien dat deze werkzaamheden niet incidenteel waren. Op 22 oktober 2019 droeg [medeverdachte 6] [medeverdachte 4] op die ochtend te komen werken. Toen [medeverdachte 4] aangaf dat hij zijn broers en zussen van het vliegveld moet ophalen, omdat zij om 12.00 uur aankomen, antwoordde [medeverdachte 6]: “Ok, maar dan vertrek je later om hun op te halen, toch? Je kan niet de hele dag niks doen, toch?” [medeverdachte 4] legt uit dat hij graag iets voor hen had willen koken en voorbereiden. Uiteindelijk stemde hij ermee in om te komen werken. In een gesprek iets later die ochtend deelde [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 6] mee dat hij de eerder besproken materialen nog niet heeft kunnen ophalen: “De gozer is er niet. Ik moet dat alleen maar na de middag gaan halen.” Wanneer [medeverdachte 6] hem erop wijst dat hij dit al twee dagen eerder had gezegd en hem vraagt of hij vanmiddag dan wel zeker weten kan gaan, antwoordde [medeverdachte 4]: “Vanmiddag weet ik het niet, [medeverdachte 6]. Vanmiddag komen mijn broers/zussen aan.” [medeverdachte 6] antwoordde daarop: “Ja, dat begrijp ik maar het is een werkdag, [medeverdachte 4]. Waar haal je het vandaan...?” [medeverdachte 4] legt vervolgens uit waarom hij die middag vrij had willen zijn: “[medeverdachte 6], als dit een normaal bedrijf was geweest, zou ik een week vakantie hebben aangevraagd, zou ik voor 2 dagen vakantie hebben gevraagd, ik zou AO gaan/ik zou me ziek hebben gemeld. Ik zou wat dan ook kunnen doen. Met deze kan ik het niet doen. Vandaar dat ik je vraag... Het is eenmalig. Ik heb mijn broers/zussen 5 jaren niet gezien. Ik was van plan om vandaag iets voor hun te koken, iets voor hun te bewaren, maar ik kan niks doen omdat jij je geen 2 uren zonder mij kan veroorloven.”89
Op 21 november 2019 vroeg [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 6] of hij na de middag mag komen, omdat de grootmoeder van zijn kind aan het koken is. [medeverdachte 4] vroeg vervolgens aan [medeverdachte 6] wat hij nodig heeft, waarop [medeverdachte 6] antwoordde: “Gewoon. Je werk. Hoe bedoel je wat heb je nodig? Je werkt van 8 tot, mensen werken 8 uren, en niet 3 uren per dag.” [medeverdachte 4] zei daarop dat [medeverdachte 6] weet dat hij elk uur gedurende de avond werkt en vraagt [medeverdachte 6] om een kans. [medeverdachte 6] antwoordde dat het goed is, maar dan wel gelijk na de middag.90 Een dag later, op 22 november 2019, vroeg [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 4] wat hij aan het doen was en waarom hij niet kon komen. [medeverdachte 4] zei daarop tegen [medeverdachte 6] dat hij alles onder controle heeft. [medeverdachte 6] reageerde daarop dat [medeverdachte 4] drie bezorgingen voor hem moet doen. [medeverdachte 4] zei dat hij dat niet wist. [medeverdachte 6] antwoordde: “Nee, je hoeft geen klote te weten, [medeverdachte 4]. Je moet werken. Je wordt 3000 zoveel florins betaald. En over een maand zal [getuige 1] overnemen en de zaken zullen voor jou veranderen, he.”91 [medeverdachte 6] heeft hierover verklaard dat [getuige 1] het ministerschap ging overnemen van zijn vader, de verdachte.92
Het Hof leidt uit de hiervoor weergegeven tapgesprekken af dat [medeverdachte 4] gedurende zijn dienstverband feitelijk werkzaamheden verrichtte ten behoeve van de tequilaonderneming. Van werkzaamheden die verband hielden met zijn functie van liaison officer bij het bureau van de minister van ROIM is daarentegen in het dossier niet gebleken. Uit de gesprekken blijkt voorts dat binnen de onderneming rekening werd gehouden met het naderende vertrek van de verdachte als minister en de komst van [getuige 1] als diens opvolger. De opmerking van [medeverdachte 6] dat de situatie voor [medeverdachte 4] zou veranderen zodra [getuige 1] minister zou worden, duidt erop dat [medeverdachte 4]s positie rechtstreeks verband hield met de aanwezigheid van de verdachte als minister.
Daarbij komt dat uit de bankgegevens van [medeverdachte 4] blijkt dat hij gedurende de gehele ten laste gelegde periode uitsluitend salaris ontving van het Land Aruba uit hoofde van zijn aanstelling als liaison officer.93 Het netto maandsalaris van ongeveer Afl. 3.900,- sluit bovendien aan bij de opmerking van [medeverdachte 6] over het bedrag dat [medeverdachte 4] ontving. Voorts is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat [medeverdachte 4] voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de tequilaonderneming salaris ontving of anderszins financieel werd gecompenseerd.
Op grond van al het voorgaande stelt het Hof vast dat [medeverdachte 4] feitelijk voor de tequilaonderneming werkte, terwijl zijn salaris en toelagen door het Land Aruba werden betaald. Nu de verdachte [medeverdachte 4] zelf voor benoeming heeft voorgedragen, namens het Land Aruba diens arbeidsovereenkomst heeft ondertekend en hem vanaf het begin van het dienstverband persoonlijk heeft aangestuurd bij werkzaamheden voor de tequilaonderneming, kan het naar het oordeel van het Hof niet anders zijn dan dat de verdachte reeds ten tijde van de voordracht wist dat [medeverdachte 4] niet daadwerkelijk werkzaamheden als liaison officer zou verrichten.
Nadere bewijsoverwegingen
De verdediging heeft aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hun werkzaamheden als liaison officer niet hebben verricht. Volgens de verdediging miskent het Openbaar Ministerie de aard van de functie. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zouden hun werkzaamheden grotendeels buiten het bestuurskantoor hebben verricht, zodat het gegeven dat medewerkers op het ministerie hen nauwelijks of niet hebben gezien, niet de conclusie rechtvaardigt dat zij geen werkzaamheden verrichtten. Ter onderbouwing heeft de verdediging gewezen op diverse getuigenverklaringen waaruit volgens haar volgt dat beide mannen wel degelijk werkzaamheden hebben uitgevoerd en in dat kader contacten onderhielden met derden.
Het Hof verwerpt dit verweer.
Voor de beantwoording van de vraag of [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] uitvoering hebben gegeven aan hun arbeidsovereenkomsten is niet beslissend of zij incidenteel werkzaamheden of activiteiten hebben verricht, maar of zij daadwerkelijk werkzaam waren als liaison officer bij het bureau van de minister. Kenmerkend voor die functie is immers dat de werkzaamheden door de minister worden bepaald, dat de minister opdrachten verstrekt en dat de liaison officer daarover aan de minister verantwoording aflegt.
De door de verdediging aangehaalde getuigenverklaringen bieden daarvoor geen aanknopingspunten. Daaruit volgt hoogstens dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] incidenteel bij stafbijeenkomsten aanwezig waren, zich soms ophielden in of rond gebouwen van ROIM, telefonisch bereikbaar waren of door collega's bij bepaalde activiteiten zijn gezien. Dergelijke waarnemingen zeggen echter niets over de vraag of zij uitvoering gaven aan hun dienstverband als liaison officer. Geen van deze getuigen kan uit eigen wetenschap verklaren dat de verdachte hun concrete opdrachten gaf, dat zij daarover aan hem rapporteerden of dat zij structureel werkzaamheden verrichtten onder zijn gezag als minister. De verklaringen van deze getuigen zijn daarom niet onverenigbaar met de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden.
Dat geldt eveneens voor de door de verdediging genoemde projecten waarbij [medeverdachte 3] volgens [getuige 9] betrokken zou zijn geweest. Nog daargelaten dat de aard, duur en omvang van die werkzaamheden niet concreet zijn geworden, volgt daaruit niet dat deze werkzaamheden werden verricht in het kader van de arbeidsovereenkomst als liaison officer. Evenmin volgt daaruit dat de verdachte deze werkzaamheden in zijn hoedanigheid van minister heeft opgedragen of daarop toezicht hield. Ook deze verklaring doet daarom niet af aan de hiervoor getrokken conclusies.
Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hun werkzaamheden hoofdzakelijk buiten het bestuurskantoor uitvoerde en dit daarom niet door de gehoorde ambtenaren is waargenomen, overweegt het Hof dat dit op zichzelf nog niet verklaart waarom uit geen enkel objectief gegeven blijkt dat daadwerkelijk uitvoering werd gegeven aan de arbeidsovereenkomsten. In het dossier ontbreken aanknopingspunten waaruit volgt dat de verdachte [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] concrete opdrachten verstrekte, dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] over hun werkzaamheden rapporteerden of dat de verdachte toezicht hield op de uitvoering daarvan. Juist bij een medewerker die rechtstreeks onder de bevoegdheid van de minister valt, ligt het in de rede dat dergelijke aanwijzingen aanwezig zijn indien daadwerkelijk uitvoering aan de functie wordt gegeven.
Ook het beroep van de verdediging op de Arubaanse bestuurspraktijk van politieke benoemingen faalt. Dat ministers binnen de geldende regelgeving een ruime mate van vrijheid hebben bij de samenstelling van hun bureau en dat politieke benoemingen als zodanig zijn toegestaan, staat in deze zaak niet ter discussie. De strafrechtelijke verwijten zien niet op de benoeming als zodanig, maar op het voordragen en in dienst houden van personen terwijl de verdachte wist dat zij niet overeenkomstig hun arbeidsovereenkomsten voor het Land Aruba zouden worden ingezet. De bestuurlijke vrijheid om vertrouwenspersonen te benoemen strekt niet zover dat daarmee onder het mom van een dienstbetrekking salarissen uit Landsmiddelen kunnen worden betaald zonder dat de overeengekomen werkzaamheden worden verricht.
Oplichting
Het Hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen worden gekwalificeerd als oplichting van het Land Aruba. Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
Het Hof stelt vast dat voordrachten voor personeel bij het bureau van een minister binnen de ministerraad op basis van goed vertrouwen werden beoordeeld. De ministerraad mocht er dan ook vanuit gaan dat de door de verantwoordelijke minister voorgedragen personen daadwerkelijk zouden worden ingezet voor de functies waarvoor zij werden voorgedragen.
Zoals hiervoor is overwogen, wist de verdachte al ten tijde van de voordrachten van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] dat zij niet overeenkomstig hun arbeidsovereenkomsten werkzaamheden als liaison officer zouden verrichten. Door hen dan toch voor benoeming voor te dragen en tegenover de ministerraad de indruk te wekken dat sprake was van reguliere dienstbetrekkingen waarin de werkzaamheden daadwerkelijk zouden worden verricht, heeft de verdachte een onjuiste voorstelling van zaken gecreëerd.
Aannemelijk is dat de ministerraad, als zij ten tijde van de voordrachten bekend was geweest met de werkelijke situatie, niet met de voordrachten zou hebben ingestemd. De instemming van de ministerraad berustte daarom op de door de verdachte gewekte onjuiste voorstelling van zaken. Als gevolg daarvan zijn de arbeidsovereenkomsten tot stand gekomen en zijn uit Landsmiddelen salarissen en toelagen aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] uitbetaald.
Door zo te handelen heeft de verdachte de ministerraad door middel van een samenweefsel van verdichtsels en/of listige kunstgrepen bewogen met de voordrachten in te stemmen, waardoor het Land Aruba is bewogen tot de afgifte van geld, bestaande uit de aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] betaalde salarissen en toelagen.
Het Hof leidt uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden ook af dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] wederrechtelijk te bevoordelen. De verdachte wist dat zij niet overeenkomstig hun arbeidsovereenkomsten als liaison officer zouden worden ingezet, maar heeft er toch voor gezorgd dat zij uit Landsmiddelen salarissen en toelagen ontvingen die niet zouden zijn betaald als de ministerraad met de werkelijke gang van zaken bekend was geweest.
Het Hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het onder 2 ten laste gelegde (oplichting) wettig en overtuigend bewezen is. De verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van zijn positie en bevoegdheden als minister van ROIM. Daarmee acht het Hof ook het onder 5 ten laste gelegde misbruik van functie wettig en overtuigend bewezen.
Zaakdossier [medeverdachte 2]
Inleiding
In het zaaksdossier [medeverdachte 2] spelen twee verdachten een centrale rol, te weten de verdachte en [medeverdachte 2]. Voor de leesbaarheid zal het Hof hen zoveel mogelijk aanduiden bij hun achternaam.
Verder wordt in deze zaak verwezen naar na te noemen politieke partijen.
Arubaanse Volkspartij: AVP;
Movimiento Electral di Pueblo: MEP;
Pueblo Orguyoso y Respeta POR.
Ook zijn na te noemen ministeries en de (in de tenlastegelegde periode) daaronder vallende directies of diensten van belang.
- het Ministerie van Algemene Zaken, Cultuur, Milieu en Natuur;
-
Bestuurskantoor Cocolishi.
-
Departamento di Recurso Humano: DRH
- het Ministerie van Toerisme, Transport en Arbeid, vanaf 13 oktober 2013 het Ministerie van Toerisme, Transport, Primaire Sector en Cultuur;
Directie Landbouw, Veeteelt en Visserij: DLVV (in de volksmond Santa Rosa)
- het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Infrastructuur en Milieu (ROIM);
-
Bureau van de minister
-
Directie Infrastructuur en Planning: DIP
-
Instellingen, Commercie, Toerisme, Recreatie en ‘Niet-verleenbaar’ (ICTRN)
-
Uitgifte Centrum (UC)
-
Dienst Openbare Werken (in de volksmond publieke werken): DOW
-
Directie Onderhouds-en Milieudiensten: DOM
-
Servicio di Limpieza di Aruba: Serlimar.
Ten aanzien van Serlimar is van belang dat Serlimar al sinds 2005 een sui generis is. In de Memorie van Toelichting op de Landsverordening Serlimar (LV Serlimar)94 is het volgende bepaald:
Uit de aard van het Bedrijf als rechtspersoon sui generis volgt ten eerste dat de rol van de betrokken minister – in casu de minister van Volksgezondheid en Milieu, hierna te noemen de Minister – bij zijn functioneren beperkt zal zijn. In concreto zal die rol bestaan uit het geven van aanwijzingen van algemene aard, het benoemen van de meerderheid van de leden van het toezichthoudend orgaan en, onder bepaalde omstandigheden, het toepassing geven aan een taakverwaarlozingsbepaling. Een dergelijke rol komt overeen met de grote mate van zelfstandigheid die door de regering wenselijk wordt geacht voor het goed functioneren van het Bedrijf.
De politieke loopbaan van [verdachte]
[Verdachte] is al sinds 1994 actief in de Arubaanse politiek. Hij is begonnen als adviseur bij het bureau van de minister van Economische Zaken van Toerisme. Tussen 2001 en 2009 was hij AVP-parlementslid van de Staten van Aruba. Daarna werd hij minister van Toerisme en Transport. In november 2016 trad hij af als minister, stapte hij uit de AVP en richtte hij een nieuwe politieke partij op, POR. Bij de verkiezingen in september 2017 haalde POR twee zetels. [Verdachte] werd op 17 november 2017 als minister beëdigd in het kabinet Wever-Croes I. [Verdachte] kreeg de leiding over het Ministerie van ROIM. Op 17 september 2019 kondigde hij zijn vertrek aan, waarna hij zijn ambt als minister op 12 december 2019 formeel neerlegde. Zijn ministerpost werd op 28 januari 2020 overgenomen door [getuige 1]. Zij constateerde vrijwel direct onregelmatigheden bij het Ministerie van ROIM, die zij heeft aangekaart onder meer bij de Landsrecherche.95
De loopbaan van [medeverdachte 2] in de politiek
Uit de verklaringen van [medeverdachte 2] in het dossier blijkt dat zij in 1994 is begonnen als secretaresse van de minister van Economische Zaken van Toerisme. Van 2001 tot 2009 werkte zij als administratief medewerkster bij Serlimar. In 2010 heeft [verdachte] haar gevraagd om voor hem te komen werken bij Santa Rosa. Daar is ze tot 2014 gebleven. Toen [verdachte] minister werd is ze publieke werken gaan doen. Nadat [verdachte] de APV verliet, is zij teruggegaan naar Santa Rosa. Daar heeft ze gewerkt totdat [verdachte] in 2017 de verkiezingen won en minister van ROIM werd. In november 2017 is zij ter beschikking gesteld aan [verdachte]. Zij is toen gaan werken op het bureau van de minister. Daar is ze blijven werken tot zij in januari 2020 een toegangsverbod kreeg. Op 10 augustus 2020 werd zij geschorst.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs voor de feiten 4 en 5
Bij feit 4 wordt [verdachte] verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping omdat hij in zijn functie van minister van ROIM, samen met een ander ([medeverdachte 2]) (politieke) invloed heeft uitgeoefend ter bevordering van het verkrijgen van een baan bij een overheidsdienst en/of het geven van een voorkeursbehandeling aan [getuige 10], [getuige 16], [getuige 21], [getuige 14], [getuige 22], [getuige 17], [getuige 18] en [getuige 11]. Deze personen is een voorkeursbehandeling gegeven bij het krijgen van een baan bij – kort gezegd – een overheidsdienst (DOW en/of Serlimar) in ruil voor politieke steun (in de zin van campagnevoeren en/of stemmen op [verdachte] of zijn partij POR).
Als verwijt worden onder de gedachtestreepjes verschillende verfeitelijkingen tenlastegelegd. Bij het eerste gedachtestreepje gaat het om het ter beschikkingstelling en bieden van ondersteuning en hulp aan verdachte om zaken buiten de procedure om te regelen. Hof overweegt nu al dat uit het dossier niet is gebleken dat de in de tenlastelegging genoemde personen zich aan [medeverdachte 2] of [verdachte] ter beschikking hebben gesteld. Ten aanzien van hetgeen bij het tweede gedachtestreepje is vermeld, overweegt het Hof dat het bieden van politieke steun bezwaarlijk kan worden gezien als het bieden van ondersteuning of steun aan [medeverdachte 2] of [verdachte] om zaken buiten de geëigende procedures te regelen.
Van die onderdelen wordt de verdachte dan ook vrijgesproken.
Bij feit 5 wordt [verdachte] verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van zijn functie, aangezien hij in zijn functie van minister van ROIM politieke invloed heeft uitgeoefend ter bevordering van het aanstellen van:
-
[medeverdachte 1], [getuige 19], [getuige 20] en [getuige 23] bij de DIP;
-
[getuige 15] bij Serlimar;
-
[getuige 22], [getuige 16], [getuige 14], [getuige 21], [getuige 11], [getuige 17] en [getuige 18] bij Serlimar;
-
[getuige 10] bij DOW.
Bij een deel van deze feiten zou sprake zijn van medeplegen met [medeverdachte 2].
De verklaringen van [verdachte]
[Verdachte] ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit. Hij heeft nooit banen aan mensen beloofd. Hij heeft geen personen politiek aangesteld bij de overheidsdiensten of Serlimar. In alle gevallen werd de geëigende procedure gevolgd en speelde bij het aannemen van personen de politieke kleur van een persoon geen enkele rol. Het ging om vertrouwen.96
Met betrekking tot [medeverdachte 2] heeft hij verklaard dat zij vooral tijdens zijn campagne erg belangrijk voor hem was. Zij was toen een vertrouwenspersoon voor hem.97
Hij heeft verder verklaard dat [medeverdachte 2] op zijn bureau als liaison officer werkte. Hij heeft haar gevraagd om voor hem te komen werken om het publiek te helpen. Zij kreeg die baan omdat hij haar vertrouwt en ervan overtuigd is dat zij iemand is die voor het volk werkt. Praktisch gezien viel [medeverdachte 2] rechtstreeks onder hem.98
De verklaring van [medeverdachte 2]
[Medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij op het bureau van minister [verdachte] van ROIM werkte als consulent voor het publiek. Zij hield zich in die hoedanigheid onder meer bezig met werkeloze burgers die om banen kwamen vragen. Volgens haar regelen mensen die hulp nodig hebben dat via de politiek. De mensen die zij hielp waren vooral mensen van het lagere kader, die hem (het Hof begrijpt: [verdachte]) in de campagne hadden geholpen.
Volgens haar heeft [verdachte] zes of zeven personen een baan gegeven bij de DIP. Die personen waren gelieerd aan POR. Het waren campagnadors (het Hof begrijpt: campagnevoerders) van [verdachte]. [Verdachte] heeft vaker geregeld dat mensen op bepaalde plekken een functie kregen. Hij is een politieke minister. Alle ministers zijn politiek en geven werk aan mensen die zij willen. Aldus [medeverdachte 2].99
[Verdachte] heeft ook verschillende jongens een baan gegeven bij Serlimar. Volgens [medeverdachte 2] stuurt de directeur dan een brief naar de minister, waarin hij aangeeft dat hij mensen nodig heeft. [Verdachte] heeft, volgens haar, een eigen lijst van mensen die werk nodig hebben. Hij helpt zijn eigen mensen. [Medeverdachte 2] denkt dat [verdachte] wel twaalf tot vijftien mensen een baan heeft gegeven. Volgens [medeverdachte 2] gaat alles via de politiek sneller.100
Logboek en sollicitatiebrieven
Zoals gezegd, heeft [getuige 1] in juli 2020 bij de Landsrecherche melding gemaakt van onregelmatigheden bij Serlimar, onder meer inhoudende dat Serlimar werd gerund vanaf het bureau van de minister van ROIM. Tijdens de gesprekken met de Landsrecherche heeft zij diverse stukken overgelegd, die afkomstig waren van de desktop van [medeverdachte 2].101
Het ging, voorzover hier relevant, om sollicitatiebrieven en een logboek.102
De sollicitatiebrieven betroffen diverse ongetekende brieven van diverse personen voor verschillende (overheids)banen. De brieven waren veelal gericht aan minister [verdachte]. In enkele van de in het Nederlands opgestelde brieven stond een typefout (hoogachteing in plaats van hoogachtend). Dat was onder andere het geval in de brief van [getuige 22] van 17 januari 2018 en in de brief van [getuige 16] van 29 juli 2019.103
Het logboek bleek een registratie te zijn, met verschillende rubrieken, waaronder:
- Team campagne partij POR 2021, team [medeverdachte 2]
Hierop staan de namen vermeld van een groot aantal personen, onder wie [getuige 11], [getuige 10] en [getuige 17] met daarbij de opmerking dat zij de partij en [verdachte] blijven steunen. Ook is vermeld [voornaam getuige 22] is boos. Het Hof begrijpt dat het hier gaat om [getuige 22].
- Vacature bij DOW
Hierop is de naam van [getuige 10] vermeld. Bij het commentaar staat ‘[verdachte] heeft tegen [getuige 10] gezegd dat zodra hij 18 jaar oud wordt, zal hij van hem een baan krijgen bij het DOW, maar tot nu toe heeft hij nog niets gekregen’.
- Deze zijn allemaal mensen die [verdachte] geholpen heeft om een baan bij Serlimar zelf te krijgen en het zijn campagnevoerders van Team[verdachte] POR 2018.
Hierop staan onder meer de volgende personen genoemd.
|
[getuige 17] |
Het is [voornaam getuige 17] gelukt om een baan bij Serlimar te krijgen. Hij is op 1 juni (het Hof begrijpt:) 2018 begonnen. |
|
[getuige 18] |
Het is [voornaam getuige 18] gelukt om een baan bij Serlimar te krijgen. Hij is op 1 maart 2018 begonnen. |
|
[getuige 22] |
Het is [voornaam getuige 22] gelukt om een baan bij Serlimar te krijgen. Zij is op 1 maart 2018 begonnen. |
|
[getuige 11] |
Het is [voornaam getuige 24] gelukt om een baan bij Serlimar te krijgen. Hij is op 1 juli 2018 begonnen. |
Over de sollicitatiebrieven heeft [medeverdachte 2] verklaard dat ICT een standaardbrief heeft gemaakt en dat zij deze brieven heeft geschreven.
Over het logboek heeft zij verklaard dat zij deze lijsten in haar computer op kantoor had staan. [Verdachte] had deze lijsten ook. Ze had allemaal verschillende lijsten. Zij maakte de lijsten en zij hield daarop bij wat de mensen bij haar op kantoor kwamen doen. Zij heeft opgeschreven wat de mensen tegen haar zeiden wat [verdachte] tegen hen had gezegd. [Verdachte] wist dat zij deze lijsten bijhield. Zij stuurde de lijsten, waaronder de lijst dat ‘ze de partij blijven steunen’, naar [verdachte]. Op de lijst ‘Team [medeverdachte 2]’ staan allemaal campagnevoerders van POR van [verdachte].104
Manila-mappen
Op 10 augustus 2020 heeft een zoeking plaatsgevonden op het kantoor van [medeverdachte 2] bij het bureau van de minister van ROIM, op dat moment [getuige 1]. Daarbij zijn diverse goederen, waaronder manila-mappen, in beslag genomen.105
Op een van die mappen stond geschreven: “Esakinan ta pami mes pidi [verdachte] juda nan – Nos hendenan”.
[Medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij deze mappen heeft gemaakt. Met ‘Nos hendenan’ bedoelde zij mensen van POR, de campagnevoerders of stemmers. Een keer in de maand nam zij dit mee naar de staff meeting. Zij zei dan dat dit de voters en campagnevoerders van POR zijn en dat zij om hulp hebben gevraagd. De minister zorgde dat ze een baan kregen als ze de juiste papieren hadden.
Op de vraag waarom is vermeld ‘nos hendenan en votadornan’ antwoordt zij dat deze apart zijn. Deze mensen hebben hard gewerkt voor alle kandidaten en tegen hen werd gezegd dat als wij zouden winnen we hen zouden helpen.
[Medeverdachte 2] verklaart verder dat ze voor de campagne bij mensen langsgingen om te vragen of ze POR, [verdachte], [getuige 25] of [getuige 1] wilden steunen. Als ze dan zouden winnen met POR dan zouden ze deze mensen helpen. De mensen die geen vaste baan hadden, zouden ze helpen. Als ze een vergadering hadden van POR zei [verdachte] dat ze iedereen zouden gaan helpen, als ze zouden winnen. Iedereen was blij dat [verdachte] iedereen zou gaan helpen.106
WhatsAppgroep Teamcampana2021
In een onder [verdachte] inbeslaggenomen telefoon is een WhatsAppgroep gevonden met de naam ‘Teamcampana2021’. Deze groep is op 30 augustus 2018 aangemaakt door [medeverdachte 2] en bestaat uit 78 leden, onder wie [getuige 18], [getuige 14], [getuige 10] en [getuige 17]. Ook [verdachte] was een van de leden.107
Het Hof heeft hieronder een deel van de gesprekken weergegeven.
|
30-8-2018 |
[getuige 26] |
Goedemorgen, met alle respect voor iedereen, houd deze groep uitsluitend voor info van POR en van de portefeuille van [verdachte]. |
|
1-9-2018 |
[getuige 27] |
[Medeverdachte 2] is iemand die altijd zorgt dat de stemmers van [verdachte] gelukkig zijn. |
|
1-9-2018 |
[getuige 27] |
[Verdachte] is zelf erg bezig. Dankzij [medeverdachte 2] die iedereen helpt. |
|
5-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
Haaaaa, laten we kijken wat onze leider gaat zeggen |
|
5-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
Hij leest ook, hij zit ook in deze chatgroep teamcampana2021 |
|
6-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
[Getuige 10], maak je geen zorgen. [Verdachte] zal jou en alle anderen zeker weten helpen. Wees geduldig mijn kind. Het zal je ook lukken en ik ga zeker doorstrijden voor alle 100 campagnevoerders van [verdachte] die onder mijn naam vallen. |
|
6-9-2018 |
[getuige 10] |
Goedemorgen mama [medeverdachte 2]. Weil mama [medeverdachte 2] zeggen dat ik nog hoop moet koesteren, dat ook wij geholpen zullen worden door de leider? Is goed, mama [medeverdachte 2]. 1 oktober nadert en ik wacht hoopvol, mama [medeverdachte 2] en dank je wel dat je doorzet en alle 100 campagnevoerders van de leider helpt. |
|
6-9-2019 |
[medeverdachte 2] |
Zo is dat [getuige 10]. Je bent bijna aan de beurt en de anderen ook. |
|
6-9-2018 |
[getuige 28] |
Goedemorgen iedereen, [getuige 10] als [verdachte] zegt dat hij je gaat helpen, moet je alleen maar geloven en geduldig zijn en hij zal je zeker helpen! Er zijn dingen die tijd nemen om de een of andere reden! Maar als [verdachte] zijn woord geeft, houdt hij zich eraan!! [Verdachte] heeft in het verleden veel mensen geholpen en velen hebben hem verraden!! En hij weet wie al zijn getrouwen zijn!! Geduld geduld. |
|
10-9-2018 |
[getuige 28] |
Op hetzelfde moment wil ik zeggen tegen [getuige 10] en alle campagnevoerders die op hulp aan het wachten zijn, om alstublieft hun geduld niet te verliezen!! Vrijdag heb ik een oproep van onze minister gekregen en jullie kunnen je niet voorstellen wat voor blijdschap ik heb gevoeld toen hij met mij sprak en de blijdschap toen hij mij had verteld over een aantal dingen die hij voor ons heeft!! Ik mag niet veel zeggen, maar hij heeft gezegd [getuige 28], ik wens dat ik iedereen gelijk kon helpen, maar er zijn dingen die tijd in beslag nemen en langzamerhand zal hij ons helpen, alle campagnevoerders!! Iets waar ik kastelen op [verdachte] kan bouwen is… dat als hij zijn woord geeft, houdt hij zich eraan!! Hij heeft zich met mij eraan gehouden!! Wees een beetje geduldig zodat jullie op een van deze niet al te verre dagen een oproep en verrassing van jullie leven zullen krijgen!! Geduld, broeders, geduld. Hij vergeet geen van ons!! |
|
10-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
Jullie weten allemaal dat we bijna 100 campagnevoerders van [verdachte] zijn en er zijn echt velen waarvan het gelukt is doordat [verdachte] “pusha”/geholpen heeft niet alleen maar met werk. [Verdachte] heeft onze mensen bij Santa Rosa ook geholpen met de verlenging van hun contract. [Verdachte] heeft ook geholpen dat het ze gelukt is om na 8 jaar in vaste dienst te treden, ook hun bevordering is gelukt. Velen die oude terreinen vanaf 90 tot het jaar 2005 hebben is het gelukt. En ze zijn allemaal blij. Ik heb zelf veel niet gezet maar het is zeker zo dat ze [verdachte] en POR steunen. Er missen een stuk of 15 die [verdachte] nog verder moet helpen en ik ben er zeker van dat [verdachte] jullie met de macht van God zal helpen. Ik ben erg blij met [verdachte], ook als hij het publiek noch ons te woord staat met de druk van DOM en DIP en DOW en Serlimar waaronder hij staat. Zodra hij al die 4 afdelingen onder controle heeft, zal hij ons en het publiek te woord staan. Goedenavond en zoals [verdachte] vaak tegen mij zegt dat hij blij is dat we hem helpen en dat hij van ons houdt. (…) |
|
10-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
Denk eraan. [Verdachte] heeft me gebeld en gevraagd om met jullie te praten. We hebben allemaal facebook, alstublieft, als we allemaal alle dingen van [verdachte], (de dingen) die hij post, posten of delen, zal hij erg blij zijn met jullie dat jullie hem helpen met het delen/verspreiden. En als we maar met 50 beginnen zal [verdachte] er al goed voor staan. Ok, bedankt voor jullie steun en hij stuurt ze vaak naar mij door, ik verspreid alles van hem. Vanaf morgen, laten we beginnen met het delen van zijn dingen, ok. |
|
10-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
En verder bel ook de radio, [getuige 28] en iedereen. En geef goed commentaar, zoals je net gezegd hebt [getuige 28], op de radio en niet alleen in het team. |
|
10-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
Vanaf morgen zal ik zien wie [verdachte] gaat helpen. |
|
12-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
[naam], hoe gaat het? [Verdachte] is jou niet vergeten. Het probleem is dat de directeur noch de waarnemend directeur er zijnen er moet gewacht worden zodat DTI jou een advies geeft. Ik weet dat je al 9 maanden aan het wachten bent. Sorry, ik weet dat je bood bent. Geloof me als het aan mij lag, aan [medeverdachte 2], zou het je al vanaf gisteren gelukt zijn. |
|
12-9-2018 |
[getuige 29] |
Er moet gevraagd worden hoeveel ik nog moet wachten. Maar ik begrijp het. Ik heb al 9 maanden gewacht. Ik kan nog een beetje meer wachten. |
|
12-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
Laat me [naam] vragen, zij is chef en wanneer zij een antwoord geeft, zal ik je gelijk zeggen. |
|
12-9-2018 |
[getuige 28] |
Laat me een voorbeeld geven. [Verdachte] heeft mij 4 jaar geleden geholpen! Maar ik had bijna anderhalf jaar moeten wachten, maar waarom? Omdat het niet in zijn handen lag!! Maar eenmaal alles klaar en verbeterd was en hij alles en macht in zijn handen had, heeft hij mij gelijk geholpen. Ik had 2 vrienden van mij gebracht en hij heeft ze gelijk geholpen. Ze hadden niet eens een maand moeten wachten. Maar ja, op dat moment had [verdachte] de controle en kon hij helpen!! Alleen een beetje geduld en geloof me, hij gaat geen van ons vergeten. |
|
12-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
Dat is waar [getuige 28], maar nu is hij de minister van DTI |
|
12-9-2018 |
[getuige 30] |
[Verdachte] heeft mij ook gelijk geholpen toen ik in december ben gaan vragen voor werk. Zodoende wees geduldig, je bent zo aan de beurt [naam] |
|
14-9-2018 |
[getuige 31] |
Om te zorgen dat [verdachte] blijft groeien zal [verdachte] het dak van Serlimar helemaal moeten afhalen, het op zijn kop zetten, schudden en alle rotte appels eruit halen. |
|
14-9-2018 |
[getuige 32] |
[getuige 31] goedemorgen. Er zal niks meer bij SERLIMAR overblijven. |
|
14-9-2018 |
[getuige 28] |
Net om werk te geven aan zijn campagnevoerders en of zijn stemmers!! Wat nutteloos is, wordt weggegooid. Er zijn veel mensen die een baan nodig hebben. |
|
22-9-18 |
[Getuige 27] |
Vandaag wil ik jullie allemaal feliciteren die campagne hebben gevoerd en die samen met [verdachte] in de hete zon en tegen al onze sterke tegenstanders gestreden hebben, het is ons toch gelukt om 5450 stemmen voor POR te krijgen en 1800 voor [verdachte], al vanaf het begin, en dat POR in de regering is getreden met 2 zetels. Aan eenieder gefeliciteerd en ook van harte bedankt aan de sterke vrouw die nog steeds aan het pushen is zodat het alle campagnevoerders die [verdachte] hebben geholpen, ook lukt. Laten we onze mensen helpen zodat over 3 jaren wanneer we de huizen gaan bezoeken, hun deuren al open zullen zijn voor ons (…) en ook van harte bedankt aan een mevrouw die met [verdachte] POR is begonnen en die haar kinderen en huis heeft opgeofferd. Mevrouw [medeverdachte 2] die tot de dag van vandaag met [verdachte] is. Moge God je zegegenen, [medeverdachte 2] en blijf zoals je bent. |
|
24-9-2018 |
[getuige 27] |
Vandaag hebben ze mij gebeld om te zeggen dat het iemand is gelukt met zijn/haar landsbesluit |
|
24-9-2018 |
[getuige 27] |
En ik ben bijna een jaar aan het wachten en nog niks. |
|
24-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
Hoe gaat het [getuige 27]? Op de eerste plaats wil ik je zeggen dat toen [verdachte] zijn intreden in de overheid had gedaan, hij jou had beloofd dat jij de eerste zal zijn die hij zal helpen. Op 8 januari is minister bij de ministerraad met [verdachte] ingestemd om je een ambtenaar in vaste dienst te benoemen. En je stuk werd geaccordeerd. Vervolgens had de minister het naar de HR-afdeling gestuurd zodat ze aan je landsbesluit konden werken. Maar toen de HR gemerkt had dat je geen functie had en het naar de Directie Arbeid had gestuurd, werd er gezegd dat er geen vacature voor je was. [verdachte], in de ministerraad en [medeverdachte 2] beneden met de coördinator hebben doorgezet voor een functie zodat je kon blijven. En op die manier heeft Directie Arbeid je als telefonist laten fungeren zodat het je zou lukken. En je stuk was gereed bij de ministerraad en het werd naar de HR-afdeling gestuurd om aan je landsbesluit te weken. Vandaar dat het lang heeft geduurd. En verder over de anderen van ons, [getuige 27], zij hadden al een functie en hebben 7/8 jaar met/bij de dienst gewerkt. Allen werkten zij met een contract en zijn nu vast geworden. Hun stukken zijn sneller gegaan, [getuige 27]. Geloof me. Elke maandag volg ik je stuk op zodat voordat ik vertrek, jij je landsbesluit zult hebben zoals [verdachte] je beloofd heeft. |
|
25-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
[naam], hoe gaat het? Ik heb net follow up gedaan van je stuk en het is nu in behandeling doordat DTI niemand had om adviezen op te stellen. Ik heb begrepen dat ze nu op alle stukken aan het werken zijn en ik hoop dat het jou zal lukken. |
|
25-9-2018 |
[medeverdachte 2] |
Laten we hopen dat je advies positief zal zijn en dat [verdachte] gelijk tekent zodat je naar DTI overgeplaatst wordt. |
|
3-10-2018 |
[medeverdachte 2] |
(…) Jullie weten dat ik wel erg trots ben dat [verdachte] zijn campagnevoerders, ook zijn stemmers aan het helpen is. Het is al 80% van alle campagnevoerders gelukt. [Verdachte] moet alleen nog maar een ding “atende” regelen, maar daar zullen we volgend jaar na de carnaval mee beginnen. Weet je wat mooi is? Om over 3 jaar, wanneer [verdachte] weer campagne gaat voeren, hij campagne gaat voeren met zijn 100 gezichten, net als 4 jaar geleden, wij allemaal samen. |
|
4-4-2019 |
[medeverdachte 2] |
[getuige 27], dankzij [verdachte] die langzaam maar zeker zijn trouwe campagnevoerders helpt. Vandaar dat ik [naam] de minister helemaal steunen. |
|
4-4-2019 |
[getuige 27] |
Ja, vandaar dat ik vele jaren met hem ben omdat ik altijd in [verdachte] geloofd heb. Zodoende campagnevoerders, verlies de hoop niet, langzamerhand en met geduld zal het ons allemaal lukken. |
|
11-4-2019 |
[medeverdachte 2] |
APV meent dat er morgen 5000 mensen zullen opstaan om de gouverneur te doen aftreden (…) |
|
12-4-2019 |
[getuige 27] |
Kijk goed wie het zijn, zodat ze [verdachte] later niks komen vragen |
|
12-4-2019 |
[medeverdachte 2] |
Waarom denk je dat [medeverdachte 2] buiten zit? Om te ijken welke van de 1000 en zoveel die ik geholpen heb binnen een jaar, of ze er zijn. |
|
12-9-2019 |
[medeverdachte 2] |
En jullie weten dat team [verdachte] uit 100 campagnevoerders bestaat en velen ervan heeft [verdachte] met veel dingen geholpen. Er missen alleen nog maar ongeveer 10, zodat het hele team gelukt is. (…) de enige persoon die ik tot de dag van vandaag bewonder die wel elke dag iedereen op Facebook uitscheldt en [verdachte] verdedigt is [getuige 18] van Serlimar. |
|
19-9-2019 |
[medeverdachte 2] |
Ik ken [verdachte] al jarenlang en in het jaar 2009, toen AVP gewonnen had en [naam] ons in de steek gelaten had, waren het [naam] en [verdachte] die ons van de vloer hebben opgeraapt, met alle campagnevoerders. En hebben hun allemaal aan een baan geholpen. En ook in het jaar 2013, heeft hij hun werk gegeven en in het jaar 2017 hebben veel mensen werk gekregen en ik ben er zeker van dat voordat hij aftreedt hij de hele team[verdachte]2021 zal geven wat ze nog missen en ze moten nooit vergeten wie de politicus is die hun met alles heeft geholpen. En ze leven goed met hun familie en ik ben er zekers van dat ze [verdachte] niet zullen laten vallen. Ze zullen blijven stemmen voor zijn partij. |
[Medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij deze WhatsAppgroep heeft aangemaakt en dat [verdachte] een van de leden was, dat hij de berichten las, maar zelf nooit iets heeft geplaatst. [Verdachte] vroeg haar wel om bepaalde berichten te plaatsen, onder andere het bericht van 10 september 2018, waarin wordt verzocht om de publicaties van [verdachte] op social media te liken.108
Tussenconclusie
Het Hof leidt uit het voorgaande af dat [verdachte] [medeverdachte 2], die tijdens de campagne erg belangrijk voor hem was geweest, heeft gevraagd om op het bureau van de minister te komen werken in de functie van liaison officer. Een functie waarin zij veel contact had met het publiek. Het Hof wil zonder meer aannemen dat, zoals [verdachte] heeft verklaard, iedereen met klachten en hulpvragen bij [medeverdachte 2] terecht kon. Dit laat even wel onverlet dat het Hof is gebleken dat campagnevoerders van POR en/of [verdachte] zich onderscheidden van andere hulpvragers. Deze mensen waren, zo verklaart [medeverdachte 2], anders omdat zij hard hadden gewerkt voor de POR-kandidaten. Bovendien was aan hen hulp beloofd als POR zou winnen. [Medeverdachte 2] heeft die hulp in haar verklaringen onder andere gekoppeld aan hulp bij het vinden van een baan. [Medeverdachte 2] hielp, zo verklaart zij, vooral mensen van het lagere kader, die [verdachte] in de campagne hadden geholpen. Dat niet alle hulpvragers gelijk waren blijkt ook wel uit het mapje met verwijzingen naar ‘nos hendenan en votadornan’, voor welke mensen zij maandelijks speciale aandacht vroeg aan de minister. En voorts uit de benamingen van enkele lijsten uit het logboek van [medeverdachte 2], te weten ‘Team campagne partij POR 2021, team [medeverdachte 2]’ en ‘deze zijn allemaal mensen die [verdachte] geholpen heeft om een baan bij Serlimar zelf te krijgen en het zijn campagnevoerders van Team[verdachte] POR 2018’. De speciale positie van de campagnevoerders blijkt daarnaast uit de berichten in de WhatsAppgroep Teamcampana2021. Ook daaruit kan worden afgeleid dat de mensen die in 2017 voor [verdachte] campagne hebben gevoerd, zouden worden geholpen. [Medeverdachte 2] schrijft meermalen dat zij trots is op het feit dat [verdachte] zijn campagnevoerders en stemmers aan het helpen is en dat het al bij een groot deel van hen al is gelukt.
Het Hof wijst in dit verband ook op de verklaring van campagnevoerder [getuige 33], inhoudende dat de campagnevoerders van [verdachte] zouden worden geholpen met werk of andere dingen. [Medeverdachte 2] kon daarvoor zorgen met hulp van de minister. De 100 campagnevoerders moesten worden geholpen omdat ze de politicus hadden gesteund.109
En op de verklaring van [getuige 13], inhoudende dat [verdachte] iemand is die geliefd wil zijn, die dingen voor zichzelf doet. Hij geeft jou geen baan om het Land Aruba beter te maken, ‘het is voor wat, hoort wat’110 en die van [getuige 14], inhoudende dat als je hen niet steunt, zij jou ook niet meer steunen’.111
Het verschil tussen ‘gewone’ burgers en POR en/of [verdachte]-aanhangers blijkt voorts uit na te noemen WhatsAppgesprekken.
In een door [medeverdachte 2] met (naar het Hof begrijpt:) [getuige 34] gevoerd gesprek, vraagt [getuige 34] aan [medeverdachte 2] of zijn schoonzus een afspraak kan krijgen met [verdachte]. [Medeverdachte 2] antwoordt dat ze zal kijken wat ze kan doen, maar dat die schoonzus geen campagne heeft gevoerd voor POR of [verdachte]. [Medeverdachte 2] geeft aan dat ze respect heeft voor [getuige 34] en zijn familie die sterk achter [verdachte] hebben gestaan en dat ze daarom met de schoonzus gaat praten en zal kijken of [verdachte] haar kan helpen.112
Op 28 januari 2020 zegt [verdachte] tegen [getuige 1]: “[getuige 1], ik werd gebeld over het geval van [getuige 35] die met het contract bij DIP werkt. Vanmiddag zal hij genotificeerd worden dat zijn contract niet zal worden verlengd. Ik heb van [naam] begrepen dat het om een goede werker gaat. Hij is iemand die door ons is geplaatst. Ofwel door mij. En is onze mensen.113
Op 14 maart 2020 zegt [verdachte] tegen [getuige 1]: Ben jij op de hoogte dat zij bij Serlimar onze mensen, die hun best aan het doen zijn om het bedrijf vooruit te brengen, aan het ontslaan zijn? Degenen die via een contract werden benoemd worden ontslagen, zodat al degenen die [betrokkene 6] en de AVP daarin hadden gezet kunnen blijven werken. (…). Ze zijn degenen aan het ontslaan die ons kunnen helpen. Onze mensen Dat is niet goed.
[Getuige 1] antwoordt dat het niet haar doel is om onze mensen te ontslaan, maar er is een probleem dat niet zo kan blijven.
[Verdachte] zegt: In elk geval [getuige 1]. Nu ben jij Minister, jij moet de beslissing nemen. Wel jammer dat je al mijn werk dat ik gedaan heb negeer en dat je achter onze eigen mensen aangaat. (…) Ga maar door dan gaan we AVP terug hebben maar niet volgend jaar maar nog dit jaar in de regering.
Op de mededeling van [getuige 1] dat ze echt niet achter onze mensen aangaat, ze kent ze niet allemaal, antwoordt [verdachte]: “Ik wel!! En het zijn onze mensen. Het zijn POR mensen.’114
Op 16 maart 2020 schrijft [verdachte] aan [getuige 1]: “Wat gaat er gebeuren met degenen die brieven aan het ontvangen zijn bij Serlimar. Ze zijn allemaal onze mensen. Kan hiermee gewacht/gestopt worden? Ik herhaal dat elk van hun juist onze mensen zijn. Mensen die werkten en campagne voerden voor POR. Zodat wij vandaag in de regering kunnen zijn.”115
Uitoefenen van (politieke) invloed bij het krijgen van een baan bij DOW of Serlimar
Dan dient de vraag te worden beantwoord of [verdachte], samen met [medeverdachte 2], (politieke) invloed heeft aangewend ter bevordering van de aanstelling van de in de tenlastelegging genoemde personen bij Serlimar en/of DOW en/of hen daarbij een voorkeursbehandeling heeft gegeven.
Het Hof herhaalt hier de verklaring van [medeverdachte 2], inhoudende dat [verdachte] vaker heeft geregeld dat mensen op bepaalde plekken een functie kregen. Zo heeft hij volgens haar twaalf tot vijftien mensen personen een baan gegeven bij Serlimar.
Haar verklaring op dit punt staat niet op zichzelf, maar vindt steun in de hieronder weergegeven verklaringen van [getuige 3] en [getuige 15] én in diverse WhatsAppgesprekken die [verdachte] heeft gevoerd met [getuige 15] en met [getuige 36].
[Getuige 3] is sinds [datum] directeur van de dienst DHR. Zij heeft verklaard dat er een verschil is tussen de indienstneming bij een bureau van de minister of bij de diensten. Bij benoemingen binnen het bureau dient de minister een verzoekbrief in bij de ministerraad, waarna de ministerraad beslist. Daarna vult de minister een PZ-formulier in, waarna de DRH een onderzoek kan instellen. De DRH kan negatief adviseren, maar uiteindelijk bepaalt de minister. Als een besluit van de ministerraad naar de DRH wordt gestuurd, is er formatie en begroting. De DRH kan daar niets tegen inbrengen omdat het kloppend is gemaakt. Zo krijgen de bureaus hun personeel. Een benoeming bij een bureau van de minister is politiek. Het is een politieke keuze van de politicus. [Verdachte] spande de kroon met zijn benoemingen. Bij een dienst gaat het anders. Dan is er een voorgedragen sollicitant en wordt advies gevraagd aan de DRH. [Verdachte] omzeilde deze procedure vaak. Hij zei dan dat de directie DIP iemand wilde aannemen en ging gelijk met de voordracht naar de ministerraad. Als die voordracht werd goedgekeurd, werd het ‘des ministers’ genoemd. Dat was niet zo, maar zo maakte hij het. Voor vacatures bij de diensten was het uitgangspunt dat er geen politieke benoemingen plaats vonden. Bij [verdachte] zagen we echter dat hij wel bemoeienis had bij overplaatsingen en benoemingen bij de diensten. Hij ging voorbij aan de procedures en ging direct naar de ministerraad om iemand geplaatst te krijgen.116
[Getuige 15] heeft verklaard dat zij in november 2017 door [verdachte] is benaderd om bij Serlimar te gaan werken. Zij heeft daar vervolgens gewerkt van december 2017 tot 6 september 2018 als Operations Manager van het interim managementteam.
Zij had contact met [medeverdachte 2] over de sollicitatiebrieven om bij Serlimar te werken. [Medeverdachte 2] en [verdachte] gaven goedkeuring wie er moest worden aangenomen. Er kwamen sollicitaties binnen via de e-mail van Serlimar. [Getuige 15] deed dan de screening, maar daarginds werd bepaald wie bij Serlimar aangenomen kon worden. [Getuige 15] had daar geen laatste woord over. Alleen bij de officiële vacaturestellingen bij Serlimar die gepubliceerd werden, was zij betrokken. Die sollicitaties gingen wel zoals het hoorde. [Medeverdachte 2] en [verdachte] hebben haar geïnformeerd dat zij beslissen wie van de campagnevoerders binnenkomen of niet. Volgens [getuige 15] verwachten veel van de campagnevoerders iets van je terug. [Medeverdachte 2] en [verdachte] hebben [getuige 15] verschillende keren gezegd dat zij beslissen wie er binnenkomt. Zij hadden vanaf dag één bemoeienis met het personeel van Serlimar.117
Het Hof wijst in dit verband nog op de WhatsAppgesprekken tussen [getuige 15] en [verdachte] op 6 maart 2018 en tussen [getuige 15] en [medeverdachte 2] van 12 augustus 2018, waaruit die bemoeienis met het personeel van Serlimar duidelijk blijkt.
[Getuige 15] zegt op 6 maart 2018 tegen [verdachte]: We hebben een tekort aan beladers. Serlimar heeft er 3 nodig in totaal. We hebben een sollicitatiebrief van een familielid van een werknemer, kunnen we hem aannemen. Kunt u mij 2 werknemers sturen…Had [medeverdachte 2] een brief van [getuige 14] gegeven? (…)
[Verdachte] antwoordt: Nee [getuige 15] wacht op ons, laat die 3 even wachten, voordat we hun gaan benoemen, hou die 3 eventjes achter zodat we niet te veel commotie veroorzaken doordat er in 1 keer te veel mensen benoemd worden. Hoewel we ze nodig hebben, is het moeilijk om de werknemers uit te leggen. Dus laten we even met die 3 wachten en langzamerhand halen we ze binnen/plaatsen we ze in.118
[Getuige 15] vraagt in een gesprek van 12 augustus 2018 aan [medeverdachte 2] om een update over de brief van ene [naam]. [Medeverdachte 2] antwoordt dat zij donderdag met [verdachte] heeft gezeten over al onze campagnevoerders en ook apart van een paar van de kandidaten en [naam] zit binnen. [Verdachte] heeft tegen haar gezegd dat hij deze maanden niemand kan plaatsen. Pas in november zal hij kijken wat Serlimar nog mist en dan zal hij ze plaatsen. Twee gaat hij wel helpen, namelijk [getuige 17], die heeft gevraagd voor belader. Hij is ‘een goede campagnevoerder van mij en [verdachte]’. En [getuige 10]. Ten aanzien van hun twee heeft [verdachte] gezegd dat het over een paar weken gegeven zal worden.119
[Getuige 15] is haar vertrek opgevolgd door [getuige 36].
Het Hof heeft geconstateerd dat de minister volgens [getuige 36] geen enkele rol heeft gespeeld bij het aannemen van personeel bij Serlimar. Het Hof schuift die verklaring onder verwijzing naar de hieronder weergegeven WhatsAppgesprekken tussen [getuige 36] en [verdachte], terzijde. Uit die berichten blijkt immers zonder meer dat [verdachte] zich, ook als [getuige 36] directeur is van Serlimar, bezig is blijven houden met het personeel bij Serlimar.
Het Hof betrekt daarbij ook de door hen gevoerde gesprekken, die zijn weergegeven bij de bespreking van de in de tenlastelegging genoemde personen.
[Getuige 36] schrijft op 9 april 2019 naar [verdachte]: “We zijn bezig met het werven van een aantal beladers. Er zijn wel veel sollicitaties binnengekomen, maar ik dacht laat me met minister checken of u één of andere persoon in gedachten had, die wij iets hadden beloofd of zo, zodat ik dat dan weet om rekening mee te houden. Wat dan ook laat me weten.”
[Verdachte] antwoordt: “Geef me een kans tot vrijdag, dan kan ik jou antwoorden.”
Op 14 april 2029 zegt [getuige 36]: “Goedenavond Minister. Deze week moet ik nog 7 beladers werven. Ik heb niets meer van de minister gehoord. Zijn er nog mensen die Minister wil aanbevelen. (…)”
[Verdachte] antwoordt dat [getuige 36] morgen de namen krijgt.
Op 18 april 2019 laat [verdachte] weten dat hij dinsdag weer op kantoor is en dat hij dan de namen opstuurt voor de beladers en de andere persoon in de debiteuren afdeling en incasso.120
Voorts een voicebericht van [getuige 36] naar [verdachte] van 6 mei 2019. In dat bericht geeft [getuige 36] aan dat hij heeft gehoord dat de beladers niet blij waren met de nieuwe groep mensen die was aangenomen, terwijl zij zelf familieleden hadden aanbevolen. (…) Zo had [naam] hem gevraagd om tegen de minister te zeggen dat zijn zoon [naam] is en dat hij een stemmer is. (…) [getuige 36] zegt verder dat hij heeft uitgelegd dat die posities zoals altijd van het ministerie komen en dat het beleid moet worden gerespecteerd. [Verdachte] antwoordt daarop dat ze niet vanuit het ministerie komen. Het zijn mensen die gesolliciteerd hebben en die hij heeft doorgestuurd naar Serlimar. [Verdachte] zegt op 2 juni 2019 met betrekking tot de beladers tegen [getuige 36] dat [getuige 36] niet tegen de beladers moet zeggen dat die dingen via het ministerie lopen. Hij moet zeggen dat er sollicitaties bij jullie binnenkomen en dat er sollicitaties bij de minister binnen komen, die de minister allemaal doorstuurt naar Serlimar. En dat bij Serlimar wordt besloten, ‘zodat het niet klinkt alsof het bij het ministerie wordt besloten’.121
Het Hof bespreekt hieronder de in de tenlastelegging genoemde personen.
1. [Getuige 10]
[Getuige 10] is met ingang van [datum] 2020 in dienst getreden bij de DOW in de functie van 2e projectmedewerker W&F. Deze overeenkomst is op [datum] 2020 getekend door [getuige 10] en minister van ROIM [getuige 1].122
[Getuige 10] heeft verklaard dat hij al vanaf 2009 politiek actief is. Sindsdien kent hij [verdachte] en [medeverdachte 2]. Hij was altijd op het kantoor van [verdachte] en sprak voor hem met het publiek. Hij heeft campagne gevoerd voor [verdachte] toen [verdachte] bij de AVP zat en ook toen hij bij de POR zat. [Medeverdachte 2] en hij hebben geholpen met de oprichting van POR. Hij was in 2017 zeventien jaar oud. Hij mocht niet stemmen, maar heeft wel stemmen voor [verdachte] gezocht. Als aan hem een geel mapje wordt getoond, met daarop ‘Sollicitatie DOW’, zijn naam en ‘ta cla’ antwoordt hij dat [medeverdachte 2] zijn curriculum vitae heeft opgemaakt en iemand anders van het bureau van [verdachte] zijn brief. Als hem de registraties in het logboek van [medeverdachte 2] worden getoond, te weten ‘Blijft POR en [verdachte] steunen’ en ‘[verdachte] heeft tegen [getuige 10] gezegd dat zodra hij achttien jaar oud wordt, zal hij van hem een baan krijgen bij het DOW, maar tot nu toe heeft hij nog niks’, antwoordt hij dat [verdachte] hem vóór de verkiezingen van 2017 heeft gezegd dat hij, zodra [getuige 10] achttien jaar werd, een baan voor hem zou regelen bij de DOW. Volgens [getuige 10] zei [verdachte] altijd dat wanneer [verdachte] groot wordt, [verdachte] hem een baan zal geven.123
Het Hof is gebleken dat [getuige 10] lid is van voornoemde WhatsAppgroep Teamcampana2021, en dat hem in die groep meermalen een hart onder de riem is gestoken. Volgens [medeverdachte 2] en anderen moet [getuige 10] geduldig blijven en zal [verdachte] hem zeker helpen.
Verder wordt er diverse keren met of over [getuige 10] gesproken.
- [ [medeverdachte 2] geeft in een gesprek met [getuige 15] op 12 augustus 2018 aan dat ze donderdag met [verdachte] heeft gezeten over al onze campagnevoerders. [verdachte] heeft tegen haar gezegd dat hij voorlopig niemand meer kan plaatsen. Twee mensen gaat hij wel helpen. Dat zijn [getuige 17] en [getuige 10]. Ten aanzien van hun twee heeft [verdachte] gezegd dat het over een paar weken gegeven zal worden.124
- [ [medeverdachte 2] zegt in een gesprek met [naam] van 13 november 2019 dat [verdachte] bezig is om [getuige 10] per 1 december bij de DOW te plaatsen om daar te werken.125
- [ [getuige 12] zegt op 11 december 2019 tegen [verdachte] dat hij erg blij is dat hij verschillende campagnes met [verdachte] heeft mogen voeren en dat [verdachte] hem vandaag ook heeft kunnen helpen met een goede baan bij de DOW waar zijn toekomst zal zijn.126
- In een gesprek van 13 december 2019 zegt [medeverdachte 2] tegen [naam] dat ze nog op Aruba is en dat ze een aantal stukken voor mensen aan het afronden is. Zij zegt dat [getuige 10] 2 januari zal beginnen met werken bij de DOW. [medeverdachte 2] zegt dat hij ze dan allemaal heeft geholpen.127
- In een gesprek van 16 juli 2020 zegt [medeverdachte 2] tegen [getuige 10] dat [verdachte] haar vandaag heeft gevraagd om aan [getuige 10] te vragen of hij zaterdag kan komen helpen. [Getuige 10] antwoordt dat hij zeker komt. [Medeverdachte 2] zegt vervolgens dat ze weet dat hij nooit meer bij hun terug komt, dat dat niet erg is, dat ze toch van hem blijft houden en dat als hij zich op een dag herinnert wie hem heeft geplaatst, hij wel zal terugkomen.128
2) [ [Getuige 16]
[Getuige 16] is op [datum] 2019 bij Serlimar in dienst getreden.129
In het dossier bevindt zich een door [getuige 16] ondertekende sollicitatiebrief van 29 juli 2019 voor een baan als opzichter bij Serlimar. Deze brief is gericht aan minister [verdachte] en is, volgens het stempel (en de handtekening van [medeverdachte 2]) op 29 juli 2019 ontvangen bij het Ministerie van ROIM.130 Een ongetekende versie van deze brief is aangetroffen in de door [getuige 1] overgelegde stukken uit de computer van [medeverdachte 2].131 In beide brieven staat ‘hoogachteing’ in plaats van ‘hoogachtend’.
[Medeverdachte 2] heeft bovendien verklaard dat zij de sollicitatiebrief van [getuige 2] heeft gemaakt en naar de personal assistent van [verdachte]) heeft gestuurd. [Medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat [getuige 16] een contract had gekregen van de AVP, voordat de AVP bij Serlimar weg was. Toen [verdachte] minister werd, heeft [getuige 16] [verdachte] verteld dat hij een contract had van de AVP, maar dat hij de baan niet heeft gekregen. [Verdachte] heeft [getuige 16] daarop naar haar gestuurd. Zo heeft [getuige 16] uiteindelijk een baan gekregen. Volgens haar heeft [getuige 16] door [verdachte] een contract gekregen van 5 jaar bij Serlimar.132
De bemoeienis van [medeverdachte 2] en [verdachte] bij de plaatsing van [getuige 16] bij Serlimar blijkt verder uit onderstaande WhatsAppberichten, die in de telefoon van [verdachte] zijn gevonden.
Op 29 juli 2019 laat [getuige 16] aan [verdachte] weten dat hij net met [medeverdachte 2] heeft gezeten en dat hij zijn sollicitatiebrief voor een functie van opzichter bij Serlimar heeft ingediend.133
Op 25 augustus 2019stuurt [verdachte] documenten naar [getuige 36], waaronder:
-
Curriculum van [getuige 16]
-
Sollicitatiebrief van [getuige 16]
-
Werkervaring
Met daarbij de tekst: Hij heeft een sollicitatie bij jullie. Voor de functie bij quality assurance
En
-
Sollicitatiebrief van [getuige 14]
-
Curriculum vitae van [getuige 14]
Met daarbij de tekst: Deze is de andere.
[Getuige 36] antwoordt diezelfde dag dat hij zal kijken of ze iets voor hen hebben.134
Op 4 september 2019 zegt [getuige 36] dat P&O opdracht heeft gekregen om contact op te nemen met [getuige 14] om op een afspraak te komen.
[Verdachte] weet even niet over wie het gaat. Hij zegt [getuige 14]? en Volgens wat jij mij had gezegd, was het toch [getuige 16] die je wilde aannemen bij Quality.
[Getuige 36] reageert: [getuige 14]. Ja [getuige 16] ook. Toch alle 2? Of heeft [getuige 16] meer urgentie?
[Verdachte] antwoordt: Inderdaad die twee/allebei.135
Er bestaan kennelijk toch nog onduidelijkheden.
Op 1 oktober 2019 zegt [getuige 36]: Goede dag, Minister. (…) De meneer die bij ons kwam solliciteren ons, degene die de minister naar mij had gestuurd … uhm [getuige 16]… Het idee is dat hij voor een ploeg gaat van Mantencion bo Bario of voor een positie bij Serlimar. Doordat van hetgeen [medeverdachte 2] doorstuurde, dat hij naar haar had gestuurd, wil hij een ploeg worden. Maar ik heb het anders begrepen van de minister. Dus ik heb aan [medeverdachte 2] gezegd dat ik eigenlijk de dingen/zaken direct met de minister regel want anders wordt het verwarrend als het via verschillende mensen gaat. Graag indien minister mij kan laten weten welke de bedoeling is dat minister met hem heeft, [getuige 14]direwant voor mij is het ene beetje verwarrend.
[Verdachte] antwoordt: Zoals wij tweetjes met elkaar hebben besproken.136
Diezelfde dag zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 2] dat [getuige 23] door de minsterraad is gegaan. [getuige 16] moet deze week beginnen als het goed is, zullen ze hem bellen. [getuige 14] ook, maar hij denkt dat [medeverdachte 2] hem niet kent. Volgens [verdachte] is dat iemand die voor ons heeft gestemd. Hij begint bij Serlimar. (…) [verdachte] herhaalt dat ze tegen [getuige 23] moet zeggen dat hij klaar is, daarover hebben wij gesproken en [getuige 16] gaat ook beginnen.137
Op 29 oktober 2019 stuurt [getuige 16] enkele WhatsAppberichten naar [verdachte]:
-
Minister zal van mij horen na de vergadering van 9 uur te Serlimar.
-
Gesprek is goed gegaan.
-
Misschien moet ik per 1 nov beginnen
-
Bedankt [verdachte]
-
Nooit zal ik deze daad kunnen vergeten. Je bent de beste.138
Daarna komen er enkele kinken in de kabel. Zo laat [getuige 16] [verdachte] op 13 november 2019 weten dat hij bij Serlimar is en dat ze hem een baan als medewerker onderhoud willen geven. Hij heeft gesolliciteerd voor opzichter. Hij weet niet wat hij moet doen. Hij weet niet meer hoe het zit. Hij kan niet leven van het minimumloon. Hij vraagt [verdachte] om hem alstublieft te laten weten hoe het zit. [Verdachte] antwoordt daarop dat ze hem zullen bellen. Hij moet rustig blijven. [Getuige 16] geeft aan dat hij een beetje bang is dat als [verdachte] aftreedt zij hem niet meer zullen helpen. [Verdachte] zegt dat hij niet moet twijfelen. [Getuige 16] antwoordt dat hij echt super loyaal is. POR en [verdachte].139
Die loyaliteit blijkt ook uit een gesprek van 23 september 2019 tussen [getuige 16] en [verdachte], waarin [getuige 16] zegt: Minister [verdachte], ik kom net uit een gesprek met Serlimar en ze hebben me een “pick up/ophaal langs de weg” aangeboden maar volgens wat [naam] zegt is het beter “cabuya” zegt, iets vasts tot mijn pensioen zal beter zijn, wat ik eigenlijk wilde. Maar als dat niet mogelijk is, en ik een contract “langs de weg” kan krijgen en om later vast te worden, zal ook goed zijn. Nu neem ik aan wat komt, vol liefde. En ik ben blij dat [verdachte] mij geholpen heeft, superblij. (…) “Loyalty”. Ik ben volledig trouw aan de partij. Wanneer ik in dat hokje stap, zal ik die stem, als [verdachte] er niet is, aan degene die namens [verdachte] blijft geven. Ik zal voor hem stemmen en campagne voor hem voeren. En vanaf nu wil ik [verdachte] nogmaals zeggen, ik herhaal dat ik al veel mensen achter mij heb staan, hier in de buurt, zijn er best veel mensen die tegen mij zeggen van ja [naam], wij gaan met [verdachte]. Venten die MEP waren, venten die AVP waren, allemaal, wij, ze steunen mij zodat we naar [verdachte] gaan. Ok? Dus we zijn er. Nogmaals dank voor de hulp.140
3) [ [Getuige 21]
[Getuige 21] is op [datum] 2019 bij Serlimar in dienst getreden in de functie van belader bij de afdeling huishoudelijk afval. Hij heeft een overeenkomst gekregen voor de duur van één jaar. Deze overeenkomst is gesloten op [datum] 2020. [Getuige 36] heeft de overeenkomst namens Serlimar ondertekend.141
Uit de verklaring van [getuige 21] zelf blijkt dat hij gedurende één jaar bij Serlimar heeft gewerkt. Hij zocht toen een baan omdat hij op dat moment geen baan had. Hij verklaart verder dat zijn vrouw [medeverdachte 1] kandidaat was op de POR-lijst en dat hij om zijn vrouw te steunen ook betrokken was bij POR.142
[Medeverdachte 1] heeft verklaard dat [getuige 21] haar echtgenoot is en dat hij zonder werk zat. Hij werkte van oktober 2018 tot maart 2019 bij Canashito Farm Supplies. Daarna heeft hij een jaar bij Serlimar gewerkt. Hij was contractant. Aangezien [verdachte] een groot netwerk heeft, hoopte zij dat hij iets kon doen of een goed woord voor hem kon doen. Het is [getuige 21] uiteindelijk gelukt om een baan te krijgen bij Serlimar door [verdachte]. Hij heeft daarvoor een sollicitatiebrief geschreven naar Serlimar voor de functie van belader.143
Dat [medeverdachte 1] zich voor hulp tot [verdachte] heeft gewend kan worden afgeleid uit het in dit verband tussen hen verstuurde WhatsAppbericht.
Op 6 augustus 2020 schrijft [medeverdachte 1]: (…) Ik wil checken of de mogelijkheid bestaat of misschien Serlimar een plek heeft waar [getuige 21] kan worden geplaatst. Zelfs om een vrachtwagen te besturen of om afval/vuilnis op te halen zal goed zijn. Hij heeft bij verschillende bedrijven/plaatsen gesolliciteerd en gaat naar gesprekken toe etc. Maar als er een plek is zal ik dit op prijs stellen.
[Verdachte] antwoordt daarop dat hij het heeft genoteerd.144
De betrokkenheid van [verdachte] bij de plaatsing van [getuige 21] blijkt verder uit onderstaand WhatsAppgesprek, dat in de telefoon van [verdachte] is gevonden.
Op 30 april 2019 stuurt [verdachte] dan enkele namen door naar [getuige 36], namelijk: [naam], [naam], [naam], [naam], [naam] en [naam]. Hij schrijft erbij 5 kandidaten voor beladers. Daarna stuurt [verdachte] een bericht met de tekst deze is kandidaat voor chauffeur: [getuige 21]. [Verdachte] vraagt of ze volgende week al zouden kunnen starten.
[Getuige 36] antwoordt daarop dat ze meteen zullen mobiliseren. Beladers en operators van zware gereedschappen hebben ze zo spoedig mogelijk nodig. Chauffeurs weet hij niet zeker, dat zal hij nagaan.
[Verdachte] vraagt [getuige 36] om deze chauffeur ook voor hem te push/duw. [Getuige 36] antwoordt dat hij dat zal doen.145
4) [ [Getuige 14]
[Getuige 14] is op [datum] 2020 in dienst getreden bij Serlimar in de functie van heldpdeskmedewerker bij de afdeling helpdesk. Hij heeft een overeenkomst gekregen voor de duur van één jaar. Deze overeenkomst is op [datum] 2020 gesloten. [Getuige 36] heeft de overeenkomst namens Serlimar ondertekend.146
[Getuige 14] heeft verklaard dat hij in februari 2020 bij Serlimar is begonnen en dat hij daar één jaar heeft gewerkt. Hij heeft daartoe een (niet persoonsgerichte en niet direct voor Serlimar bedoelde) sollicitatiebrief gestuurd. Hij heeft verder verklaard dat [verdachte] bij hem thuis is gekomen en dat hij toen aan [verdachte] heeft beloofd om hem te steunen bij de verkiezingen van 22 september 2017. [Verdachte] heeft toen een vlag bij zijn huis gezet. [Getuige 14] heeft dit gedaan om werk bij Serlimar te krijgen.147
In het dossier bevindt zich een sollicitatiebrief van [getuige 14] van 15 december 2017. Deze brief is gericht aan minister [verdachte] en betreft een verzoek om een baan bij de overheid.148 [Verdachte] heeft deze brief op 25 augustus 2019 naar [getuige 36] gestuurd. Het Hof verwijst in dit verband naar de hiervoor onder 2) ten aanzien van [getuige 16] weergegeven berichten tussen [getuige 36] en [verdachte] van 25 augustus 2019 en 4 september 2019.
[verdachtes] betrokkenheid blijkt verder uit de navolgende WhatsAppgesprekken.149
Op 5 november 2019 stuurt [getuige 14] een Whatsappbericht naar [verdachte]:
Goede dag. Ik wil minister graag zeggen dat ik een interview heb gekregen bij Serlimar. Ik ben daar erg dankbaar voor. Ik had een maand geleden met haar gesproken. Maar sindsdien heb ik niets meer gehoord. Ik blijf checken, maar zij blijft me maar zeggen dat zij geen antwoord heeft gekregen van de directeur. Ik weet dat Minister het deze dagen erg druk heeft, maar als minister een follow-up voor mij kan doen, over hoever zij met mijn sollicitatie zijn. Bij voorbaat bedankt, Minister. [getuige 14].
Op 10 januari 2020 stuurt [getuige 14] een Whatsappbericht naar [verdachte]:
(…) Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om een hartelijke groet te sturen en daarnaast grote dank omdat het mij gelukt is om bij Serlimar binnen te gaan. Bedankt voor de inspanningen en hulp minister [verdachte]. (…) [getuige 14].
5) [ [Getuige 22]
[Getuige 22] is op [datum] 2018 bij Serlimar in dienst getreden in de functie van administratief medewerker bij de afdeling secretariaat. Zij heeft een overeenkomst gekregen voor de duur van één jaar. Deze overeenkomst is gesloten op [datum] 2018. De waarnemend directeur heeft de overeenkomst namens Serlimar ondertekend.150 Uit een brief van de waarnemend directeur aan [getuige 22] van 1 november 2018 blijkt dat haar functie met ingang van 18 juni 2018 is gewijzigd in de functie van magazijnmedewerker bij de afdeling Financiële Economische en Logistieke Zaken.151
In het dossier heeft het Hof een door [getuige 22] ondertekende sollicitatiebrief van 17 januari 2018 aangetroffen. Deze brief is volgens het stempel op 18 januari 2018 ingekomen bij het bureau van de minister van ROIM, en op 19 januari 2018 bij Serlimar.152 Een ongetekende versie van deze brief is aangetroffen in de door [getuige 1] overgelegde stukken uit de computer van [medeverdachte 2].153 In beide brieven staat ‘hoogachteing’ in plaats van ‘hoogachtend’.
Haar naam komt op meerdere plaatsen voor in het logboek van [medeverdachte 2], namelijk:
- In de lijst ‘team Campagne Partij POR 2021, team [medeverdachte 2]’.
[voornaam getuige 22] met de tekst is boos.
- Deze zijn allemaal mensen die [verdachte] geholpen heeft oom een baan bij Serlimar zelf te krijgen en het zijn campagnevoerders van het Team[verdachte] POR 2018
[getuige 22] – het is [voornaam getuige 22] gelukt om een baan bij Serlimar te krijgen. Zij is op 1 maart 2018 begonnen.154
[Getuige 22] heeft verklaard dat zij in 2017 politieke campagne heeft gevoerd voor de AVP. Zij kent [medeverdachte 2] al sinds 2009 toen [medeverdachte 2] campagne voerde voor AVP. In 2017 was [medeverdachte 2] campagnevoerder voor [verdachte]. [Medeverdachte 2] heeft haar toen gevraagd om te komen helpen met de campagne van [verdachte] en POR. Dat heeft [getuige 22] niet gedaan omdat zij haar zoon ging helpen met zijn verhuizing. Haar contact met [medeverdachte 2] is altijd goed geweest. Daarom heeft [getuige 22] [medeverdachte 2] gevraagd om een afspraak voor haar te maken met de minister met betrekking tot een overplaatsing. Zij was toen al in dienst bij Serlimar. Omdat [verdachte] op dat moment aftrad als minister heeft zij hem niet meer om hulp met de overplaatsing gevraagd. Ze besloot naar huis te gaan.155
In een op 1 oktober 2019 tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] gevoerd WhatsAppgesprek hebben zij het eerst over [getuige 23] en [getuige 16]. Aan het einde van dat gesprek vraagt [medeverdachte 2] of hij wil kijken of hij haar dochter kan helpen. [Verdachte] antwoordt daarop dat zijn hoofd vandaag en morgen vol zit met Serlimar en die dingen.156
Volgens [medeverdachte 2] ging dit gesprek over [getuige 22], die zij haar dochter noemt. Zij wilde [verdachte] vragen om [getuige 22] aan een andere baan te helpen.157
6) [ [Getuige 17]
Het Hof heeft in het dossier geen sollicitatiebrief van hem aangetroffen, noch een door hem getekende overeenkomst met Serlimar.
Volgens zijn eigen verklaring werkt hij vanaf 2017 of 2018 bij Serlimar in de functie van truckdriver en werkt hij daar nog steeds.158
Ook zijn naam komt op meerdere plaatsen in het logboek van [medeverdachte 2] voor, namelijk:
- In de lijst ‘team Campagne Partij POR 2021, team [medeverdachte 2]’.
[Getuige 17] met de tekst blijft partij POR en [verdachte] steunen.
- Deze zijn allemaal mensen die [verdachte] geholpen heeft om een baan bij Serlimar zelf te krijgen en het zijn campagnevoerders van het Team[verdachte] POR 2018
[Getuige 17] – het is [voornaam getuige 17] gelukt om een baan bij Serlimar te krijgen. Hij is op 1 juni 2018 begonnen.159
Verder noemt [medeverdachte 2] de naam van [getuige 17] in een Whatsappgesprek met [getuige 15] op 12 augustus 2018. Zij zegt dan dat [verdachte] tegen haar heeft gezegd dat hij deze maanden niemand kan plaatsen. Pas in november zal hij kijken wat Serlimar nog mist en dan zal hij ze plaatsen. Twee gaat hij wel helpen, namelijk [getuige 17], die heeft gevraagd voor belader. Hij is ‘een goede campagnevoerder van mij en [verdachte]’. En [getuige 10]. Ten aanzien van hun twee heeft [verdachte] gezegd dat het over een paar weken gegeven zal worden.160
Ten slotte noemt [medeverdachte 2] de naam van [getuige 17] in een WhatsAppbericht dat zij op 13 juli 2020 voert met [naam]. Daarin zegt ze: ”Ik heb ook aan iemand gezegd, bleef [getuige 17] helpen/steunen/duwen, heeft me bijna gek gemaakt, heb hem geholpen met een baan bij Serlimar en nu zegt hij dat hij mij niet gaat helpen? Ik zei nee? Ok is goed. Toen hij vast bleef zitten op Santo Domingo, had hij wel [medeverdachte 2] haastig gebeld. Ik zei, ik had gedacht dat jullie niet meer op de partij zouden stemmen. Nou ik had besloten om hem toch te helpen, nu is hij wel in de reet van [medeverdachte 2].161
7) [ [Getuige 18]
In het dossier bevindt zich een sollicitatiebrief van [getuige 18] van 21 februari 2018 met de eerdergenoemde fout ‘hoogachteing’ in plaats van ‘hoogachtend’. Deze brief is gericht aan minister [verdachte] en betreft een verzoek om in aanmerking te komen voor een baan bij Serlimar in de functie van helper in het magazijn.162
Uit de in de telefoon van [verdachte] aangetroffen WhatsAppberichten blijkt dat [verdachte] de sollicitatiebrief van [getuige 18] op 23 februari 2018 heeft doorgestuurd naar [getuige 15] met de tekst ‘magazijnmedewerker’.163
[Getuige 18] is bij de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij op enig moment heeft beloofd om [verdachte] en/of de politieke partij POR te steunen bij de verkiezingen van 22 september 2017 en/of 25 juni 2021. Hij heeft verder verklaard dat hij campagnevoerder was voor [verdachte] en dat hij lid was van de WhatsAppgroep Teamcampagna2021.164
Zijn naam komt verder voor in het logboek van [medeverdachte 2], namelijk:
- Deze zijn allemaal mensen die [verdachte] geholpen heeft om een baan bij Serlimar zelf te krijgen en het zijn campagnevoerders van het Team[verdachte] POR 2018
[Getuige 18] – het is [voornaam getuige 18] gelukt om een baan bij Serlimar te krijgen. Hij is op 1 maart 2018 begonnen.165
8) [ [Getuige 11]
Het Hof heeft in het dossier geen sollicitatiebrief van haar aangetroffen, noch een door haar getekende overeenkomst met Serlimar.
[Getuige 11] heeft verklaard dat zij vanaf [datum] 2019 gedurende een jaar en drie maanden bij Serlimar heeft gewerkt. Volgens haar hebben de vader van haar kind en [getuige 27] [medeverdachte 2] om hulp gevraagd bij het vinden van een baan voor [getuige 11]. [Getuige 11] heeft verklaard dat zij gewoon heeft gesolliciteerd. Het duurde daarna even voordat zij antwoord kregen. [Medeverdachte 2] bleef toen bellen om te vragen naar de stand van zaken.166
De naam van [getuige 11] komt voor in een van de rubrieken in het logboek van [medeverdachte 2], namelijk in de rubriek Team Campagne Partij POR 2021 – Team [medeverdachte 2], met de opmerking ‘Blijft partij POR en [verdachte] steunen’.167
In een op 3 mei 2019 gevoerd WhatsAppgesprek tussen [getuige 36] en [verdachte] geeft [getuige 36] aan dat ze vijf helpdeskmedewerkers nodig hebben in verband met de uitbreiding bij de MFA’s. Hij vraagt of de minister mensen heeft voor die positie.
[Verdachte] antwoordt: zeker.
Op 14 mei 2019 forward [verdachte] een aantal namen en stelefoonnummers naar [getuige 36], daaronder de naam [getuige 11] en [telefoonnummer]. Hij schrijft erbij:
Bondia e aplicante nan pa help desk saludos (de sollicitanten voor de helpdesk).168
Op 6 november 2019 hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] het over [getuige 11]. In het gesprek gaat het eerst over de terreinaanvraag van 7 oktober 2014.
[Verdachte] zegt dat hij die van [getuige 11] heeft. Hij gaat haar helpen. Hij vraagt [medeverdachte 2] om contact op te nemen. [Medeverdachte 2] moet kijken of ze nog bij de bank werkt.
[Medeverdachte 2] antwoordt dat ze gelijk naar haar toe gaat. Ze weet wie het is. Het is een van zijn mensen. In een volgend bericht zegt [medeverdachte 2] dat ze naar de woning van [getuige 11] is gegaan. [Getuige 11] werkt niet meer bij de bank maar bij Serlimar. [Medeverdachte 2] zegt tegen [verdachte] dat hij haar zelf werk heeft gegeven. Die is volgens [medeverdachte 2] goed met [getuige 11]. [Medeverdachte 2] sluit af met de mededeling “zo is het ons ook met [getuige 11] gelukt.”169
In haar verhoor van 24 november 2022 bevestigt [medeverdachte 2] dat [verdachte] [getuige 11] heeft aangenomen.170
Conclusie
Het Hof leidt uit het voorgaande af dat [verdachte] en [medeverdachte 2] zich hebben ingespannen om voor [getuige 22] en [getuige 11] een baan te vinden bij Serlimar. [Getuige 22] en [getuige 11] ontkennen campagne te hebben gevoerd voor POR en/of [verdachte]. Het Hof overweegt hieromtrent dat hoewel het te denken geeft dat hun namen zijn opgenomen in het logboek van [medeverdachte 2], het Hof ten aanzien van hen niet kan vaststellen dat zij in ruil voor de inspanningen van [verdachte] en [medeverdachte 2] een gift, dienst of belofte aan [verdachte] en/of [medeverdachte 2] hebben gedaan. Het Hof zal [verdachte] dan ook vrijspreken van de onder 1 tenlastegelegde passieve omkoping met betrekking tot deze personen.
Het Hof komt tot eenzelfde oordeel ten aanzien van [getuige 21]. Ook ten aanzien van hem geldt dat het Hof niet kan vaststellen dat hij in ruil voor de inspanningen van (in dit geval alleen) [verdachte] een gift, dienst of belofte aan [verdachte] heeft gedaan.
Het Hof acht wel bewezen dat [verdachte] zich alleen – het Hof is niet gebleken van enige betrokkenheid van [medeverdachte 2] – heeft schuldig gemaakt aan passieve omkoping ten aanzien van [getuige 14]. Uit hetgeen [getuige 14] heeft verklaard blijkt al dat aan hem in ruil voor steun een baan is beloofd. Uit het dossier blijkt dat [verdachte] zich daadwerkelijk heeft ingespannen om voor [getuige 14] een baan te vinden, hetgeen hem ook is gelukt.
Het Hof acht verder bewezen dat [verdachte] zich samen met [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan passieve omkoping ten aanzien van [getuige 16]. Ook aan hem is in ruil voor steun een baan beloofd. Uit het dossier blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 2] zich daadwerkelijk hebben ingespannen om voor [getuige 16] een baan te vinden, hetgeen ook is gelukt.
Het Hof acht voorts bewezen dat [verdachte] zich samen met [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt passieve omkoping ten aanzien van [getuige 17], [getuige 18] en [getuige 10].
Het Hof heeft hiervoor vastgesteld dat aan de campagnevoerders voor POR en/of [verdachte] in ruil voor hun inspanningen hulp werd beloofd onder meer bij het vinden van werk, als POR zou winnen. [getuige 10] [getuige 17] en [getuige 18] hebben campagne gevoerd voor POR en/of [verdachte] en uit de op ieder van hen betrekking hebbende verklaringen en WhatsAppberichten blijkt dat [medeverdachte 2] en [verdachte] zich ook daadwerkelijk voor ieder van hen hebben ingespannen om die verkiezingsbelofte gestalte te doen, welke inspanningen uiteindelijk hebben geresulteerd in een baan voor [getuige 10] bij DOW en voor [getuige 16], [getuige 17] en [getuige 18] bij Serlimar.
Het Hof overweegt nog dat [medeverdachte 2] en [verdachte] daarbij nauw samenwerkten. [Medeverdachte 2] onderhield het contact met de campagnevoerders. Zij hield bij wie er moest worden geholpen en hielp zo nodig met het schrijven van de sollicitatiebrief. Zij hield ook bij of het was gelukt om iemand bij een overheidsdienst of Serlimar te plaatsen en met ingang van welke datum. Zij bracht de campagnevoerders die nog moesten worden geholpen onder de aandacht van [verdachte]. [Verdachte] had vanuit zijn rol als minister van ROIM en oprichter van POR politieke invloed. Hij onderhield contact met de directeur van Serlimar en gaf deze aanwijzingen. Dat [verdachtes] wil daarbij bepalend was, blijkt niet alleen uit de verklaring van [getuige 15] die heeft aangegeven dat [verdachte] (en [medeverdachte 2]) het laatste woord hadden, maar ook uit de vele hiervoor weergeven WhatsAppberichten. Daaruit blijkt dat [getuige 15] en [getuige 36] bij [verdachte] te rade gaan of zij mensen kunnen aannemen, en zo ja wie. [Getuige 36] opmerking (in een gesprek van 9 april 2019) dat ze bezig zijn met het werven van beladers, maar dat hij bij de minister wil checken of hij een andere persoon in gedachten heeft, aan wie iets is beloofd, spreekt in dit verband boekdelen.
Het Hof acht op grond van het voorgaande, in het bijzonder gezien de inspanningen van [verdachte], ten aanzien van [getuige 21] en [getuige 14] alleen en ten aanzien van [getuige 10], [getuige 16], [getuige 22], [getuige 17], [getuige 18 en [getuige 11] samen met [medeverdachte 2] bij het vinden van een baan van voornoemde personen, ook bewezen dat hij opzettelijk misbruik heeft gemaakt van zijn functie. Hij heeft zich in zijn functie van minister nadrukkelijk beziggehouden met het plaatsen van campagnevoerders en aanhangers van POR en/of hemzelf bij de overheidsdienst DOW en bij Serlimar.
Voornoemde personen genoten hierdoor een voorkeursbehandeling ten opzichte van andere burgers. Dit alleen al past niet bij wat van een minister mag worden verwacht. Daar komt bij dat overheidsdiensten objectief en deskundig moeten zijn, vrij van politieke inmenging. Dat geldt te meer voor Serlimar, dat als sui generis een zelfstandige positie heeft ten opzichte van de overheid. Met zijn handelen heeft [verdachte] de noodzakelijke scheiding tussen politiek en overheid ondermijnd en zodoende de integriteit en de bijzondere verantwoordelijkheid die zijn ambt met zich brengt, geschonden.
[Verdachte] wordt voorst verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan misbruik van zijn functie ten aanzien van [medeverdachte 1], [getuige 19], [getuige 23],
[getuige 20] en [getuige 15].
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
Volgens [medeverdachte 2] heeft [verdachte] zes of zeven POR-campagnevoerders een baan gegeven bij de DIP, onder wie: [getuige 19], [getuige 23] en [medeverdachte 1]. Deze personen zijn allemaal door [verdachte] geplaatst. Het heeft met politiek te maken. [Verdachte] gaf aan dat het vertrouwenspersonen van hem waren. [Verdachte] geeft alleen aan mensen die hij vertrouwt, aldus [medeverdachte 2].171
Het Hof noemt in dit verband ook de verklaring van [getuige 3], die niet alleen heeft verklaard dat [verdachte] de procedure voor het benoemen/aanstellen van personen bij overheidsdiensten en Serlimar vaak omzeilde, maar ook namen heeft genoemd.
Volgens haar hebben de benoemingen/plaatsingen van [getuige 23], [medeverdachte 1], [getuige 19] en [getuige 20] bij de DIP niet op de voorgeschreven wijze plaatsgevonden. Bij [medeverdachte 1], [getuige 19] en [getuige 20] waren er geen adviezen van het diensthoofd.172
[Verdachte] heeft [getuige 19] zonder selectie, en zonder dat hij aan de sollicitatievereisten voldeed waardoor de DRH negatief had geadviseerd, geplaatst. Ten aanzien van [medeverdachte 1] geldt dat er geen voorstel van de DIP was voor haar functie en ook geen akkoord van de Dienst Arbeid en Onderzoek voor haar vertrek. Bij de stukken zit wel een verzoek tot overplaatsing, maar daarin gaf [medeverdachte 1] aan dat ze toen al werkzaam was bij de DIP. [Getuige 20] was in 2016 overgeplaatst naar het Arubahuis in Nederland. In 2019 is [verdachte] met een brief naar de ministerraad gegaan en werd zij bij de DIP geplaatst. [Getuige 2] had gezegd dat hij geen plek voor haar had, maar ze kwam er toch te werken.173
Dit sluit ook aan bij hetgeen [getuige 12] en [getuige 2] hebben verklaard.
[Getuige 12] is in [datum] 2018 benoemd tot algemeen adviseur bij de DIP. Daarnaast was hij voorzitter van het managementteam en waarnemend interim-directeur. Hij werkte onder de minister ([verdachte]). Dat was hij tot de benoeming van de nieuwe directeur (het Hof begrijpt: [getuige 2]). Volgens [getuige 12] zijn de belangrijkste afdelingen bij de DIP de woningbouwafgifte (UC) en de terreinafgifte (ICTRN).
Volgens [getuige 12] is [getuige 19] door [verdachte] geplaatst in de functie van hoofd ICTRN. Na januari 2018 werden [medeverdachte 1] als hoofd van het uitgifte centrum en [getuige 23] als beleidsmedewerker ICTRN benoemd. Hij kan zich herinneren dat sommige mensen gewoon door de minister naar de DIP werden gestuurd, zonder dat die mensen met de directeur van de DIP waren besproken. Hij verklaart ten slotte dat [medeverdachte 1] qua opleidingsniveau wel voldeed, maar niet qua richting en zeker niet qua ervaring. [Getuige 19] beschikte niet over het vereiste opleidings- en denkniveau voor de functie van hoofd ICTRN.174
[Getuige 2] is sinds [datum] directeur van de DIP. Volgens hem zijn [getuige 19], [getuige 23] en [getuige 20] door [verdachte] op de afdeling commerciële erfpachtterreinen van de DIP geplaatst.175
9) [medeverdachte 1]
[Medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij in 2017 lid is geworden van POR en dat zij op de POR-kandidatenlijst176 stond. Zij werkte op dat moment bij de Directie Arbeid van het Ministerie van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid als junior onderzoeker. In december 2017, na de officiële regeringsvorming, heeft [verdachte] haar benaderd voor een overplaatsing naar de DIP in de functie van team coördinator uitgifte centrum. Zij moest van [verdachte] een officiële overplaatsingsaanvraag doen. De ministerraad heeft daarop haar verzoek goedgekeurd, waarna zij een Landsbesluit tot overplaatsing heeft ontvangen. Op het moment dat zij het Landsbesluit ontving, was zij al werkzaam bij de DIP. Zij geeft nog aan dat het klopt dat zij in een klacht over het functioneren van [getuige 2] heeft geschreven dat het geen geheim is dat haar plaatsing bij de DIP een politieke beslissing was. Zij bedoelde daarmee dat zij op deze functie is geplaatst door haar plaats op de kandidatenlijst van POR. Volgens haar zijn ook [getuige 19], [getuige 23] en [getuige 20] politiek geplaatst bij de DIP.177
In een latere verklaring voegt [medeverdachte 1] daar nog aan toe dat er geen vacature was waarop ze heeft gesolliciteerd. Niemand van de DIP wist dat zij zou komen. Ook [medewerker] niet, die op dat moment team coördinator was van het uitgifte centrum.178 In haar verklaring bij de rechter-commissaris voegt ze daar nog aan toe dat ze verbaasd was dat [verdachte] haar voor deze functie heeft gevraagd, omdat ze geen ervaring had met de werkzaamheden in die sector.179
10) [Getuige 19]
Op 4 augustus 2017 heeft POR zijn kandidatenlijst met 29 namen officieel bekend gemaakt. [Getuige 19] stond op [nummer].180
Uit de door de DRH181 uitgeleverde gegevens blijkt dat [getuige 19] per 1 december 2017 is aangesteld op het bureau van de minister van ROIM. Deze arbeidsovereenkomst is per 8 januari 2018 beëindigd, waarbij hem met ingang van 9 januari 2018 een nieuwe arbeidsovereenkomst is aangeboden bij de afdeling DIP, naar het Hof begrijpt, in de functie van team coördinator ICTRN. Dit is besloten in de vergadering van de ministerraad op 12 januari 2018.
Uit deze gegevens blijkt verder dat de DHR de minister van ROIM op 14 mei 2018 heeft bericht dat [getuige 19] niet over het vereiste opleidingsniveau beschikt voor de betreffende functie. Naar aanleiding van verzoeken tot verlenging van de arbeidsovereenkomst en salarisverhoging, heeft de DHR de minister van ROIM op 28 januari 2020 geadviseerd om de bevordering van [getuige 19] af te wijzen en een beslissing te nemen over de plaatsing in een passende functie. Op 28 december 2020 heeft de DHR nogmaals geadviseerd om de bevordering af te wijzen, ook naar aanleiding van het inmiddels gedane advies van 29 oktober 2020 van de DHR aan de minister van ROIM om het dienstverband met [getuige 19] te beëindigen. Dit advies tot beëindiging is op 4 december 2020 door de ministerraad behandeld en goedgekeurd.
11) [Getuige 20]
[Getuige 20] heeft verklaard dat zij werkzaam was bij het Arubahuis in Nederland. Op een gegeven moment wilde zij terug naar Aruba. Zij heeft toen een verzoek ingediend tot overplaatsing naar de Directie Scheepvaart. Dat is geweigerd. In haar wanhoop heeft ze daarna zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] gebeld en gemaild met de vraag waar zij zou kunnen gaan werken. Ze heeft daartoe een algemene brief opgesteld en verstuurd naar de minister van Algemene Zaken. Daarna werd haar een baan bij de DIP aangeboden. Zij is aangenomen door [getuige 2]. Ze heeft hem op 20 november 2019 voor het eerst gesproken. Zij is begonnen op 26 november 2019.182
In het dossier bevinden zich enkele tapgesprekken met en over [getuige 20].183
-
Op 4 oktober 2019 stuurt [medeverdachte 2] een brief van [getuige 20] van 20 september 2019 naar [verdachte]. [Medeverdachte 2] zegt erbij dat [getuige 20] op 31 oktober 2019 naar Aruba zou komen. [Medeverdachte 2] vraagt [verdachte] om de overplaatsing van [getuige 20] via de ministerraad te regelen voordat zij terugkomt. Even later schrijft [medeverdachte 2] dat ze de brief bij de Minister-president heeft afgegeven.
-
Op 17 oktober 2019 schrijft [getuige 20] aan [verdachte] dat ze van [medeverdachte 2] heeft begrepen dat [verdachte] haar stukken heeft laten behandelen in de ministerraad.
-
Op 17 oktober 2019 schrijft [getuige 20] dat [getuige 2] haar aan het bellen is, maar dat hij haar niets te pakken krijgt.
-
Op 18 oktober 2019 vraagt [verdachte] aan [getuige 20] of ze in november zou kunnen beginnen.
-
Op 20 november 2019 zegt [verdachte] tegen [getuige 20] dat hij haar heeft aanbevolen omdat zij jaren met hem heeft gewerkt en een doener is. [Getuige 20] antwoordt dat ze een afspraak heeft met [voornaam getuige 2] op 20 november 2019. Zij vraagt wat de achternaam is van [voornaam getuige 2], waarop [verdachte] antwoordt dat het [getuige 2] is.
In het dossier bevindt zich een brief van [getuige 20] van 20 september 2019, gericht aan de Minister van Algemene Zaken, mr. [betrokkene 5], met het onderwerp ‘overplaatsing [getuige 20]’. Goed bezien betreft deze brief echter geen verzoek tot overplaatsing, maar een verzoek om duidelijkheid te scheppen met betrekking tot de rechter en plichten van [getuige 20].184 Deze brief is gevoegd bij de voordracht met als onderwerp ‘overplaatsing van [getuige 20]’ van de minister van Algemene Zaken van 7 oktober 2019 aan de ministerraad.185 Blijkens een uittreksel besluitenlijst van de vergadering van de ministerraad van 8 oktober 2019, is ingestemd met de overplaatsing/terugzending van betrokkene van het Kabinet Gevolmachtigde Minister in Nederland naar DIP.186
Uit de brief van [getuige 2] van 28 januari 2021 aan de Minister van Algemene Zaken, belast met ROIM blijkt dat [getuige 20] van het kabinet van de Gevolmachtigde Minister in Nederland (het Arubahuis) is overgeplaatst naar de DIP. Aangezien dit voor [getuige 2] een verrassing was, heeft hij bij DRH om nadere informatie verzocht.187
In zijn brief van 21 juli 2020 heeft [getuige 2] nog een keer uiteengezet dat de overplaatsing van [getuige 20] (van 8 oktober 2019) niet volgens de regels was. Hij noemt bijvoorbeeld dat [getuige 20] niet heeft gesolliciteerd voor een functie, [Getuige 2] heeft met betrekking tot de overplaatsing geen advies uitgebracht en dat de DIP geen begrotingsruimte heeft om [getuige 20] in dienst te nemen.188
12 [Getuige 23]
[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [getuige 3] hebben, zoals hiervoor weergeven, ten aanzien van [getuige 23] verklaard dat zij politiek is geplaatst. Het Hof constateert dat [getuige 23] zelf niet is gehoord.
Uit het dossier blijkt dat het managementteam van de DIP de minister van ROIM bij brief van 26 maart 2018 heeft geadviseerd om [getuige 23] een dienstverband aan te bieden als senior medewerker uitgifte center. Volgens het uittreksel van de vergadering van de ministerraad van 6 april 2018 heeft de ministerraad op die datum ingestemd met het advies van de DIP. Uit een Landsbesluit van 5 mei 2020 begrijpt het Hof dat [getuige 23] sinds 1 juni 2018 in voornoemde functie werkzaam is bij de DIP. Het Landsbesluit zelf betrof haar aanstelling als ambtenaar in vaste dienst.189
Het Hof heeft verder nog een tapgesprek aangetroffen waarin de naam van [voornaam getuige 23] wordt genoemd. Het betreft een gesprek van 1 oktober 2019, waarin [verdachte] tegen [medeverdachte 2] zegt dat “[voornaam getuige 23]” door de ministerraad is.190 Gelet op de genoemde datum begrijpt het Hof dat dit gesprek betrekking had op haar aanstelling in vaste dienst. Niet op de indiensttreding in 2018.
13 [Getuige 15]
[Getuige 15] heeft verklaard dat zij in 2017 heeft meegedaan aan de Statenverkiezingen. Zij stond [nummer] op de POR-kandidatenlijst. Zij werd als kandidaat van de partij in november 2017 via de secretaresse van [verdachte] benaderd om een functie bij Serlimar aan te nemen. Ze werd uitgenodigd om naar Cocoloshi te komen en heeft daar naar het voorstel van [verdachte] geluisterd. Hij wilde eigenlijk dat ze op 1 december 2017 zou beginnen. Officieel is ze per 1 januari 2018 begonnen, maar eigenlijk heeft ze de laatste weken van december 2017 ook al gewerkt.
Ze verklaart dat de Raad van Toezicht haar baas was, maar de minister had haar daar geplaatst en dat was voor een reden. Zij verklaart verder dat zij vanwege haar background een goede keuze was. Ze heeft de knowhow. Al met al werd er iemand geplaatst die weet hoe een organisatie moet worden beheerd. Zij voegt daar nog aan toe dat als er een vacature zou zijn geweest, zij daarop zou hebben gesolliciteerd.191
Het dossier bevat een brief van de voorzitter van de Raad van Toezicht van 22 februari 2018, inhoudende dat de Minister van Infrastructuur en Milieu aanwijzingen heeft gegeven dat [getuige 15] en [getuige 37] tezamen het Managementteam vormen dat is belast met de leiding en het beheer van Serlimar.192
Conclusie
Het Hof leidt uit voornoemde feiten en omstandigheden af dat [medeverdachte 1], [getuige 19] en [getuige 20] buiten de bestaande procedures om door [verdachte] bij de DIP zijn geplaatst en [getuige 15] bij Serlimar. Dit blijkt reeds uit de hiervoor weergegeven verklaringen van [medeverdachte 2], [getuige 3], [getuige 2] en [medeverdachte 1], en vindt daarnaast steun in de opgesomde documenten betreffende de plaatsingen. Door zo te handelen heeft [verdachte] zich ten aanzien van hen telkens schuldig gemaakt aan misbruik van zijn functie. Zoals eerder overwogen dienen overheidsdiensten objectief en deskundig te zijn, vrij van politieke inmenging en heeft [verdachte] met zijn handelen ook in dit verband de eerdergenoemde noodzakelijke scheiding tussen politiek en overheid ondermijnd. De diensten werden door deze plaatsingen, zoals de getuige [getuige 3] het heeft verwoord in haar verklaring, politiek besmet en konden niet meer onafhankelijk opereren.
Het Hof zal [verdachte] vrijspreken van het misbruik van zijn functie ten aanzien van [getuige 23]. Het Hof bevat simpelweg onvoldoende bewijsmiddelen waaruit concreet blijkt dat [verdachte] betrokken was bij de aanstelling van [getuige 23] bij de DIP in 2018.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:305 juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
Het onder 4 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:351 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
het als ambtenaar een dienst of belofte aannemen, wetende dat deze hem of een ander wordt aangeboden teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd
en
medeplegen van het als ambtenaar een dienst of belofte aannemen, wetende dat deze hem of een ander wordt aangeboden teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.
Het onder 5 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:354 juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
het als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen of nalaten iets te doen ten einde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, meermalen gepleegd
en
medeplegen van als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen of nalaten iets te doen ten einde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straffen
Bij de bepaling van de op te leggen straffen wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
De verdachte heeft door het Land op te lichten, misbruik te maken van zijn functie en zich om te laten kopen het vertrouwen in een integer handelende overheid, welk vertrouwen al onder grote druk staat, ernstig beschaamd en ondergraven. Juist in zijn hoedanigheid als minister had de verdachte een maatschappelijke voorbeeldfunctie en mochten aan zijn handelen de hoogste eisen worden gesteld. In dit geval klemt een en ander temeer, nu de verdachte zichzelf juist positioneerde als een minister die transparantie en objectieve besluitvorming voorstond. Door zich evenwel te mengen in besluitvormingsprocessen, politieke medestanders te bevoordelen en/of hen op strategische posities binnen de overheid te plaatsen, heeft de verdachte de integriteit van het ministeriële ambt ernstig ondermijnd.
Zo heeft de verdachte (soms alleen en soms samen met een ander) in de aanloop naar de verkiezingen van 2017 zijn campagnevoerders in ruil voor hun steun aan en/of stem op de partij en/of hemzelf hulp beloofd onder meer bij het vinden van werk. Sympathisanten van POR en/of [verdachte] genoten daarbij een voorkeurspositie ten opzichte van niet-sympathisanten. Ook personen die pas na de verkiezingen hun loyaliteit aan de partij of [verdachte] betuigden, kwamen in aanmerking voor de voorkeursbehandeling Die voorkeursbehandeling kregen ook personen uit zijn kennissenkring bij het verkrijgen van een erfpachtrecht of het krijgen van een baan, zonder daarvoor hoeven te werken. Juist in die voorkeursbehandeling schuilt in dit geval de strafwaardigheid. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat overheidsdienaren hun ambt naar behoren en zonder aanziens des persoons uitvoeren en zich in hun optreden niet laten leiden door eigen belang.
Het is voorstelbaar dat in een samenleving waarin iedereen elkaar kent de druk op politici groot is om iets voor een ander te doen, maar juist binnen een kleine gemeenschap als Aruba is het van cruciaal belang dat het algemene belang zwaarder weegt dan het partijpolitieke en persoonlijke belang. Als dit principe wordt losgelaten, hebben politieke verschuivingen direct ingrijpende gevolgen voor de bezetting van overheidsdiensten en Serlimar. Daarvan is ook in deze zaak weer gebleken. Het Hof wijst in dit verband op [verdachtes] opmerkingen tegen [getuige 1] over de ontslagen bij Serlimar van ‘onze’ (POR-)mensen. En op de door [getuige 3] beschreven ‘regenvalperiode’, zijnde de periode rondom de verkiezingen waarin honderden benoemingen en overplaatsingen plaatsvinden en waarin een groot aantal mensen, zij noemt het getal van 400 personen, wordt ontslagen vanwege hun politieke kleur.
[Verdachte] heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het plaatsen van personen op belangrijke posities bij de overheidsdiensten en/of Serlimar, waaronder bijvoorbeeld de directeur van Serlimar en de team coördinatoren van het uitgifte centrum en de woningbouw bij de DIP. Door deze personen op die posities te plaatsen, kreeg althans beoogde de verdachte daarover zeggenschap te krijgen. Het WhatsAppbericht van [medeverdachte 2] in de WhatsAppgroep Teamcampana2021 van 10 september 2018 over het krijgen van controle over de 4 afdelingen (DOM en DIP en DOW en Serlimar) bevestigt verdachtes bedoelingen eens te meer.
Het hoeft geen betoog dat deze (bestaande) cultuur afbreuk doet aan de continuïteit, de stabiliteit en de kwaliteit van de dienstverlening aan alle burgers en in het verlengde daarvan het Land Aruba.
In het kader van generale preventie wil het Hof dan ook met de strafmaat een duidelijk signaal geven aan politici en aan de maatschappij in bredere zin, dat corruptie onaanvaardbaar is en tot strenge bestraffing leidt.
In het voordeel van de verdachte wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten zich langere tijd geleden hebben afgespeeld en dat de verdachte onderdeel is en is geweest van een massieve publiciteitsstroom. Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde echter niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen de bijkomende straffen van ontzetting van het passieve kiesrecht en het recht om enig ambt te bekleden. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de verdachte ernstig misbruik heeft gemaakt van zijn positie als minister en van het in hem gestelde vertrouwen. Deze ernstige integriteitsschending is onverenigbaar met het optreden als overheidsdienaar, in welke hoedanigheid ook.
Het Hof is tot een andere bewezenverklaring gekomen dan het Gerecht. Het Hof spreekt de verdachte weliswaar vrij van de onder 1 tenlastegelegde (poging tot) oplichting, maar komt — anders dan de eerste rechter — tot een bewezenverklaring van passieve ambtelijke omkoping. Na dit een en ander te hebben afgewogen, is het Hof tot de slotsom gekomen dat de ernst van de thans bewezenverklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking komt in de door het Gerecht opgelegde straf. Het Hof is van oordeel dat een gevangenisstraf van 28 maanden, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden is.
Het Hof stelt echter nog vast dat sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is immers aangevangen op 24 juni 2020, toen een huiszoeking werd verricht in de woning van de verdachte. De verdachte werd aldaar medegedeeld dat hij bij het strafrechtelijk onderzoek Flamingo als verdachte is aangemerkt en dat naar aanleiding daarvan een huiszoeking bij hem werd verricht. De behandeling van de zaak in eerste aanleg is pas op 22 januari 2025 – na vier en een half jaar - met een eindvonnis afgerond, terwijl de redelijke termijn, behoudens uitzonderingen, twee jaren bedraagt. De behandeling in hoger beroep is wel binnen de daarvoor geldende termijn van twee jaar afgerond. Immers, tussen het instellen van het hoger beroep door het openbaar ministerie op 3 februari 2025 en door de verdachte op 5 februari 2025 en het moment waarop het Hof vonnis zal wijzen op 17 september 2026 is nog geen periode van twee jaren verstreken. Weliswaar betreft het een zeer uitgebreid door de Landsrecherche uitgevoerd onderzoek dat logischerwijs veel tijd vergt, maar dat laat onverlet dat de termijn in zijn geheel ruim overschreden is.
Het Hof is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval tot strafvermindering moet leiden en zal de onvoorwaardelijke gevangenisstraf matigen tot de duur van twee jaren.
Daarnaast zal de verdachte worden ontzet van het passieve kiesrecht en het recht om het ambt van ambtenaar te bekleden voor de duur van 5 jaren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:64, 1:65, 1:66 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Hof:
verklaart het Openbaar Ministerie en de verdachte niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep voor zover dit ziet op het ten laste gelegde onder 2, 3 en 5 ten aanzien van [medeverdachte 5] inzake zaakdossier Spookambtenaren;
vernietigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
ontzet de verdachte van het recht om het ambt van ambtenaar te bekleden voor de duur van 5 jaren;
ontzet de verdachte van het recht om verkozen te worden als lid van de algemeen vertegenwoordigde organen voor de duur van 5 jaren.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. Y.C. Bours en mr. M.L.A. Angela, leden van het Hof, bijgestaan door mr. E.P. Versluis, griffier, en op 17 september 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Aruba.
Bijlage 1 (tekst van de gewijzigde tenlastelegging)
Feit 1
Zaakdossier Malmok (oplichting)
Primair:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 november 2017 tot en met 12 december 2019 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de DIP en/of het land Aruba heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere reserveringsbrieven voor en/of erfpachtrechten op een of meerdere percelen, zijnde [A] en/of [B], in de omgeving Malmok, in elk geval van enig goed, en/of tot het verlenen van een dienst en/of tot het aangaan van een schuld, hebbende verdachte en/of zijn medeverdachten met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
-
in afwijking van het geldende beleid en/of regelgeving en/of geldende procedures althans zonder nadere motivering voor een afwijking van of uitzondering op het geldende beleid en/of regelgeving en/of geldende procedures een reservering voor een recht van erfpacht op genoemde percelen toegekend aan [betrokkene 4] en/of [getuige 4] en/of
-
in strijd met de geldende procedures medeverdachte [medeverdachte 1], als Team Coördinator Uitgifte Centrum (TC/UC) opdracht gegeven om de reservering voor een recht van erfpacht op genoemde percelen aan [betrokkene 4] en/of [getuige 4] toe te kennen terwijl genoemde personen daar op grond van het geldende beleid en/of regelgeving niet voor in aanmerking kwamen althans niet is gebleken van een grond voor uitzondering op of afwijking van het gevoerde beleid en/of regelgeving en/of
-
aan de directeur DIP aangegeven dat er een dubbele en/of een eerdere reservering was op het perceel [A] zodat de op genoemd perceel aan [betrokkene 2] toegekende reservering en/of recht van erfpacht werd ingetrokken en/of
-
een geschrift opgesteld en/of door de directeur DIP laten ondertekenen, waarin, in strijd met de waarheid, stond vermeld dat er een dubbele reservering was op het perceel [A], waardoor deze reservering en/of deze erfpacht werd ingetrokken, en/of
-
voorgedaan alsof de behandeling van de aanvragen van [betrokkene 4] en/of [getuige 4] conform beleid en/of regelgeving en/of procedure is gegaan en/of
-
invloed uitgeoefend om [betrokkene 4] en/of [getuige 4] een voorkeurspositie te verlenen;
waardoor de DIP en/of het land Aruba werden bewogen tot bovenomschreven afgifte en waarbij verdachte zich heeft voorgedaan als een betrouwbare minister van ruimtelijke ontwikkeling, infrastructuur en milieu;
Subsidiair:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 november 2017 tot en met 12 december 2019 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de DIP en/of het land Aruba heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere reserveringsbrieven voor en/of erfpacht rechten op een of meerdere percelen, zijnde [A] en/of [B], in de omgeving Malmok, in elk geval van enig goed, en/of tot het verlenen van een dienst en/of tot het aangaan van een schuld, hebbende verdachte en/of zijn medeverdachten met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
-
in afwijking van het geldende beleid en/of regelgeving en/of geldende procedures althans zonder nadere motivering voor een afwijking van of uitzondering op het geldende beleid en/of regelgeving en/of geldende procedures een reservering voor een recht van erfpacht op genoemde percelen toegekend aan [betrokkene 4] en/of [getuige 4] en/of
-
in strijd met de geldende procedures medeverdachte [medeverdachte 1], als Team Coördinator Uitgifte Centrum (TC/UC) opdracht gegeven om de reservering voor een recht van erfpacht op genoemde percelen aan [betrokkene 4] en/of [getuige 4] toe te kennen terwijl genoemde personen daar op grond van het geldende beleid en/of regelgeving niet voor in aanmerking kwamen althans niet is gebleken van een grond voor uitzondering op of afwijking van het gevoerde beleid en/of regelgeving en/of
-
aan de directeur DIP aangegeven dat er een dubbele en/of een eerdere reservering was op het perceel [A] zodat de op genoemd perceel aan [betrokkene 2] toegekende reservering en/of recht van erfpacht werd ingetrokken en/of
-
een geschrift opgesteld en/of door de directeur DIP laten ondertekenen, waarin, in strijd met de waarheid, stond vermeld dat er een dubbele reservering was op het perceel [A], waardoor deze reservering en/of deze erfpacht werd ingetrokken,
-
voorgedaan alsof alles conform beleid en/of regelgeving en/of procedure is gegaan en/of
-
zich voorgedaan als een betrouwbare minister en/of
-
invloed uitgeoefend om [betrokkene 4] en/of [getuige 4] een voorkeurspositie te verlenen,
terwijl de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
Zaakdossier Spookambtenaren (oplichting)
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 november 2017 tot en met 12 december 2019 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het land Aruba heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere arbeidsovereenkomsten en/of een of meerdere salarisbetalingen en/of uitbetaling van toelagen in elk geval van enig goed, en/of tot het verlenen van een dienst en/of het ter beschikking stellen van gegevens, en/of tot het aangaan van een schuld en/of tot het teniet doen van een inschuld, hebbende verdachte en/of zijn medeverdachten met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven valselijk en/ of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
-
de sollicitatieprocedure via Departamento di Recurso Humano (DRH) voor medeverdachten [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] omzeild en/of genoemde medeverdachten zogenoemd “des minister” benoemd en/of “politiek geplaatst” in de functie van liaison officier en/of medewerker bedrijfsvoering bij het bureau van de minister van ruimtelijke ontwikkeling infrastructuur en milieu (ROIM) en/of
-
als minister een voordracht gedaan aan de ministerraad om medeverdachten [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] in dienst te nemen in een functie van liaison officer en/of medewerker bedrijfsvoering bij het bureau van de minister van ROIM met het verzoek in te stemmen met deze voordracht en/of
-
met genoemde voordracht en/of het verzoek tot instemming met genoemde voordracht de schijn en/of indruk gewekt dat medeverdachten [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] voldeden aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke arbeidsovereenkomst en/of daarmee de schijn en/of indruk gewekt dat genoemde medeverdachten daadwerkelijk de bij die arbeidsovereenkomst behorende arbeid zouden gaan verrichten en/of
-
een arbeidsovereenkomst namens het Land Aruba gesloten met [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] voor de functie van liaison officer en/of medewerker bedrijfsvoering terwijl verdachte en/of zijn medeverdachten wisten dat deze functie niet daadwerkelijk conform die overeenkomst zou worden ingevuld en/of dat de werkzaamheden niet conform die overeenkomst zouden worden verricht en/of
-
deze overeenkomsten in stand gehouden/gelaten en het Land Aruba uitbetalingen laten verrichten terwijl verdachte en/of zijn medeverdachten wisten dat de overeengekomen werkzaamheden niet of nauwelijks werden verricht,
waardoor het land Aruba werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of waarbij verdachte zich heeft voorgedaan als een betrouwbare minister ROIM;
Feit 3
Zaakdossier Spookambtenaren (passieve omkoping)
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 17 november 2017 tot en met 12 december 2019 te Aruba zelf, als ambtenaar, namelijk als minister van ROIM of een ander, van medeverdachte [medeverdachte 4], een gift of belofte of een dienst, te weten;
- werkzaamheden voor het bedrijf [bedrijf 1] althans het bedrijf van medeverdachte [medeverdachte 6], zoon van verdachte, door medeverdachte [medeverdachte 4],
heeft aangenomen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze giften en/of beloften en/of diensten hem, verdachte, of een ander werden gedaan, verleend of werden aangeboden teneinde hem te bewegen om al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten en/of ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten,
namelijk als vertegenwoordiger van het land Aruba in zijn functie van minister van ROIM een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met medeverdachte [medeverdachte 4] in de functie van liaison officer en/of medewerker bedrijfsvoering waardoor genoemde [medeverdachte 4] salaris en/of toelagen uitbetaald kreeg.
Feit 4
Zaakdossier [medeverdachte 2] (passieve omkoping)
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 december 2019 te Aruba, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in het vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar/minister, welke aanstelling is gevolgd en/of in zijn hoedanigheid van minister van ROIM, althans als minister, van [getuige 10] en/of [getuige 16] en/of [getuige 21] en/of [getuige 14] en/of [getuige 22] en/of [getuige 17] en/of [getuige 18] en/of [getuige 11] een gift of belofte of een dienst, te weten:
-
een terbeschikkingstelling aan verdachte en/of
-
het bieden van ondersteuning en/of hulp aan verdachte in zijn werkzaamheden als minister om zaken buiten procedures te regelen en/of
-
steunverlening in de zin van campagnevoeren voor en/of stemmen op verdachte en/of zijn partij bij de verkiezingen,
A. heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte en/of zijn medeverdachten wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat deze giften en/of deze beloften en/of deze diensten hem/hun werden gedaan en/of verleend en/of aangeboden,
-
teneinde hem, verdachte, te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten en/of
-
ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten
en/of
B. voor zichzelf en/of een of meer anderen heeft gevraagd,
-
teneinde hem, verdachte, te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten en/of
-
ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, al dan niet (handelend) in strijd met zijn plicht, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten
te weten
-
het (politiek) invloed uitoefenen ter bevordering van het verkrijgen van een dienstverband bij Dienst Infrastructuur en Planning (DIP) en/of Dienst Openbare Werken (DOW) en/of Serlimar voor genoemde personen en/of
-
het geven van een voorkeursbehandeling aan genoemde personen bij het verkrijgen van een baan bij de overheid en/of Serlimar en/of
-
het anders dan om zakelijke redenen begunstigen van die personen
Feit 5
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 17 november 2017 tot en met 12 december 2019 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in zijn hoedanigheid van minister van ROIM, althans als minister, opzettelijk met misbruik van zijn functie en/of positie iets heeft gedaan en/of nagelaten te doen teneinde enig voordeel voor hem en/of een ander te verkrijgen, namelijk heeft hij:
(zaakdossier Malmok)
-
[medeverdachte 1] in haar hoedanigheid van teamcoördinator uitgiftecentrum verzocht en/of opgedragen om in strijd met het geldende beleid en/of de geldende regelgeving medewerking te verlenen aan het verstrekken van een reservering voor een en of meerdere rechten van erfpacht op residentieel percelen onder nummer [A] en/of [B] gelegen te Malmok aan [betrokkene 4] en/of [getuige 4] en/of
-
in strijd met het geldende beleid en/of geldende regelgeving een reservering voor een recht van erfpacht verstrekt op het perceel [A] gelegen te Malmok aan [betrokkene 4] en/of
-
in strijd met het geldende beleid en/of geldende regelgeving een reservering voor een recht van erfpacht verstrekt op het perceel [B] gelegen te Malmok aan [getuige 4]
waardoor genoemde personen met de verkregen reservering voor het recht van erfpacht op genoemde percelen enig voordeel verkregen.
en/of
(zaakdossier Spookambtenaren)
- als vertegenwoordiger van het land Aruba in zijn functie van minister van ROIM een arbeidsovereenkomst gesloten met medeverdachten [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] in de functie van liaison officer en/of medewerker bedrijfsvoering terwijl hij wist dat genoemde medeverdachten niet daadwerkelijk arbeid voortkomend uit deze arbeidsovereenkomsten zouden verrichten maar daarvoor wel salaris zouden ontvangen
(zaakdossier [medeverdachte 2])
-
buiten de bestaande procedures en/of met omzeiling van de bestaande procedures van DRH en/of door aanwijzingen te geven (politieke) invloed uitgeoefend ter bevordering van het aanstellen en/of benoemen van [medeverdachte 1] en/of [getuige 19] en/of [getuige 20] en/of [getuige 23] bij de DIP en/of
-
buiten de bestaande procedures en/of met omzeiling van de bestaande procedures van DRH en/of door aanwijzingen te geven (politieke) invloed uitgeoefend ter bevordering van het aanstellen en/of benoemen van [getuige 15] als directeur van Serlimar en/of
-
buiten de bestaande procedures en/of met omzeiling van de bestaande procedures van DRH en/of door aanwijzingen te geven aan de directeur van Serlimar (politieke) invloed uitgeoefend ter bevordering van het aanstellen en/of benoemen van een of meerdere personen te weten, [getuige 22] en/of [getuige 16] en/of [getuige 14] en/of [getuige 21] en/of [getuige 17] en/of [getuige 18] bij Serlimar en/of
-
buiten de bestaande procedures en/of met omzeiling van de bestaande procedures van DRH en/of door aanwijzingen te geven aan de directeur van de DOW (politieke) invloed uitgeoefend ter bevordering van het aanstellen en/of benoemen van [getuige 10] bij DOW en/of